De ongelooflijke en wrange herinneringen aan stripschrijver Marten Toonder

Wiep Idzenga in het spoor van 'briljante kunstenaar, maar egoïstische schoft'

Het onkruid staat manshoog op het graf van gevierd stripschrijver Marten Toonder aan de Ierse Zee. Schrijver-journalist Wiep Idzenga zoekt twaalf jaar na diens dood naar herinneringen aan de geestelijk vader van Olivier B. Bommel en Tom Poes in zijn Ierse hide away. Wat hij vindt, wordt almaar ongelooflijker en is bepaald wel iets meer dan een voetnoot bij de geschiedenis. En iets wranger ook.

Op de heuveltop verwaaien de laatste nevelslierten richting de Ierse Zee. Glooiend grasland met het scherpe geel van de gaspeldoorn wordt zichtbaar. Wat schapen, her en der een eenzame boom. Aan de voet van de heuvel verdwijnt een trein in een tunnel. Beneden, in de verte ligt Greystones, het vissersdorpje, 30 kilometer onder Dublin, waar Marten Toonder ruim vijfendertig jaar woonde. Het was midden jaren zestig een zelfgekozen artistieke verbanning, weg van de zakelijke beslommeringen in het steeds drukker wordende Nederland. Hij zocht de rust in het landschap dat hij al tekende lang voordat hij er was geweest.

Vanaf de kade in Greystones wijst een lange, magere man naar een dobberende zeehond die ons nieuwsgierig aankijkt. Het beestje schrikt niet als de bejaarde Frank geestdriftig in zijn handen klapt. In zijn puberjaren zwom hij hier met zeehonden. Ze duwden spelenderwijs hun snuiten tegen zijn lijf. Hun scherpe tanden maakten soms wondjes. Frank stroopt de rechterbroekspijp op, maar het litteken zit te hoog. Hij probeert het van de bovenkant, maar ik zeg dat ik wel een idee heb hoe dat eruit moet zien. 'Oké', zegt Frank terwijl hij zijn riem weer vastmaakt. Zijn ogen speuren het wateroppervlak af. De zeehond is verdwenen.

Frank woont al zijn hele leven in Greystones. Hij was weleens voor werk in het buitenland, maar in de andere jaren moet hij Toonder hier zijn tegengekomen. Voordat hij zich opsloot in zijn werkkamer liep de Nederlander 's ochtends vroeg langs het strand en over deze kade. 'Bouwjaar 1912, statig, in pak, bakkebaarden, geheimzinnig lachje rond de mondhoeken?' Frank herhaalt de omschrijving. Hij knikt. Een druppel die al een tijdje aan zijn neus hing valt naar beneden. Net als Frank wat wil zeggen wordt hij geroepen door een jongeman die iets verderop opstaat van zijn bankje. Ze moeten gaan. 'Morgen herinner ik me alles weer', zegt Frank. Ik moet maar langskomen op het adres dat hij me heeft gegeven. Hij doet een paar stappen richting de wachtende man. Dan draait hij zich om. 'Dus, jij bent Toonder en je zoekt wie?'

Wat in Toonders tijd een pittoresk haventje moet zijn geweest, is nu een afzichtelijke jungle van steen, hekken, parkeerhavens en bouwzand

Langs de grote grijze stenen die het dorp zijn naam gaven loop ik naar wat in Toonders tijd een pittoresk haventje moet zijn geweest, met een strand en vissersbootjes in de baai. Nu is het een afzichtelijke jungle van steen, hekken, parkeerhavens, een afgesloten jachthaven en heuvels van bouwzand. Met zijn liefde voor de natuur en weerzin tegen de menselijke vernietigingsdrang zou Toonder van deze aanblik gegruweld hebben.

