Hun vaders deden iets heel geheims voor de overheid. Maar wat?

Deze kinderen krijgen tot op de dag van vandaag nul op rekest bij de overheid

In de archieven van de overheid bestaan hun vaders niet, krijgen de kinderen steeds te horen. Toch droegen die een geheim bij zich dat het gezinsleven sterk beïnvloedde.

Pieter Kok is een doordouwer. Als de opgewekte registeraccountant uit Utrecht eenmaal ergens aan begint, laat hij niet meer los. Niet dat hij dwangmatig is, eerder grondig en volhardend. Zie ze daar maar liggen: de veertien knipselmappen vol mails, aantekeningen en onderzoeken - op de grond in zijn studeerkamer naast een vol wijnrek van zeker 2 meter hoog.

Een jaar na het overlijden van zijn vader in 2004 is hij eraan begonnen. Om voor eens en voor altijd helder te krijgen wie zijn vader was. Hij wilde hem een gezicht geven, een definitieve plek in de familiegeschiedenis. Zijn eigen kinderen kunnen vertellen wie hun opa was.

Heeft u meer informatie over 'Stay Behind organisaties', dan kunt u contact opnemen via onderzoek@volkskrant.nl of 06- 15003958. Wij publiceren niets zonder uw toestemming

Want dat er íéts is met zijn vader, dat weet Kok (1954) al langer. Zijn vader was een simpele werknemer in een verfwinkel, maar werd in gezelschap weleens aangesproken als 'kolonel'. Waarom hield hij altijd de post in de gaten? Waarom had hij een officieel tweede persoonsbewijs waarop de naam 'Peter Vermeulen' stond? En waarom sprak hij met iemand van Defensie over de toelating van zijn broer tot de commando's?

Tot dat moment kon hij alleen putten uit zijn eigen herinneringen. En die waren, als het over de geheime werkzaamheden van zijn vader ging, schaars.

Kok komt uit een hecht en groot gezin met zes kinderen. Hij is de jongste en had altijd een goede band met zijn vader, warm zelfs. In zijn jeugdjaren keek hij naar hem op, met lichte bewondering zoals kinderen dat kunnen hebben.

Er was stress in huis, soms waren er geldzorgen. En zijn vader deed geheimzinnig. Zomaar binnenkomen op zijn werkkamer mocht nooit

Er was stress in huis, soms waren er geldzorgen. En zijn vader deed geheimzinnig. Zomaar binnenkomen op zijn werkkamer mocht nooit - altijd eerst kloppen en wachten op een antwoord. Telefoons wantrouwde hij. Kok heeft het altijd maar raar gevonden.

In zijn herinnering was zijn vader veel van huis, moest hij regelmatig naar het buitenland en kende hij opmerkelijk veel mensen bij ambassades. Op een sportschool in Amsterdam kreeg hij fysieke training. Als de politie zijn vader aanhield, mocht hij na het tonen van zijn rijbewijs meteen doorrijden. Zijn moeder heeft hem verteld dat er een speciale code op stond. Zelf heeft hij dat nooit gezien.

In protestantse kringen is het geen deugd te spreken, laat staan te pochen over heldendaden

Zijn vader hintte er later weleens op dat de schildersbedrijven waarvoor hij werkte eigenlijk een soort 'dekmantels' waren. Maar waarvan? Als hij ernaar vroeg, zweeg-ie weer. Dat was geheim. Natuurlijk dacht Kok daar wel over na. Want waarom kreeg zijn vader, toen die in 1976 arbeidsongeschikt werd, van de Stichting 40-45 een verzetspensioen van liefst 100 duizend gulden per jaar, terwijl hij daarvoor 40 duizend gulden verdiende?

Antwoorden krijgt hij niet, ook niet van zijn moeder. Er waren enkel de aanwijzingen. Als Kok zijn vader ernaar vroeg, zei hij plagend: 'Zoek maar jongen, je gaat er toch nooit achterkomen.' Pieter Kok zag dat als een aanmoediging om te zoeken. Als zijn vader weer eens te veel dronk en agressief werd, riep hij weleens: 'Weten jullie wel dat ik kolonel ben?'

