Prinsjesdag 2014. Ruud Koopmans: 'Nationale tradities en historische verbondenheid doen ertoe.'
Prinsjesdag 2014. Ruud Koopmans: 'Nationale tradities en historische verbondenheid doen ertoe.' © Pim Ras / Hollandse Hoogte

Meerderheidscultuur verdient ook alle steun

Waarom meerderheden recht op hun eigen cultuur hebben

Kosmopolieten houden er een dubbele culturele moraal op na, betoogt Ruud Koopmans. De culturele identiteit van minderheden willen zij beschermen, terwijl die van de meerderheid wordt weggezet als bedenkelijk nationalisme.

Premier Rutte wilde er lang niet aan, maar deze week gebeurde het toch: het kabinet pleit voor verandering van Zwarte Piet. De huidige vorm kan mensen kwetsen en vooroordelen en discriminatie in de hand werken, zo schreef minister Ard van der Steur in reactie op Kamervragen. Maar er speelde nog iets anders mee: de figuur is niet meer te verkopen aan het buitenland. 'Het blijkt lastig, bijvoorbeeld in de VS, om de traditie van Zwarte Piet in haar huidige vorm uit te leggen', aldus de minister. Hier botst, kortom, een nationale traditie met de gevoeligheden van een geglobaliseerde wereld.

Met de Brexit en de verkiezingsoverwinning van Donald Trump is 2016 het jaar geworden van de definitieve doorbraak van een nieuwe politieke breuklijn, een die westerse samenlevingen in toenemende mate splijt.

Immigratie en de daaruit voortvloeiende culturele spanningen zijn de belangrijkste brandstof voor de nieuwe scheidslijn tussen kosmopolieten en globaliseringssceptici

Meerderheid heeft het allang voor het zeggen

Nieuwkomers moeten zich al aan onze waarden aanpassen. Koopmans wordt op zijn wenken bediend. Lees hier de hele reactie van hoogleraar sociologie Jan Willem Duyvendak.

Aan de ene kant staan de kosmopolieten. Die vinden de natiestaat achterhaald en moreel bedenkelijk. Ze ontkennen het bestaan en de legitimiteit van zoiets als een dominante nationale cultuur. Daartegenover staan globaliseringssceptici die bij diezelfde natie-staat bescherming zoeken voor de risico's en negatieve gevolgen van globalisering en wel het belang zien van een nationale cultuur. 'Americanism, not globalism will be our credo' - zo verwoordde Donald Trump het in zijn campagne.

Immigratie en de daaruit voortvloeiende culturele spanningen zijn de belangrijkste brandstof voor deze nieuwe scheidslijn. Hier botsen de eisen van migranten voor respect, erkenning en gelijkberechtiging van hun cultuur en religie met de wens van grote delen van de meerderheidsbevolking om hun 'nationale' cultuur te behouden en te verdedigen. Voorbeelden zijn debatten over hoofddoeken en boerka's, moslims die weigeren het andere geslacht de hand te schudden, controverses over karikaturen van de profeet Mohammed en de discussie over Zwarte Piet.

Deze culturele thema's maken aan beide kanten veel emotie los en drijven het electoraat in de handen van populistische en fundamentalistische bewegingen. Om dat te doorbreken, moeten we ons bevrijden van de krampachtige afkeer van het nationalisme. Het is tijd om de rechten van nationale meerderheden te herwaarderen.

De cultuur en identiteit van meerderheden waren lange tijd gegarandeerd door de onbegrensde soevereiniteit van natiestaten. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de bescherming van de rechten van minderheden centraal komen te staan in het internationale recht. In het licht van de gruwelijke misdaden die ongebreideld nationalisme in de periode daarvoor had aangericht, was deze ontwikkeling zonder meer noodzakelijk. Maar de consequentie was dat het verlangen van nationale meerderheden om hun identiteit en cultuur te behouden een negatieve bijklank kreeg.

Terwijl het voor minderheden legitiem is om zich als etnische groep te profileren, wordt het steeds ongepaster gevonden om nationale meerderheidsidentiteiten etnisch of cultureel te definiëren

Terwijl het voor minderheden legitiem is om zich als etnische groep te profileren en op die basis rechten te claimen, wordt het steeds ongepaster gevonden om nationale meerderheidsidentiteiten als 'Nederlands' of 'Deens' etnisch of cultureel te definiëren. Tegenwoordig zijn deze labels alleen legitiem als ze verwijzen naar 'iedereen die in Nederland woont' of 'eenieder die de Deense nationaliteit heeft'. Sinds de Tweede Wereldoorlog wordt van democratische natiestaten verwacht dat ze geen onderscheid maken op grond van de culturele achtergrond van hun inwoners - tenzij het de erkenning en bescherming van culturele minderheden betreft - en niet langer een specifieke cultuur privilegiëren.