'Een kind van 3 had met zijn lego een beter ontwerp gemaakt', zegt Patrick hoofdschuddend, een vijftiger die op een blok beton zit. 'Het is een slecht ontworpen speeltuin voor de steenrijken.' Het havenproject van 300 miljoen euro behelst ook een appartementenkolos die zal uitrijzen boven het dorp om de zee en de heuvels rondom goed te kunnen zien. Patrick gunt anderen best wat luxe, maar wat gemeenschappelijk is moet gemeenschappelijk blijven. Hij staat daarin niet alleen. Van de kleine twintigduizend inwoners tekenden 6.500 mensen bezwaar aan. Woedend waren ze toen de ontwikkelaar het gebied gebarricadeerd hield in de periode dat de bouw vanwege de crisis jarenlang stillag. 'Het stinkt aan alle kanten, die onvoorwaardelijke steun van sommige raadsleden.' Heer Bommel en het smeergeld zou Toonder het noemen.

Tijd voor Guinness

Patrick toont me plekken waar de lokale overheid beter zijn aandacht en financiën aan kan besteden. Op North Beach vreet de zee steeds verder in het land. De afstand tussen een weilandhek en een steile wand van zand is amper een meter. Elders is de spoorlijn in gevaar. Op Trafalgar Road nemen de begroeiing en het onkruid bezit van het ooit zo sierlijke, Victoriaanse La Touche Hotel uit 1894. Politicus en verzetsstrijder Michael Collins sliep er daags voordat hij in Londen onderhandelde over onafhankelijkheid. De Ierse schrijver Samuel Beckett was er vaste gast. Als kind vierde Beckett vakantie in een lichtblauw hoekhuis met een knalrode deur bij de haven.

Terug bij de jachthaven steken we het kille, oerlelijke nieuwe plein over. We passeren een sensor die een luidspreker activeert 'Greystones town ask you to clean up after your dog and bin your litter.' Patrick schudt het hoofd. 'Weet je hoe laat het is?', vraagt hij dan. Nog voor ik mijn telefoon kan pakken roept hij triomfantelijk 'Tijd voor een Guinness' en maakt een armbeweging richting The Beach House, een pub uit 1850. Binnen hangt de indringende geur van verbrand turf. Even later zitten we achter donkere glazen Guinness en eten heek, zalm, kabeljauw en friet.

Waarom wordt Toonder eigenlijk zo geprezen, hij was toch maar een striptekenaar?

Als het rondzingt dat ik Toonders sporen volg schuiven enkele oudere mannen aan. Eén van hen - verbrande kop boven rossige baard - zag de schrijver en zijn vrouw hier binnenlopen, eind jaren zestig. Hij kende de man in zijn lange jas en geruite pet niet. Nadat het stel geagiteerd de tent verliet hoorde hij pas dat het Toonder was. In veel Ierse pubs waren vrouwen destijds niet welkom, een pint zat er helemaal niet in. 'Voordat hij naar buiten liep keek Toonder met zo'n opgetrokken borstelige wenkbrauw nog even naar de barkeeper. Ik vergeet de namen van mijn kleinkinderen, maar dit weet ik nog.' Verder zagen ze de stripauteur zelden. 'Vreemd', zegt Patrick als de barman volle glazen heeft gebracht, 'hier worden verhalen verteld.' Net als veel Ieren hebben deze mannen the gift of gab, de gave van het ouwehoeren. Over een onopgeloste, mysterieuze moord gaat het. Over smokkelaars die 's nachts en op mistige dagen hun Franse waar (brandy, gin, thee, zijde en wijn) vanaf zee via een grot en een tunnel verder vervoerden. Op diezelfde plek stortte later nog een complete trein naar beneden. Dat gebeurde in 1867, maar Ieren verweven dat moeiteloos met het nieuws van die ochtend over een nieuw ontuchtschandaal in de rooms-katholieke kerk. Wist ik trouwens dat Toonders excentrieke schoondochter nog in Greystones woont? Waarom wordt Toonder eigenlijk zo geprezen, hij was toch maar een striptekenaar?

Als ergens rond de vijfde pint die vraag wordt gesteld staan we inmiddels in de belendende, donkere Dann's Bar, waar geldt: No food, no kids. We zoeken tevergeefs naar vertalingen voor kommer en kwel, minkukel en denkraam, maar Patrick snapt Toonders taalvernieuwing. Zelf gebruikt hij het Bommeliaanse 'Als je begrijpt wat ik bedoel' als stopzinnetje. 'Dus Toonder was als Yeats,' zegt hij, 'een taalvernieuwer, know what I mean?' Wiebelend op zijn benen sluit hij de ogen. Net als ik denk dat de Guinness hem gaat vellen, declameert hij met gedragen stem:

Come away, O human child!