Kok heeft die opmerking altijd geïnterpreteerd als een verlangen naar erkenning; als een uiting van zijn frustratie er niet over te kunnen praten. In protestantse kringen is het geen deugd te spreken, laat staan te pochen over heldendaden.

De periode na de oorlog is een zwart gat

Sabotagecommandant

Als Pieter Kok na het overlijden van zijn vader aan zijn zoektocht begint, kan hij al snel een vrij nauwkeurige reconstructie maken tot 1946. Hij stuit op krantenknipsels en er is een beperkt dossier over zijn vader en de Tweede Wereldoorlog, die zijn vader zelf had verzameld om aanspraak te maken op een verzetspensioen.

Er zijn aantekeningen in memostijl. Zijn vader wordt in 1943 door de Duitsers meegenomen naar een werkkamp, maar hij weet in Duitsland te ontsnappen. Later wordt hij nogmaals aangehouden en vlucht hij weer. Vanaf december 1943 hoort zijn vader bij het gewapend verzet. Hij is de sabotagecommandant bij een verzetsgroep in Santpoort-Noord. Na de oorlog zou hij gedeserteerd zijn. Het vreemde is dat hij daarvoor pas veel later 'gestraft' wordt. En een straf is het nauwelijks te noemen. Hij lijkt in de tussentijd eerder gepromoveerd. In plaats van dat hij vastgezet wordt - wat gebruikelijk is - gaat hij naar de opleiding voor reserve-officieren.

Kok weet wanneer zijn vader gearresteerd is geweest, met wie en in welke cel hij zat. Hij weet dat hij zich aansloot bij de Binnenlandse Strijdkrachten, wat hij deed in het verzet en hoe zijn militaire carrière zich voortzette na de bevrijding.

Maar dan stopt het abrupt. Niets meer. De periode na de oorlog is een zwart gat.

Ja, zijn vader werkte bij diverse schildersbedrijven. Steeds een jaar of drie, daarna had hij een eigen onderneming die in de jaren vijftig weer failliet ging. En daarna was hij projectcoördinator bij een onderdeel van Akzo Nobel. Maar wat is die 'dubbelfunctie' waarover zijn vader had gesproken?

Kok gaat lezen, rondvragen, mails sturen en hij doet literatuuronderzoek. Daarna schrijft hij brieven naar Defensie, Algemene Zaken, naar de AIVD en de militaire inlichtingendienst MIVD. Vriendelijk van toon, geadresseerd aan de juiste personen. Of ze misschien - eindelijk - iets kunnen bevestigen over zijn vader.

Wie hij het ook vraagt, allemaal geven ze niet thuis. Het officiële antwoord: de vader van Pieter Kok bestaat niet in de archieven van de overheid.

Op 17 juni 2014, bijna negen jaar nadat hij aan zijn zoektocht is begonnen, is Pieter Kok moegestreden. Die avond mailt hij oud-brigadegeneraal Hans Bosch, de man met wie hij al jaren contact heeft over zijn vader. Bosch is meer dan deskundig - weet bijzonder veel over clandestiene operaties, was plaatsvervangend hoofd militaire inlichtingendienst, hoogleraar en hoofdredacteur van de Militaire Spectator. Bosch had hem gebeld nadat hij bij Defensie een inzageverzoek voor de archieven had neergelegd.

De oud-brigadegeneraal is af en toe vrijgevig in het delen van brokjes, bijvoorbeeld over oud-agenten. Altijd verwijst hij naar openbare bronnen. Soms antwoordt hij weken of maanden niet. Gekmakend is het soms voor Kok. Want hij heeft de indruk dat Bosch wel degelijk informatie over zijn vader heeft.

Op de vraag of dat zo is, mailt Bosch de Volkskrant dat hij geen vragen kan beantwoorden, omdat het volgens hem raakt aan 'vertrouwelijkheid die om diverse redenen met het belang en de aard van de zaak samenhangt'.