In de huidige geglobaliseerde wereld is die opvatting niet meer houdbaar. Ook meerderheidsculturen hebben speciale rechtsbescherming nodig. Zo staat de positie van kleinere talen als het Nederlands of het Deens op veel gebieden onder druk, bijvoorbeeld in het hoger onderwijs of in de muziek of filmkunst. Globalisering betekent in de praktijk bovendien vaak Amerikanisering, ook als het om discussies over mensen- en minderhedenrechten gaat.

Door de Amerikaanse culturele lens bekeken, is Zwarte Piet een afschuwelijk voorbeeld van een 'blackface'

Op dat gebied waaien steeds vaker Amerikaanse gevoeligheden over, die uit de geschiedenis van de rassenrelaties aldaar stammen. Die worden vaak op een manier ingezet die van weinig gevoel en respect getuigt voor de verschillende historische en culturele contexten waarop ze in Europa stuiten. De discussie rond Zwarte Piet is daarvan een goed voorbeeld. Door de Amerikaanse culturele lens bekeken, is Zwarte Piet een afschuwelijk voorbeeld van een 'blackface', een stijlfiguur uit het Amerikaanse vaudevilletheater van de 19de en vroege 20ste eeuw, waarbij een witte zich zwart schminkte om zwarten te vernederen en belachelijk te maken. Terecht wordt 'blackfacing' in de hedendaagse Verenigde Staten daarom afgewezen. Maar volgt daaruit dat het zwart schminken van het gezicht altijd en overal, ongeacht lokale culturele en historische achtergronden, een ontoelaatbare vorm van racisme is?

Niettemin is het argument dat Zwarte Piet een vorm van blackfacing en daarom racistisch is een belangrijk onderdeel van de discussie. Het werd onder andere gesterkt door televisiebeelden van geschokte voorbijgangers in Engelstalige buitenlanden die - natuurlijk niet gehinderd door enige kennis van deze Nederlandse traditie - hun afschuw over Zwarte Piet uitspraken. Hoogleraar Verene Shepherd, de voorzitter van een werkgroep van de Verenigde Naties die Nederland bezocht om de kwestie te onderzoeken, had ook aan een half Anglo-Amerikaans oog genoeg om te concluderen dat Zwarte Piet een racistisch symbool van de slavernij is. Bovendien, voegde ze er met onbeschaamd cultureel imperialisme aan toe: 'Waarom hebben jullie eigenlijk twee Santa Clauses nodig?'

Natuurlijk kan de culturele meerderheid, door haar numerieke overwicht, haar zin soms doorzetten met verkiezingen, parlementaire meerderheidsbeslissingen en referenda. De resultaten daarvan worden dan echter vaak in brede kring als bedenkelijk en populistisch gezien. Voorbeelden zijn de Wet Inburgering in het Buitenland, die minimale beheersing van het Nederlands tot voorwaarde voor huwelijksmigratie maakte, of het recente besluit van de Tweede Kamer tot een gedeeltelijk verbod op het dragen van de boerka. Opvallend aan beide besluiten was dat ze met secundaire drogredenen verdedigd werden. Bij inburgering in het buitenland zou het om integratie of om het verhinderen van onvrijwillige huwelijken gaan. Bij de boerka zou het gaan om veiligheid en identificatie en om die reden moesten ook de integraalhelm en de bivakmuts erbij worden gesleept. Weinigen durfden te zeggen waar het echt om ging: dat wie in Nederland wil wonen, onze taal moet leren en dat de boerka voor de meeste Nederlanders indruist tegen kernwaarden van de Nederlandse cultuur.

Geert Wilders zegt het natuurlijk wel zo. Dat hij dat als enige prominente politicus durft te doen, is precies het probleem: dat monopolie op het verwoorden van een gevoel dat sterk leeft onder brede delen van de bevolking is het geheim van zijn succes - en dat van Trump, Le Pen, Petry en al die anderen. Terwijl het verlangen van minderheden om hun cultuur te behouden en aan volgende generaties door te geven door de politieke en culturele elites als hoogst legitiem en begrijpelijk wordt gezien, worden dezelfde verlangens van nationale meerderheden met begrippen als spruitjeslucht, tokkies, populisme of racisme in het verdomhoekje geplaatst.

Het verdedigen van nationale culturele tradities afdoen als populisme of racisme wakkert verdere radicalisering alleen maar aan

En dat is gevaarlijk. Als elke poging om nationale tradities te verdedigen of elke afwijzing van eisen van minderheden die met nationale culturele tradities strijdig zijn leidt tot beschuldigingen van populisme en racisme, is er niets dat een verdere radicalisering in de weg staat. En zo polariseert het publieke debat meer en meer.