To the waters and the wild

With a faery, hand in hand,

For the world's more full of weeping than you can understand.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Geen van de dertien bibliotheken in County Wicklow heeft een Toonder-boek in de collectie

De barman en een jonge vrouw murmelen de regels van The Stolen Child, Yeats' bekendste gedicht, met hem mee. Van alle Ierse schrijvers en dichters bewonderde Toonder Nobelprijswinnaar William Butler Yeats het meest. Ze deelden de interesse in het bovennatuurlijke, in de Keltische sagen met faeries (feeën) en leprechauns (kabouters). Toonder zocht op een West-Ierse berg het dansende lichtje dat Yeats ooit zag. Na zijn emigratie groeide de rol van natuurgeesten en Het Kleine Volkje in Toonders Bommelsaga. Het bergdorpje Kilkrook uit Heer Bommel en de Krookfilm (1972) zou verderop in de Wicklow Mountains kunnen liggen.

Na een lange, magische avond vol toverdrank en de engelenstem van de zangeres in Dann's zet ik de volgende middag koers naar de Greystones' bibliotheek. Voor de deur van het lage, witte gebouw uit 1910 met gele kozijnen roept een man me. Hij draagt zijn lange witte haar in een knotje en bezit bakkebaarden waar Toonder jaloers op zou zijn. Net als zijn jas heeft zijn gebit z'n beste tijd gehad. Of ik een minuutje heb en een eurootje? Vijf misschien, tien? De dakloze John Canning verkoopt gedichten: It's not Shakespearean, it's rather unusual.' Als hij heeft vastgesteld dat hij een echt tientje heeft gekregen trekt hij me de bibliotheek in. Hij snelt naar een computer om zijn gedichten te mailen. Ik speur ondertussen naar een hoek met Toonder-boeken, ik kijk bij de strips en zoek in de kasten bij de T, de B en de P (Toonder, Bumble, Puss). Niks. Geen van de dertien bibliotheken in County Wicklow heeft een Toonder-boek in de collectie. John, die me in 34 mails zijn hele dichtbundel Suspended (Geschorste) Glory heeft gestuurd, vindt het een schande. Tot een kwartier geleden kende hij Toonder en Bommel niet, maar nu roept hij tegen de arme bibliothecaresse: 'Kom op zeg. Die man heeft miljoenen en miljoenen boeken verkocht!' Ze belooft het uit te zoeken.

Snoep- en tabakswinkeltje

In café Gray - a party without a cake is really just a meeting - probeer ik iets onmogelijks: Johns gedichten lezen zonder geestverruimende middelen. Naast me aan de grote koffietafel zit een vrouw in een regenjas. Met een trillende hand brengt ze thee met melk naar haar mond, met een trillende vinger wijst ze naar Toonders foto die uit mijn paperassen steekt. 'Die ken ik,' zegt ze, 'hij liep hier vaak 's ochtends langs. Soms kwam hij binnen.' Het was in de tijd dat dit het snoep- en tabakswinkeltje van Paddy Murphy was. Hij leeft niet meer, of zoals ze in Ierland zo mooi zeggen: 'he's pushing up daisies (madeliefjes)'. Mary die haar leeftijd niet wil vertellen - 'young man!' - hielp Paddy af en toe. Ze verkocht Toonder weleens snoep. Vaker zag ze hem bij South Beach vanaf een rots over het water turen. Als ze hoort dat zijn vader scheepskapitein was valt het kwartje. 'Aha', zegt ze een paar keer voordat ze plots opstaat. Ze knoopt haar hoofddoekje om, ritst haar jas dicht en tikt mij daarna tegen de bovenarm. 'Ik ga naar de bibliotheek. Ik zou in een van zijn boeken kunnen voorkomen.' Eigenlijk moet ik Mary tegenhouden, maar een beetje druk op de bibliothecaresse kan geen kwaad.

