Het geluk van Limburg
Marcia Luyten

Het geluk van Limburg

Non-fictie

Meeslepende geschiedenis van de mijnstreek

Vol compassie verhaalt Marcia Luyten over lijden en strijden van de Limburgse mijnwerkers

Op 9 juni 2010 waren er verkiezingen voor de Tweede Kamer. Nergens kwamen minder mensen naar de stembus dan in Kerkrade. En nergens scoorde de PVV van Wilders hoger dan in Kerkrade: 36 procent van de stemmen (tegen landelijk 16 procent). Journaliste Marcia Luyten ziet deze uitslag als een verlate opstand van 'globaliseringsverliezers', van een achtergebleven 'massa met een lage opleiding die slecht uit de voeten kan in de flexibele, hypercompetitieve mondiale economie'. Ook de SP doet het goed in de voormalige mijnstreek.

Opeenvolgende generaties jonge Limburgers met ambitie en talent verlieten de mijnstreek. Wat achterbleef, scoort hoog in de verkeerde statistieken: bevolkingskrimp, een hoge werkloosheid, veel kinderen in armoede en in de jeugdzorg, veel wanbetalers bij zorgverzekeringen en kampioen drugscriminaliteit. Marcia Luyten had haar meeslepende sociale geschiedenis van de mijnstreek in plaats van Het geluk van Limburg misschien beter De Kerkrade Blues kunnen noemen. Want de mijnwerkerstraditie van gehoorzaamheid aan de bazen en de clerus heeft plaatsgemaakt voor het 'werkloosheidsgen': door de lage verwachtingen die werkloze ouders hebben van hun kinderen, wordt de werkloosheid van generatie op generatie overgedragen, zoals vroeger het mijnwerkersvak.

Lijden en strijden

De snelle opkomst van de steenkolenmijnen in de jaren twintig ging gepaard met een massale toestroom van soms opstandige en drankzuchtige arbeidsmigranten. De disciplinering van dat werkvolk door het opkweken van een 'mijnwerkersstam' van Limburgers en het verjagen van buitenlanders, socialisten en ander loslopend volk was een gezamenlijk project van de industriëlen en de roomse kerk. Een geslaagd totalitair project, dat tot in de slaapkamer het leven van de mijnwerkerskolonie beheerste - maar dat tegelijkertijd geborgenheid en verstrooiing bood.

Voor haar evocatie van de opkomst en ondergang van het mijnwerkersvolk trekt Luyten niet alleen de archieven open, maar ook literaire registers. De dramatische lotgevallen van het mijnwerkersgeslacht Vinders fungeren als contrapunt in haar uiteenzetting van het lijden en strijden van de kompels en hun vrouwen. Haar taalgebruik is barok en gekruid, vol compassie met haar mede-Limburgers. Maar haar verhaal is tegelijkertijd een lucide verhandeling over een uithoek van Nederland, die in geen enkel opzicht van doen heeft met de mainstreamgeschiedenis van het bedaagde polderland in de luwte achter de dijken.