Hoe zouden verlangens van culturele meerderheden dan gerechtvaardigd kunnen worden? Daarvoor is het leerzaam om bij definities van nationale minderheden en inheemse volkeren in internationale verdragen te rade te gaan. Wat daar over nationale minderheden zoals de Basken of de Friezen gezegd wordt, is namelijk net zo goed van toepassing op culturele meerderheden: 'Hun leden bezitten zekere etnische, religieuze of taalkundige kenmerken, die ze van de rest van de bevolking onderscheiden en die van een gevoelde solidariteit getuigen, die erop gericht is hun cultuur, tradities, religie en taal te behouden.' En wat volgens de Verenigde Naties voor inheemse volkeren zoals de Inuit of de Australische Aboriginals geldt, is ook waar voor nationale meerderheidsgroepen: 'Zij hebben de wil het land van hun voorvaders en hun etnische identiteit te ontwikkelen en aan volgende generaties door te geven als basis voor hun voortbestaan als volkeren en in overeenstemming met hun eigen cultuurpatronen, sociale instituties en rechtssysteem.'

Nationale minderheden, inheemse volkeren én nationale meerderheidsgroepen kunnen zich er allemaal op beroepen dat hun identiteit en solidariteit berust op een taalkundige, culturele en politieke geschiedenis die zich over vele generaties uitstrekt. Voor alledrie geldt dat deze geschiedenis met een bepaald geografisch territorium verbonden is, dat gevuld is met herinneringsplaatsen en gedenktekens. Als historische minderheden en historische meerderheden met elkaar in conflict komen, moet per situatie worden gekeken wie ergens aanspraak op kan maken.

De zaak ligt anders wanneer het om conflicten gaat tussen een historische meerderheid en minderheidsgroepen die uit recente immigratie zijn voortgekomen. De Canadese filosoof Will Kymlicka betoogt dat in zulke gevallen de aanspraken van de culturele meerderheidsgroep zwaarder wegen omdat zij, net als nationale minderheden en inheemse volkeren, een historische binding heeft met het nationale territorium en zijn cultuurgeschiedenis.

Bovendien heeft zij geen andere plaats op aarde waar het openbare leven op haar taal en cultuurgeschiedenis gebaseerd is. Kymlicka duidt deze publieke dimensie aan met het begrip 'maatschappelijke cultuur'. Immigranten hebben volgens Kymlicka het recht om in hun eigen maatschappelijke cultuur te leven vrijwillig opgegeven door naar een ander land te emigreren. Om die reden kunnen geëmigreerde minderheden niet dezelfde aanspraken doen op erkenning en steun voor hun taal en cultuur als historische minderheden.

Voor Friezen hebben we in Nederland taalrechten, maar voor uit immigratie voortgekomen minderheden hebben we ze sinds de afschaffing van het onderwijs in eigen taal en cultuur en van de mediaprogrammering in allochtone talen niet meer. En dat is ook goed zo, want Nederlanders van Duitse of Turkse komaf kunnen zich rijkelijk bedienen met media uit hun landen van herkomst en als ze hun taal en cultuur heel erg missen, kunnen ze ervoor kiezen om naar Duitsland of Turkije te verhuizen. Friezen kunnen dat niet. Voor hen is Friesland de enige plaats op aarde waar de Friese taal en cultuur een publieke status hebben.

Nederland heeft tot op zekere hoogte een goed verdedigbaar recht de eigen taal, cultuur en geschiedenis te privilegiëren

In Europa hebben we om historische redenen sommige christelijke feestdagen als officiële vrije dag. Maar dat betekent niet automatisch dat we daarom ook het hindoefeest Holi of het islamitische Suikerfeest als officiële feestdagen zouden moeten erkennen. Uit het historisch gegroeide gewoonterecht dat christelijke kerken in West-Europa hun klokken op gezette tijden mogen luiden, volgt evenmin automatisch dat daarom ook andere gebedshuizen even vaak en even luid tot gebed mogen oproepen. Ook kunnen aan bepaalde openbare religieuze uitingen van gemigreerde groepen beperkingen worden opgelegd omdat deze, zoals de boerka, door de meerderheidsgroep als ten diepste strijdig met haar kernwaarden worden gezien. Nederland heeft tot op zekere hoogte een goed verdedigbaar recht de eigen taal, cultuur en geschiedenis te privilegiëren.

We moeten daarom af van het kosmopolitische idee dat natiestaten in culturele zin volstrekt neutraal zouden moeten zijn. Culturele meerderheden hebben, net zoals nationale minderheden en inheemse volkeren, in principe het recht hun eigen taal en cultuur te beschermen, zolang ze de elementaire mensenrechten van anderen daarmee niet schenden. Een dergelijke interpretatie komt tegemoet aan het intuïtieve rechtsgevoel van de meeste mensen, dat hun vertelt dat de wereld geen platte pannekoek is waar geschiedenis, tradities en historische verbondenheid met een bepaald territorium er niet toe doen.

Het verlangen naar respect voor culturele tradities, dat we als het om minderheden gaat zo begrijpelijk en legitiem vinden, moeten we niet plotseling belachelijk maken of in de hoek van het racisme plaatsen als het door culturele meerderheden geuit wordt. Alleen zo kunnen we vermijden dat de Trumps en de Wildersen van deze aarde nog meer politieke munt slaan uit de frustratie over de dubbele cultuurmoraal van de kosmopolieten.

Ruud Koopmans (1961) is hoogleraar sociologie en migratieonderzoek aan de Humboldt Universiteit, Berlijn.