Een man die heeft meegeluisterd, vertelt dat vroeger South Beach niet toegankelijk was voor vrouwen. Toonders schoondochter Loumina, getrouwd met zijn oudste zoon Eiso, ging er uit protest geregeld naakt zwemmen. 'Dan werd het druk', zegt de man, 'het was een mooie, Aziatische meid.'

Ik durfde hem niks te vragen, zegt Ireton. Misschien zat hij op een nieuw verhaal te broeden

Mary noemde een kleine kruidenier die nog wel open is, maar dat klopt niet meer. Ireton, in bedrijf sinds de bouw van het pand eind 19de eeuw, sloot kortgeleden de deuren. Leo Ireton, de laatste eigenaar, kijkt angstig om het hoekje van het neergelaten rolgordijn maar doet dan toch open. De schriele vrijgezel (75) kon niemand vinden die de concurrentie met Lidl en SuperValu wilde aangaan. Een stap over de drempel van Ireton is een stap terug in de tijd. Op de planken aan de wand staat nog wat ingeblikt voedsel. Op de massieve toonbank rust een grote, antieke weegschaal. Toonder en zijn toenmalige dorpsgenoten zouden zo kunnen binnenstappen. In een oubollig keukentje achter de winkel, waar Jezus Maria ruimschoots verslaat met afbeeldingen (8 tegen 2), vertelt Leo dat Toonder af en toe zijn winkel aandeed. 'Hij knikte vriendelijk maar zei weinig. Hij was geen man voor small talk.' Ireton vond hem een heer van stand, ook voordat hij wist dat Toonder een gevierd schrijver was. Als Toonder iets kocht was het zoetigheid. In een uitzonderlijk spraakzame bui vertelde Toonder dat hij soms dingen met suiker nodig had door teveel aan insuline in zijn bloed, een erfenis van het eenzijdige suikerbietendieet in de oorlog. Het verbaasde Leo dat Toonder nooit een krant kocht. Later begreep hij dat zijn huishoudster Nora iedere ochtend ergens The Irish Times haalde en naast zijn ontbijtbord legde. 'Ik durfde hem niks te vragen,' zegt Ireton bij de winkeldeur, 'misschien zat hij op een nieuw verhaal te broeden.'

De naam van Nora is gevallen, vanaf 1975 vijfentwintig jaar lang Toonders steun en toeverlaat. Ze bewoonde met haar man en dochter twee kamers in het landhuis, tot Toonder na de dood van zijn tweede vrouw een zelfmoordpoging deed. Nora wilde hem daarna niet meer verzorgen. Ze is niet moeilijk te vinden, maar ze wil absoluut niet praten, mogelijk uit loyaliteit aan Toonder. De vergelijking met de aan Heer Olivier hondstrouwe butler Joost dringt zich op, als ik zo vrij mag zijn.

Op het grafmonument staan naast zijn eigen naam ook zijn geliefden die hij in tien jaar tijd verloor: zijn twee echtgenotes, een zoon, twee dochters en zijn broer

Wreed leven

Op Redford Cemetery, net buiten Greystones, dringt pas goed door hoe wreed Toonders leven na zijn 80ste was. Onder de twee Keltische kruisen van het grafmonument staan naast zijn eigen naam ook de namen van de geliefden die hij in tien jaar tijd verloor: zijn twee echtgenotes - Toonder hertrouwde in 1996 en verloor zijn vrouw een paar maanden later -, een zoon, twee dochters en zijn broer. Tussen de potten met verdorde planten op het familiegraf staat het onkruid metershoog.

Toonders toenmalige vaste loopje, leidt tegenwoordig langs een makelaar die eenvoudige woningen aanbiedt voor 4 ton. Bij een wedkantoor komt een man naar buiten. Hij noemt gokken op paarden een domme bezigheid, toch heeft hij weer a tenner ingezet. Hij heeft er nog een over voor twee pints en wat pinda's. In een zijstraatje naar een modern winkelcentrum lopen jongelui in groene schooluniformen. Voor het dieprood geverfde restaurant The Hungry Monk telefoneert een man die sprekend op Zwarte Zwadderneel lijkt, de onheilsprofeet uit de Bommelreeks. Alleen zijn paraplu ontbreekt. Bij The Happy Pear staat een rij tot buiten. De succesvolle natuurvoedingswinkels van de tweeling Dave en Steve Flynn is een hit op YouTube. Hun (vegetarische) kookboeken verkopen beter dan die van Jamie Oliver. Er is nog wel werk te doen want het vette full Irish breakfast - ik heb voor het eerst in 30 jaar weer puistjes - is nog altijd populair. Kilkenny Design verkoopt Iers aardewerk, sieraden, kleding en kristal vanuit het oude postkantoor. Nora meldde zich er elke ochtend drie kwartier voor de officiële opening om Toonders poststukken op te halen. Dat had ze zo bedisseld met de sorteerders. Als haar baas 's morgens naar beneden kwam behoorde de correspondentie naast zijn ontbijt te liggen.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.

