De geest gaat af, maar is nog lange niet geweken

Het lichaam vervalt, de geest bereidt zich spookachtig voor op de aftocht, maar hij blijft onversaagd: in Exit Ghost, de nieuwe roman van de Amerikaanse meester Philip Roth, gaat zijn alter ego Nathan Zuckerman tekeer tegen zijn biograaf, typisch product van de tijdgeest Door Michaël Zeeman / Tekening Karel Kindermans...

Nathan Zuckerman wordt oud en hij weet het. Omdat hij tien jaar terug tegen prostaatkanker behandeld is, wordt hij er zelfs onophoudelijk aan herinnerd: sinds zijn woekerende prostaat verwijderd is, plast hij druppelsgewijs de hele dag in zijn broek. Daar is tegenwoordig wel wat aan te doen, maar zelfs met een geraffineerde bejaardenluier om blijft het behelpen en oppassen. Zwemmen, bijvoorbeeld, in een openbaar zwembad is een beschamende vertoning. Tijdens langdurige ontmoetingen ruikt hij gaandeweg zichzelf. Ook ziet hij zijn gezelschap dan soms vreemd snuiven. Hij is een man geworden ‘met tussen zijn benen een tapkraantje van rimpelig vlees waar hij ooit het volledig functionele geslachtsorgaan had bezeten, compleet met blaasbeheersing.’ ‘Het eens zo fiere voortplantingsorgaan leek nu meer op een eindje pijp dat je ergens in een weiland uit de grond ziet steken, een zinloos stukje pijp waaruit zo nu en dan een straaltje water stroomt of spuit (...) tot op een goede dag iemand er aan denkt de kraan die extra slag te geven die aan het gespetter een einde maakt.’ Omdat hij steeds minder belang ging stellen in de dagelijkse gebeurtenissen van de drukke wereld is hij buiten gaan wonen, in de Berkshires, een paar uur rijden benoorden New York. Kranten leest hij niet meer, televisie kijkt hij niet meer, wat het world wide web is weet hij niet recht, uitgaan doet hij niet meer en een dvd-speler bezit hij niet. Hij heeft zich afgezonderd, om te kunnen lezen en schrijven. Dat doet hij allebei met tijdloze toewijding. De ouderdom komt met gebreken, maar Zuckerman is leep genoeg om die gebreken in zijn voordeel om te buigen. Geen sex meer, wel incontinentie-luiers, geen internet, wel de klassieken van de literatuur. Hij kent ze uit zijn jeugd en nu, ouder en wijzer, herleest hij ze – en groeit zijn bewondering nog verder. Nathan Zuckerman, de hoofdfiguur uit de nieuwste roman van Philip Roth (1933), Exit Ghost, kennen wij, omdat hij al tientallen jaren in Roths romans optreedt als wat je oppervlakkig beschouwd als het alter ego van de schrijver zou moeten beschouwen: in grote trekken komen Zuckermans verdiensten, bezigheden, herinneringen, karaktertrekken en obsessies overeen met die van Roth. Zelfde achtergrond, zelfde wrange humor, zelfde onverbloemde manier de werkelijkheid onder ogen te zien en onder woorden te brengen, de gruwelijke en onverbiddelijke werkelijkheid, de schitterende en verleidelijke werkelijkheid. In The Facts heeft Roth, bijna twintig jaar terug, het leven van Nathan Zuckerman langs dat van hemzelf gelegd, dat wil zeggen, het vertelde leven vergeleken met het geleefde leven. ‘Het soort verhalen waar mensen hun leven in veranderen’, schreef hij elders, ‘het soort levens waar mensen verhalen van maken.’ De schijnbaar betrouwbare herinneringen van Roth werden, ten slotte, ondertekend door Zuckerman: literatuur en leven zijn in dit leven voor, door en vanuit de literatuur één. En dus komen Zuckermans sores in Exit Ghost ons vertrouwd voor: ziekte, verval en de dood, het waren de thema’s van Roths vorige roman, de meesterlijke elegie Everyman. Hier zijn zij dat opnieuw, maar bitterder, weerspanniger, grimmiger. De hoofdfiguur uit Everyman werd door de dood beslopen en op een onverwacht moment besprongen, in Exit Ghost zijn het die natte luier en die aanzwellende pislucht die hem er voortdurend aan herinneren dat het afgelopen is, althans bijna. Met zijn sex-leven, maar niet met zijn vermogen verliefd te worden. Omdat er in New York een uroloog is die pretendeert iets aan die oude mannen-problemen te kunnen doen, verlaat Zuckerman zijn huis en reist hij naar de stad. Daar krijgt hij wat iedereen in New York krijgt, hoop – hoop op herstel, hoop op teruggave van zijn sociale leven, hoop op terugkeer van enigerlei vorm van liefdesleven. Maar alleen dat laatste gebeurt, zij het ook eenzijdig. Want New York is in de ban van de angst. Het is 2004, de dag van de herverkiezing van George W. Bush, en de mensen die Zuckerman treft vrezen een nieuwe aanval van Al Qaida en meer nog dan dat vrezen zij vier volgende jaren onder de oorlogszuchtige voorman van het meest bekrompen deel van de Verenigde Staten. Terwijl Zuckerman opkikkert van de stad en besluit er een jaartje te blijven kan hij gemakkelijk onderdak vinden omdat er anderen zijn die liever de wijk nemen naar zijn huis in de bossen van de Berkshires. Dat wordt woningruil, waarbij de oude schrijver het met boeken vol gepropte appartement kan betrekken van twee jonge mensen met schrijversambities en zij ver van de dreiging en het dagelijkse nieuws eindelijk hun onderscheiden boeken kunnen voltooien. Over paraplu’s en koffers gaat één van die boeken, want de heer van het huis dat Zuckerman denkt te gaan bewonen is de telg van een oude Joodse familie van paraplu- en kofferverkopers. Meesterlijke motieven, die doen denken aan de beladen smetvrees van ‘the Swede’, de hoofdfiguur uit Roths roman van tien jaar geleden, American Pastoral. Die kwam uit een familie van handschoenenmakers. Hier is de zoon van een volk in de diaspora het kind van kofferhandelaren, hier is de man die zijn bange vrouw tegen luchtaanvallen wil beschermen de erfgenaam van paraplu-verkopers. Maar die vrouw. Zuckerman valt al bij eerste aanblik voor haar, dat wil zeggen, hij valt voor de hoop en de verwachting. De hare, één verhaal gepubliceerd in The New Yorker en nu dromend van een schrijversleven, de zijne, het lid onmachtig, maar de dokter knap en verzekerd van zijn eigen loze beloften, het hart oplevend, huppelend bijna, oog in oog met deze jonge vrouw. Oog in oog? Vergeet het maar, want het blijft een moeilijk leven, hoop of geen hoop. Pas als Zuckerman, nadat hij de jonge vrouw heeft gesproken, op zijn hotelkamer hun dialogen uitschrijft, kleine hoorspelen in de roman, slaat de verliefdheid toe. Hij wordt, anders gezegd, veeleer verliefd op een door hemzelf geschapen personage dan op een reëel bestaande vrouw. Dat kan ook haast niet anders, want Zuckerman is niet alleen zijn prostaat kwijt, ook zijn geheugen gaat achteruit. Hij moet afspraken in tweevoud noteren en zien dat hij onthoudt waar hij ze genoteerd heeft. Zo’n gesprekje kan hij daardoor achteraf niet reconstrueren, hij moet het verzinnen. En dat is nog maar het begin, want juist in al die versluierde tegenstellingen die het verhaal in Exit Ghost zijn vaart en aantrekkingskracht verlenen, de hoop versus de ijdelheid, de suizende stad versus het stilstaande plattelandsleven, de dreiging van de dood versus de zekerheid dat die nabij is, onderstrepen de spanning tussen het geleefde leven en het geschreven leven. Exit Gost is een testimonium én een