Voor Kok is Bosch door de jaren heen de verpersoonlijking van de gesloten overheid geworden. De poortwachter die de deur naar het verleden van zijn vader dichthoudt. Kok is het heen en weer mailen met deze Bosch zo zat dat hij hem die 17de juni een laatste bericht stuurt. 'Als je mijn vader echt had willen vinden, had je hem allang gevonden. Ik geef het op, jij wint.'

Kok wil nog maar één ding: dat iemand hem vertelt welk geheim werk zijn vader heeft gedaan. En voor wie? Het hoeft niet wereldkundig worden gemaakt. 'Ze mogen het ook alleen tegen mij zeggen.'

Het gaat niet meer gebeuren, denkt hij op dat moment. Hij stopt met zijn onderzoek. De geschiedenis van zijn vader zal een raadsel blijven.

Herkenbare verhalen

Het leek wel alsof hun vaders overal oren en ogen hadden

Twee jaar later is Pieter Kok net aan die gedachte gewend als er een bericht in zijn mailbox verschijnt. Afzender: Hadewych Pelt. Ze wil hem graag spreken, schrijft ze. Het mailadres heeft ze van Cees Wiebes, een gepensioneerd inlichtingenexpert, met wie Kok al langer contact heeft. 'Net als uw vader, heeft mijn vader bij een geheime organisatie gewerkt', aldus Pelt.

Het wakkert het vuur bij Kok weer aan. Hij spreekt af met Hadewych (1953) en twee van haar broers, Maarten (1952) en Winfried (1950). Het is alsof hij familie ontmoet, zo herkenbaar zijn de verhalen. 'Zo was het precies', zegt hij als hij hoort over de geheimzinnigheid en spanning thuis. De isolatie, dat er nooit zomaar iemand mee naar huis mocht komen, dat je moest kloppen voor je bij je vader naar binnen liep, het wantrouwen. Ook Gerard Pelt had een verzetsverleden. In oktober 1954 kreeg hij een opleiding van enkele weken aan de Engelse zuidkust in Fort Monckton bij het trainingscomplex van de Britse inlichtingendienst MI6.

Een geheim leven, totale opofferingsgezindheid en er nooit over kunnen spreken

Zoals ook bij Kok werd er thuis nooit over gesproken. Ook de kinderen Pelt reconstrueren het verleden pas als hun vader overleden is. Ook zij droegen een geheim bij zich, ook al wisten ze niet precies wat dat behelsde. De angst dat het zou uitkomen was groot. De kinderen hoorden weleens van hun vader dat iemand in zo'n zelfde situatie die wel sprak een dodelijk 'verkeersongeluk' kreeg.

Ook dat herkent Pieter Kok. Toen zijn broer een keer te veel losliet bij een vriend, moest die de volgende dag bij zijn vader komen. Die zei hem woest dat het levensgevaarlijk was wat hij had gedaan. Het leek wel alsof hun vaders overal oren en ogen hadden.

Kok merkt dat de familie Pelt - ze gebruiken voor dit verhaal het liefst de schuilnaam van hun vader - veel verder is in hun zoektocht dan hij. Ze kunnen de gangen van hun vader nauwkeurig reconstrueren. Ze hebben aantekeningen, hun vader heeft in 2006, toen hij met pensioen was, een document gemaakt waarin hij zijn werk nauwkeurig heeft beschreven.

Uit de aantekeningen van Gerard Pelt blijkt dat er op veertig plekken in Nederland wapens lagen in ondergrondse opslagplaatsen

Zo schrijft Gerard Pelt dat hij zijn kinderen heeft verteld dat ze niet te vaak meer thuis moesten komen zodra ze op zichzelf waren gaan wonen. Ze wisten niet waarom. Later begrepen ze dat hun vader met de dan nog thuiswonende kinderen naar het buitenland zou vluchten als de Russen zouden binnenvallen. 'Was de oorlog uitgebroken, dan zouden Joop en ik met onze dan minderjarige kinderen richting Spanje zijn verdwenen. Ik had alle benodigde papieren hiervoor in huis. We zouden rijden in colonnes van tien auto's', schrijft Pelt.