Na een eenvoudige doch voedzame maaltijd in The Burnaby loop ik het terrein van St. Patrick's op, het Anglicaanse kerkgebouw. Hier ergens zou zich het landhuis bevinden dat de Toonders voor een prikkie kochten van een stokoude vrouw die door het gokken op paarden in geldnood was gekomen. George en Sheila, twee vrijwilligers die in de kerktuin geraniums planten, kennen het wel. Het is inmiddels een verpleeghuis, daar aan de overkant achter de heg. Voor de twee was Toonder een schicht. 'We zagen zijn schoondochter vaker', vertelt Sheila. 'Oh yeah', zegt George, 'Loumina.' Soms zagen ze haar dansend op de stoep. Dan weer liep ze zingend midden op straat, de auto's achter haar negerend. Ze droeg altijd grote hoeden vol kleurige bloemen. 'Ze was mesjogge, toch George?' George knikt.

Niet veel later zit ik in de blauwe kamer van Eyrefield Manor Nursing Home. De deur staat open. Af en toe schuifelt een bejaarde voorbij. Dan lopen Liz en Pat Behan binnen, de eigenaren van dit verpleeghuis en bewoners van het oude huis van Toonder. Het verpleeghuis is tien jaar geleden gebouwd op de plaats van de afgebroken cottage, waar Eiso en Loumina woonden. Na de scheiding bleef zij met de kinderen achter, tot Toonder vertrok naar het Rosa Spier Huis in Laren. Bij de eerste bezichtiging voor de veiling beet Loumina kandidaat-kopers Liz en Pat toe dat ze haar niet weg kregen. Liz gaat er eens goed voor zitten. Ze wil niet roddelen, maar boy oh boy dat waren vreemde sujetten, die Toonders. Na de verkoop kwamen Eiso en de kleinkinderen terug om nog persoonlijke dingen te zoeken op Eyrefield Lodge - vernoemd naar een mysterieus renpaard. 'Toen ze uit het roestige busje stapten dacht ik dat het zigeuners op rooftocht waren,' zegt Pat. 'Ze hadden alles al meegenomen, tot aan de deurkloppers toe.' Op de allerlaatste dag voor de overdracht kwam het verzoek of Loumina toch niet in haar cottage kon blijven wonen. 'Hoe vind je dat?', zegt Liz. 'Pat heeft uiteindelijk al haar oude troep verhuisd naar haar nieuwe woning.' Ze wil Loumina's adres niet geven, uit veiligheidsoverwegingen. 'Laatst liet ze een telefoonabonnementenverkoopster binnen. Die mocht vervolgens niet meer weg. De politie heeft haar bevrijd.'

Ik heb het allemaal weggegooid, net als een oude poster van die beer met dat geruite jasje. Had ik maar geweten dat Toonder zo beroemd was...