testament. Dat komt doordat Zuckerman, door bemiddeling van zijn nieuwe jonge vrienden, een ambitieuze biograaf leert kennen. Die wil een biografie schrijven van een inmiddels vergeten schrijver, de literaire held van Zuckermans jeugd. Zuckerman heeft hem niet alleen gelezen, hij heeft hem indertijd ook opgezocht en zodoende beschouwt de aspirant-biograaf hem als een nuttige getuige. Ondertussen heeft die biograaf zijn plannen al klaar, want hij is er niet alleen op uit een beschrijvende biografie te schrijven, hij wil ook verklaren. En in deze tijd betekent dat ontmaskeren, dat wil zeggen: trivialiseren, scandaliseren. De literatuur is een verraderlijk getuigenis, alle fictie is auto-fictie: het gaat erom tussen de regels door te achterhalen wat de schrijver heeft willen verbergen, niet om te bewonderen wat die schrijver in die regels heeft geschapen. De biograaf in spe heeft het geheim van zijn en Zuckermans held achterhaald, meent hij. Incest, waarmee dat hele teruggetrokken leven, de onvoltooide roman én de zes delen verzamelde verhalen in een keer verklaard zijn. Daarmee zijn wij dan in het hart van Roths thematiek beland, daarmee krijgen plotseling die incontinentie en die pislucht ook een nieuwe dimensie. De geest kan op het punt van afgaan staan, de geest is nog niet geweken, nog lange niet: Exit Ghost is tegelijkertijd een woedende aanklacht tegen de vulgariteit waarmee denken, schrijven, schoonheid en dus het leven zelf worden bejegend, en een pleidooi voor dat alles, de literatuur voorop. Het boek dat Zuckerman herlas voordat hij naar zijn dokter in New York afreisde was Joseph Conrads The Shadow Line. Om die schaduwgrens gaat het, de geleidelijke overgang van jeugd naar volwassenheid, de geleidelijke overgang van middelbaar naar oud, de geleidelijke overgang naar het dodenrijk, naar de vergetelheid – het gaat, kortom, om de schaduwgrens tussen verbeelding en werkelijkheid, die tussen het geleefde leven en het geboekstaafde. ‘Ik vind’, zegt Zuckerman over de biograaf, ‘dat hij in videospelletjes moet gaan doen. Kan hij daar flink in zijn. Want hij denkt dat dit een spelletje is’, ‘dit’, het optekenen van andermans leven, het doordringen in de literatuur op zoek naar een ontmaskering. Het nadeel van ouder worden is dat je er zo jong bij blijft: voor niemand in de huidige literatuur geldt dat sterker dan voor Philip Roth. Niks geen oude mannen-geklaag als bij J.M. Coetzee in zijn jongste boek, hoe virtuoos dat ook geschiedde, niks geen gemopper – maar woede, woede in een superieure stijl, terloops en aanvallig, meeslepend en humaan. Het lichaam vervalt, de geest bereidt zich spookachtig voor op de aftocht, maar hij blijft onversaagd. ‘Dus jij gaat hem als schrijver rehabiliteren door hem als mens in diskrediet te brengen’, zegt Zuckerman tegen de biograaf, ‘het genie van het genie vervangen door het geheim, rehabilitatie door diffamatie.’ Dat is een pleidooi voor de literatuur, binnen de literatuur. En dat maakt het zo spannend, want was het niet juist Roth die door Nathan Zuckerman als zijn alter ego te kiezen en hem roman na roman het leven van Roth te laten overdoen de schaduwgrens in een schaduwleven oprekte, die willens en wetens de biografen vroegtijdig tartte? Door nu de reductie van de literatuur tot triviale autofictie, een puzzel waarvan de critici en de biografen de sleutel mogen maken, aan de kaak te stellen, schrijft Roth in feite een massieve tijdkritiek, een aanklacht tegen de ontluistering. Dat is de ware aftocht van de geest.