Pelt werkte officieel als advocaat bij een smoezelig kantoortje boven een seksshop in Den Haag. Maar hij kwam ook vaak bij een kantoor in Amsterdam, van ene mr. Venema. Ook die werkte onder een schuilnaam. Pelt stond, zo staat in zijn aantekeningen, in contact met een springstofdeskundige, schuilnaam 'Martens', die een vrijstaand huis aan het water in Hilversum bewoonde. Het was eigendom van het ministerie van Defensie.

Uit de aantekeningen van Gerard Pelt blijkt dat er op veertig plekken in Nederland wapens lagen in ondergrondse opslagplaatsen: '150 centimeter onder het maaiveld. 525 pistolen, 9 mm. 175 stenguns en munitie. Daarnaast 700 handgranaten. Kneedbare springstof C4 met chemische tijdontstekers. Brandbommen met tijdpotloden, vuurkoord en snelvuurkoord. Acht bazooka's met telkens drie rockets, 16 karabijnen, 16 pistolen met silencer, slee-guns als zijnde een typisch moordenaarswapen.'

Operatiën

Het zijn voor Kok nieuwe puzzelstukjes in zijn zoektocht. Hij krijgt een steeds beter beeld. Hadewych, Maarten en Winfried Pelt vertellen hem dat hun vader aan het hoofd stond van een sabotagedienst bij een organisatie die 'O', ook wel 'Operatiën', heette. Een geheime instantie, bestaande uit een paar honderd man, die na de Tweede Wereldoorlog was opgericht om het verzet te gaan leiden als de communisten binnen zouden vallen. Die zou strijden met psychologische oorlogsvoering en sabotage. Het bestond uit burgers die tijdens de oorlog verzetservaring op had gedaan. Het kantoor zat in Amsterdam, bij advocaat mr. Venema in.

Het was een ultrageheim gezelschap van een paar honderd man. De coördinatie was in handen van het ministerie van Algemene Zaken, de Binnenlandse Veiligheidsdienst en Defensie, blijkt uit officiële documenten.

Pelt schrijft zelf over de dienst 'O': 'De keus viel op mij. Hoe en waarom kan ik wel gissen; het doet er overigens weinig toe.' Dertig jaar lang, van 1953 tot 1983, was hij hoofd Sabotage bij de dienst. Hij schreef een handleiding sabotage dat als opleidingsmateriaal diende en waarvan één exemplaar bij hem lag, één op het kantoor en een laatste in een bankkluis in de Verenigde Staten.

Na zijn pensionering trok Pelt zich terug in Frankrijk. Hij kreeg het pensioen contant overhandigd in briefjes van 50 gulden, later 50 euro. Hij haalde het eens per half jaar persoonlijk op bij een marineofficier, vertellen zijn kinderen. Die gaf het in een envelop met de naam 'Pelt' en een nummer. Later werd het geld naar de kinderen gebracht, waarna die het meenamen naar Frankrijk.

Pelt zei hen dat het geld uit een kluis bij De Nederlandsche Bank kwam en dat het op de begroting van Algemene Zaken stond. In 2009 stierf hij in Frankrijk. Zijn vrouw heeft tot haar dood in 2014 pensioen gekregen van de Nederlandse regering voor het werk van haar man bij de O-dienst.

De kinderen Pelt zijn blij dat ze hun verhaal kunnen delen met Pieter Kok. Dat ze ervaringen kunnen uitwisselen. Ze besluiten samen op te trekken in hun streven naar openheid en erkenning.

Toch blijven er voor Kok nog veel vragen. Want waar bij het gezin Pelt de koffers altijd klaarstonden en de jerrycans gevuld waren met benzine, was zijn vader nooit bezig met een overhaast vertrek. Het ging nooit over de inspectie van wapendepots. Toen hij op kamers ging, kon hij ook nog gewoon thuiskomen. Het werk van zijn vader leek nóg geheimzinniger. Eén ding sluit Pieter Kok daardoor uit: dat zijn vader deel uitmaakte van de O-dienst.