Liz

Het eerste wat Liz even later in Toonders oude huis uit 1879 aanwijst is de kast waarin hij zijn genummerde flessen drank bewaarde. 'Ik heb het allemaal weggegooid', zegt ze, 'net als een oude poster van die beer met dat geruite jasje. Had ik maar geweten dat Toonder zo beroemd was...' Terwijl Liz en Pat jeremiëren over de vele sloten die de Toonders op de deuren hadden, over het donkere behang, de chocoladebruine deuren en de 'oerlelijke' groenblauwe vloerbedekking, vind ik Toonders werkkamer en zijn uitzicht op de Ierse Zee. Het is nu de slaapkamer. Eigenlijk was het geen goede werkplek voor Toonder: hij moest niet naar buiten maar juist naar binnen kijken. Om die reden gingen de Toonders ook niet in het betoverende westen van Ierland wonen, waar ze wel hun vakanties vierden. De natuurkrachten waren er te sterk, hij wilde daar alleen maar buiten zijn. Van werken zou niets terechtkomen. Toonder moest het doen met hun tuin in Greystones, die Liz omschrijft als 'sprookjesachtig', met rollende heuveltjes, fuchsiahagen, de eucalyptusbomen van vrouw Phiny en de Canadese populier die hijzelf plantte. Tegenwoordig is het een kale boel. Ook de heuvel is verdwenen, waar volgens een buurman Toonder eens verkleed als Sinterklaas vanaf rende om zijn kleinkinderen te vermaken. Het is moeilijk voor te stellen, want verder vertoonde Toonder zich zelden aan zijn buurman.

Op zoek naar Loumina kom ik terecht bij kolenboer Pat Mooney (62) die iedereen in Greystones kent. Hij geeft een pikzwarte hand. Mooney leverde ook jarenlang kolen, gas en brandhout aan de Toonders. 'Die deftige Marten zei weinig, maar toch leek hij me aardig. Zijn zoon was een zeikerd.' Hij neemt het op voor Loumina. Zeker, ze heeft fratsen, maar hij kent haar achtergrond. 'Ze heeft geen gemakkelijk leven gehad,' zegt hij, 'uiteindelijk werd ze ook nog onterfd.' Loumina, een buitenechtelijk kind van een Indonesische moeder en een Nederlandse vader die in een Javaans weeshuis opgroeide, zou op haar 16de worden geadopteerd door de Toonders. Ze wilden naast twee zonen ook een dochter. De adoptie verliep stroperig. Marten en Phiny verlegden met succes hun aandacht naar twee andere meisjes op Java - een Chinese en een Japans-Nederlandse. Loumina belandde uiteindelijk bij een kinderloos echtpaar in Nederland, maar gevoelsmatig was ze geadopteerd door de Toonders. Ze kwam er vaak over de vloer en raakte verliefd op Eiso.

Marten was een briljante kunstenaar, maar een waardeloze vader en opa

Toonders schoondochter

'Egoïstische schoft'

Net voordat Toonders schoondochter de volgende dag de deur opent van haar goedkope benedenwoning in een grauwe straat van Greystones spoken Pat Mooney's woorden door mijn hoofd: 'Ze kan gevaarlijk zijn.' Het is alsof Loumina (76) gedachten kan lezen. Als ze theewater heeft opgezet en in een gemakkelijke stoel is neergezegen, kijkt ze me strak aan en zegt: 'I'm a deadly person.' Over een roze joggingpak met capuchon draagt ze een gele fleecetrui, eronder dikke sokken in de kleuren van de regenboog. Ze heeft haar grijze haar slordig opgestoken, meer uit gemak dan uit ijdelheid. In het rommelige, volle kamertje is amper bewegingsruimte. Het kan haar weinig meer schelen, ze heeft zich drie jaar geleden teruggetrokken uit deze wereld. Ze ziet niemand meer. Loumina noemt zichzelf een dinosaurus, de laatste van haar generatie. Haar vier kinderen wonen in het buitenland. 'Ik was betoverend mooi, maar nu ben ik dik en lelijk. Maar ik geef er geen fuck om. Thee?' Schaterend loopt ze naar het keukentje. Het is lachen om niet te huilen.

