Ingenieus weefwerk, maar roman ontbeert levensechte personages
©

Ingenieus weefwerk, maar roman ontbeert levensechte personages

Boek (fictie) - Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken

Arjen van Veelen schrijft in zijn debuutroman een knappe ode aan zijn overleden vriend, de schrijver Thomas Blondeau. Maar waar blijft hij zélf?

Tegen het eind van Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken, de debuutroman van Arjen van Veelen, bezoekt de naamloze hoofdpersoon het huis in Alexandrië waar de Griekse dichter K.P. Kaváfis (1863 - 1933) de laatste 25 jaar van zijn leven heeft gewoond - nummer 24 op de lijst van dingen die je gezien moet hebben in de Egyptische stad, volgens TripAdvisor.

Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken
Fictie
Arjen van Veelen
De Bezige Bij; 272 pagina's; 19,99 euro.

Op het moment dat hij de slaapkamer van de overleden dichter betreedt, denkt hij aan een andere slaapkamer van een overleden auteur. Zijn beste vriend Tomas, in wie de Vlaamse schrijver Thomas Blondeau, in 2013 onverwachts overleden door een slagaderbreuk, is te herkennen.

Blondeau was een van Van Veelens beste vrienden en de hoofdpersoon deelt dan ook veel biografische gegevens met de auteur: gestudeerd in Leiden, journalist, wonend in St. Louis, getrouwd met een microbioloog. Van Veelen, die eerder twee essaybundels schreef, doet bovendien weinig moeite om van Tomas iemand anders dan Thomas te maken - op die ene letter na.

Als de dood heeft toegeslagen, krijgt elk detail opeens betekenis voor nabestaanden

Vlak na Tomas' dood moest zijn kamer 'veegschoon' worden gemaakt. De hoofdpersoon fotografeerde 'als een rechercheur' de kamer, voordat hij aan het karwei begon. Minutieus probeerde hij de details van zijn overleden vriend te bewaren. Hij somde de boeken en alle onbenulligheden op die hij zag: paperclips, lijmstift, een teennagel.

Als de dood heeft toegeslagen, krijgt elk detail opeens betekenis voor nabestaanden. Maar deze nabestaande beseft tegelijkertijd hoe futiel spullen zijn zodra de eigenaar er niet meer is. En ook: dat het opsommen van de details de lezer geen compleet beeld van zijn vriend zal geven.

In Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken doolt de hoofdpersoon lusteloos door zijn woonplaats St. Louis en door Alexandrië, waar hij is om zijn biografie over Alexander de Grote af te maken, wiens graftombe ooit is verdwenen onder de nieuwbouw van de stad. Onderwijl probeert hij zijn vriend een laatste eerbetoon te geven.

Heldere stijl

Tomas en Alexander, 'de eerste mens die de druk voelde dat hij álles uit zijn leven moest halen', delen dezelfde onbedwingbare drang om de wereld te veroveren. Beiden probeerden tijdens hun leven obelisken achter te laten. Voor zichzelf, welteverstaan.

Alexander de Grote staat zo symbool voor een narcistische facebooker avant la lettre. Van Veelen, die voortdurend strooit met dit soort dwarsverbanden, schrijft in een heldere stijl, soms lyrisch, meestal strak en effectief. De toon is niet-ironisch, wel van een zekere lichtheid - tranentrekkende pathetiek blijft achterwege.

Het boek staat vol foto's en verwijzingen naar literatuur, film, filosofie, archeologie en geschiedenis. Vrijwel elk genoemd document, leert een steekproef op Google, bestaat echt. Wat dan weer niet echt is, is de tentoonstelling Strandgeheugen van de fictieve fotograaf Halcia - een naam uit eX, de debuutroman van Blondeau. 'Alexandrië is de stad van het geheugenverlies', laat Van Veelen haar zeggen, waardoor de verteller beseft dat hij bezig is met een hopeloze exercitie.

De vele parallellen maken dit debuut een ingenieus thematisch weefwerk over rouw, de dood, nalatenschap, nostalgie en levensdrift

In de eerdergenoemde kamer van Kaváfis treft de hoofdpersoon ook een dodenmasker van de dichter aan, een gipsafdruk van zijn gezicht. Dit doet hem denken aan de laatste profielfoto van Tomas, waarop hij, anders dan op eerdere foto's, niet ironisch een houding aanneemt, maar 'de sporen' toont. 'Een schrijver', noteert Van Veelen dan, 'is een trage zelfmoordterrorist, met dat verschil dat hij zichzelf offert om de wereld wat moois te geven.'

De vele parallellen maken dit debuut een ingenieus thematisch weefwerk over rouw, de dood, nalatenschap, nostalgie en levensdrift. Alles klikt precies in elkaar, maar tegelijkertijd slaan die analogieën het proza soms dood, pun unintended. De lezer krijgt op zulke momenten het gevoel geen roman over mensen te lezen, maar een theoretische, of essayistische zo je wil, compositie over ideeën.

Wat daarbij niet helpt: het boek ontbeert levensechte, handelende personages. Van Veelen heeft uitgebreid geput uit zijn eigen leven, vrijwel alle details komen overeen, tot aan de naam van poes Amy aan toe; eerder schreef hij over zijn huisdier in NRC Handelsblad en Das Magazin.

Waarheidsgetrouw

Ook de kenmerken van zijn vrouw, microbioloog en columnist Rosanne Hertzberger, zijn waarheidsgetrouw: voor haar werk verhuist het stel naar St. Louis, waar zij promoveert op onderzoek naar een melkzuurbacterie. Maar Van Veelen wil geen personage van haar maken, ze blijft uit beeld en in telefoongesprekken hoor je alleen hem spreken.

De naamloze hoofdpersoon blijft, ondanks zijn vele intelligente bespiegelingen, ook wat vaag. Hij is voortdurend alleen en maakt met niemand wezenlijk contact. En in het merendeel van zijn herinneringen aan de vriendschap met Tomas, in flashbacks beschreven, zwijgt het schuchtere alter ego van Van Veelen en treedt hij niet op, terwijl Tomas hem overrompelt, aanmoedigt en meevoert, prachtige zinnen uitspreekt en geweldige grappen maakt.

Met de billen bloot gaat Van Veelen maar één keer echt

Veel romans over vriendschap tussen schrijvers of kunstenaars gaan over onderlinge rivaliteit, maar Van Veelen beschrijft een ongelijke verhouding. 'Hij bleef me altijd een hoofdstuk voor.' Door die geïdealiseerde beschrijving is Tomas nauwelijks een mens, maar meer een heilige, zoals Van Veelen ook schrijft: 'altijd jonger en altijd ouder en wijzer'.

Van Veelen is bescheiden of terughoudend over zijn eigen rol in de vriendschap. Met de billen bloot gaat hij maar één keer echt: als hij de 'flits van euforie' beschrijft die hij voelt bij het horen van Tomas' dood. Later beseft hij wat die flits was: het besef 'dat ik eindelijk echt iets te mélden had'. Een eerlijke en pijnlijke constatering, die mogelijk heeft geleid tot dit boek. Maar als Van Veelen een trage zelfmoordterrorist wil zijn, moet hij zichzelf nog meer durven offeren.

Verbetering: In een eerdere versie van dit artikel stond in de intro Thomas Bondeau geschreven, waar Thomas Blondeau moest staan. Dit is aangepast.