Minipistooltje

Er komen meer antwoorden als Kok, via de kinderen Pelt, in contact komt met Michael Gunneweg (1955). Gunneweg komt uit een groot gezin (8 kinderen). Zijn vader was huisarts in Brabant én werkte bij de O-dienst van Pelt. De drie families reconstrueren samen dat Pelt de vader van Gunneweg, schuilnaam 'Van Gils', zelfs moet hebben opgeleid.

In tegenstelling tot de families Kok en Pelt kreeg Gunneweg als kind weleens wat te horen van zijn vader. Onder het afdakje aan de achterkant van hun huis lagen bijvoorbeeld wapens en explosieven. Zijn vader, huisarts met een praktijk met zesduizend patiënten, haalde eens uit een sigarendoos een minipistooltje.

Zijn vader ging ook gebukt onder de last van de geheime verantwoordelijkheid. Het was een zwaarmoedige man. Die ene avond in de week dat het gezin samen aan tafel zat, sprak hij onafgebroken over de gevaren in de wereld. De Derde Wereldoorlog leek nabij. De kinderen aten dan vlug en zwijgend hun eten op, zonder er veel van te begrijpen.

Als in 1989 de Muur valt en het Russische gevaar geweken lijkt, is het plots voorbij

Hij deelde zijn geheim, ondanks de plicht te zwijgen, met zijn vrouw en drie kinderen. Ze spraken er als gezin nooit over. Een dag voordat Van Gils 66 zou worden, overleed hij. De moeder van Michael Gunneweg zette veel later haar herinneringen op papier. Ze laten zien hoe het geheime leven van haar man het gezin en hun relatie negatief beïnvloedde: 'Ik heb nooit kunnen begrijpen hoe 'men' zo dom kon zijn om werkelijk te denken dat iemand jaren en jaren met deze geheimzinnigheid om kon gaan, zonder er ooit over te spreken met zijn vrouw?'

Ze schrijft ook dat Van Gils er een ander persoon door werd, dat het hem zo bezighield dat het hem veranderde. 'Op een gegeven moment hadden we weleens een woensdagmiddag geen dienst, vrij van de praktijk, en dan deden we iets leuks met de kinderen of samen. Maar in die periode waren er steeds 'nieuwe terreinen', en dan reed mijn man naar een bepaald gebied en ging hij proberen uit te vinden waar zo'n wapendepot was verborgen. Als hij het kon vinden, was het niet goed en moest hij verslag uitbrengen. Dat bleef er over van een 'vrije middag' samen.'

Van Gils was permanent doordrongen van het gevaar van de communisten. Nu nauwelijks voorstelbaar, vertelt Gunneweg, maar zijn vader lag 's ochtends om 4 uur klaarwakker in bed, omdat hij wist dat arrestatieteams op dat moment binnen zouden vallen. Hij had altijd een angst dat de vijand als eerste bij hem zou komen.

Van Gils was hoofd van de sectie Zuid-Nederland: van de provincies Brabant, Zeeland en Limburg. Als de communisten er waren, moest hij een verzetsnetwerk activeren.

Als in 1989 de Muur valt en het Russische gevaar geweken lijkt, is het plots voorbij. Pelt, het hoofd sabotage, schrijft daarover: 'O is als een nachtkaars uitgegaan. Er is geen reünie gehouden'.

De worsteling in de gezinnen is gebleven. Na bijna dertig jaar zitten de kinderen Kok, Pelt en Gunneweg nog steeds met vragen en wil niemand openheid van zaken geven. Net als Kok doen de kinderen van Pelt navraag bij de AIVD en bij Hans Bosch. Ze krijgen dezelfde antwoorden. In de archieven bestaat hun vader niet. De teksten lijken gestandaardiseerd.

Ze nemen er niet langer genoegen mee. Ze willen weten waarvoor die geheimzinnigheid nog nodig is. En ze zoeken nadrukkelijk naar erkenning. Erkenning voor het offer dat hun ouders hebben gebracht.