'Marten was was een egoïstische schoft,' zegt ze terugkerend met thee. 'Het was altijd werk, werk, werk. Hij was een briljante kunstenaar, maar een waardeloze vader en opa.' Toonder adoreerde Loumina aanvankelijk. Hij volgde blindelings haar keuze voor Greystones - 'dat sprookjesachtige haventje met die gekleurde huisjes, amper drieduizend inwoners' - en het landhuis. Loumina en Eiso trokken na hun huwelijk in 1962 als vooruitgeschoven posten naar Ierland, drie jaar voor Marten en Phiny. Samenwonend op hetzelfde terrein merkte Loumina hoe haar schoonvader zijn vrouw en zijn zoon in zijn greep hield. Alles draaide om hem. Toen ze dat een paar keer uitsprak bekoelde de relatie. 'He wasn't a nice man. Echt een Grunneger, een koude kikker.' Ze spreekt de laatste zin in het Nederlands uit, deftig, als een vrouwelijke Philip Bloemendal. Volgens Loumina schaamde Toonder zich voor zijn zoons. Hij gaf ze nooit een complimentje. Tijdens Toonders ziekteverlof nam Eiso de strip van Tom Poes van hem over. Een dankjewel kon er niet af. Sterker: niemand mocht het weten. 'Hij woonde hier ruim 35 jaar, maar niemand kent hem, dat zegt toch alles? Hij had net zo goed op de maan kunnen gaan wonen, of in Rommeldam.' De lach die volgt is een echte. 'Selamat jalan (goede reis),' zegt ze bij de deur. 'Vertel alsjeblieft niemand waar ik woon. Het boek is dicht.'

Goed nieuws: de bibliotheek gaat een Toonder-afdeling aanleggen

Net voor vertrek uit Greystones is er tweemaal goed nieuws. De bibliotheek gaat een Toonder-afdeling aanleggen. Op het treinstation komen geschilderde portretten te hangen van beroemdheden die een band hebben met Greystones. Toonder is een van hen.

In zijn galerie/werkplaats boven restaurant Bochelli wijst kunstenaar Tom Byrne beurtelings naar twee van zijn werken, een schilderij van schrijver Samuel Beckett en het vergevorderde portret van Toonder. 'Zie je die blik in hun ogen? Dat is helderheid. Ook als je niet weet wie het zijn, herken je ze als intelligente mannen.' Byrne loopt naar de beeltenis van de schepper van Olivier B. Bommel en Tom Poes. Toonder, in een lichtblauw colbert, wit overhemd en een donkerblauwe stropdas, kijkt de toeschouwer bedachtzaam aan, met karakteristiek opgetrokken rechtermondhoek. Het is alsof hij de woorden die hij wil uitspreken eerst nog even zorgvuldig proeft. Op het schilderij rolt achter Toonders rug het water van de Ierse Zee over het zand van North Beach.

Byrne kende Toonder amper - 'is hij vertaald? Toch voelt hij verwantschap met de Nederlander. Zelf woont hij al ruim vijftien jaar in Greystones, maar als geboren Dubliner blijft Byrne a blow-in, een buitenstaander. Niet dat hoofden wegdraaien als hij langsloopt, of gesprekken verstommen, maar helemaal eigen wordt hij nooit. 'Wat ik wel weet,' zegt Byrne, 'is dat de mensen in Greystones het waardeerden dat Toonder zo genereus was voor collega's.'

Toen hij er na drie jaar Ierland achter kwam dat hij voor niks geld opzij had gezet voor de belastingaanslag - kunstenaars waren vrijgesteld - besloot Toonder een fonds in het leven te roepen voor beginnende artiesten. 'Dat warmhartige zit ook wel in dit portret, vind je niet?' Hij doet weer een paar passen richting zijn eigen creatie, voelt aan zijn geitensik, verplaatst zijn zwarte hoornen bril van zijn neus naar de bovenkant van zijn schedel en tuurt. 'Die jukbeenderen waren het moeilijkst. Bij de Kelten zijn die sterker en hoger. Zijn jukbeenderen lijken op die van jou.' Hij geeft me een portret mee van Ronnie Drew, de zanger van de Dubliners die ook lange tijd in Greystones woonde. Drew nam Loumina in huis toen ze een paar maanden dakloos was. Dat laatste wist Byrne niet. Dus toeval die keuze? 'Nee, dat is de mystiek van Ierland', zegt Byrne, 'dat voel je toch wel?'

Daar denk ik aan als ik die avond in een pub mijn laatste Guinness drink. Een bovennatuurlijk voorval zoals Toonder geregeld ervoer was mooi geweest voor het verhaal. Dan kijk ik naar mijn glas. In het schuim dat aan de binnenkant is achtergebleven hebben zich letters gevormd, een woord: D'end. The End. Ik reken hem mee, als u mij toestaat.