Dat ze hun verhaal doen, is bijzonder. Er is sinds de oprichting van de diensten zelden iets naar buiten gekomen over de medewerkers en hun precieze werk. Details, zoals Pelt die in zijn aantekeningen beschrijft, zijn bijzonder en buitengewoon schaars. Dat ze die nu openbaren, zegt iets over de urgentie van hun oproep. Gunneweg: 'Je brengt ouders en gezinnen in een afschuwelijke situatie. Een geheim leven, totale opofferingsgezindheid en er nooit over kunnen spreken. Dit heeft een blijvende impact op het gezin gehad.'

De kinderen van Pelt denken er hetzelfde over. Hadewych Pelt: 'Maak helder wat gebeurd is en hoe het nog steeds doorwerkt bij de kinderen.'

Staatsgeheim

Voor Kok is de zoektocht nog niet ten einde, al is hij ervan overtuigd dat zijn vader niet bij 'O' zat. Hij denkt eerder bij 'I', de inlichtingentak van de verzetsorganisatie. 'Daar ben ik voor 95 procent van overtuigd.' Zijn vermoeden wordt door een kenner van geheime diensten in de jaren zestig, met wie hij mailcontact had, gedeeld.

Kok weet dat het archief van deze dienst bij Defensie ligt, maar die houdt de deur dicht. De restjes overgebleven archieven - allemaal geclassificeerd als het hoogste staatsgeheim - liggen verspreid bij Defensie en Algemene Zaken. Ze kunnen de dossiers maximaal 75 jaar, tot 2069, achter slot en grendel houden.

De betrokkenen zwijgen. Het aantal mensen dat ooit actief werkzaam was bij de diensten is inmiddels beperkt tot enkelen - de overigen zijn overleden. Naar schatting vier personen zouden nog een pensioen in contanten krijgen, denken de kinderen van Pelt. Straks is er niemand meer met een actieve herinnering.

En ondertussen blijft alles staatsgeheim. 'Nu iedereen is overleden en de Koude Oorlog geschiedenis is, blijven de kinderen met allerlei vragen achter. Die hebben de bewuste keuze voor een geheim leven nooit gemaakt, maar daar wel de nadelen van ondervonden. Daar ligt een morele verplichting tot openheid, zegt Kok.

De kinderen kunnen niet wachten tot 2069. Ze dragen dit al te lang mee. Kok: 'Ik zou willen dat die archieven gewoon openbaar worden zodat ik dit boek kan gaan sluiten.'


Wat is er gedocumenteerd over 'stay behind'?

Premier Lubbers schrijft in 1990 in een Kamerbrief aan de parlementaire commissie voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CIVD) dat een 'Stay-Behindorganisatie' actief is. Het gaat om twee diensten: een O-dienst en een I-dienst, gericht op inlichtingen. O zou worden opgeheven, I zou in kleinere omvang doorgaan. Maar in 1992 worden beide diensten opgeheven. In 1997 komt er na Kamervragen een onderzoek door het ministerie van Onderwijs. Dan blijkt dat de archieven bij de militaire inlichtingendienst - tegen de regels in - vrijwel geheel vernietigd zijn. Mag het bestaan van O en I niet bekend worden? Of bestaan ze nog en moet dat geheim blijven?

In 2005 verschijnt een officieel onderzoek naar O en I van historicus Dick Engelen. Hij heeft toegang gekregen tot de overgebleven, geheime, archieven bij Defensie en Algemene Zaken. Het rapport bevestigt dat de twee organisaties 'tientallen jaren lang in het diepste geheim hun Stay Behind-voorbereidingen hebben getroffen'. Engelen: 'Dat bracht met zich mee dat slechts het allernoodzakelijkste aan het papier werd toevertrouwd.'

In 2007 onthulde het onderzoeksprogramma Reporter dat wapens en explosieven uit een van de depots waren gehaald en bij de Amsterdamse criminelen Sam Klepper en John Mieremet waren terechtgekomen. De MIVD heeft deze grootste wapenroof uit de geschiedenis niet bekend willen maken om discussie over de O- en I-diensten te vermijden.