Ex-generaals Afghanistan veroordeeld wegens oorlogsmisdrijven

De rechtbank in Den haag heeft twee voormalige hoge militairen van het Afghaanse leger veroordeeld tot negen en twaalf jaar gevangenisstraf, wegens het plegen van oorlogsmisdrijven in hun eigen land....

Het tweetal was in de jaren vanaf eind jaren zeventig tot begin jaren negentig actief voor de militaire inlichtingendienst Khad-e-Nezami en heeft tegenstanders van het toenmalige communistische regime in Afghanistan op zeer gruwelijke wijze laten martelen. De twee mannen, de 58-jarige Habibullah J. en de 57-jarige Hesamuddin H., zijn in Nederland vervolgd, nadat zij hier jaren geleden asiel hadden aangevraagd. De strafzaken zijn de eerste zogeheten 1F-zaken die het landelijk parket van het Openbaar Ministerie (OM) voor de rechter heeft gebracht. De rechtbank heeft dezelfde straffen opgelegd als door het OM geëist.De hoogste straf was voor Hesamuddin H. Hij was vanaf eind 1985 tot eind 1990 het hoofd van de Afghaanse militaire inlichtingendienst en onderminister van het ministerie van staatsveiligheid. In die functie maakte hij zich schuldig aan het medeplegen van foltering en schending van de wetten en gebruiken van de oorlog. Slachtoffers werden zwaar lichamelijk mishandeld. De martelpraktijken vormden ‘een vast patroon van handelen binnen de militaire inlichtingendienst van Afghanistan’, aldus het vonnis van de Haagse rechtbank. De gepleegde misdrijven raken direct de Nederlandse samenleving en rechtsorde, meent de rechtbank. Niet alleen omdat het internationale misdrijven zijn, maar ook omdat de twee verdachten naar Nederland zijn gevlucht en via het aanvragen van asiel zich in de Nederlandse samenleving wilden vestigen. De advocaten van de twee Afghanen, A. van der Biezen en L. Zegveld, hadden de rechtbank op een aantal gronden gevraagd het OM niet ontvankelijk te verklaren. Zo verzetten de raadslieden zich tegen het feit dat justitie verklaringen van hun cliënten heeft gebruikt die zij hadden afgelegd bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. De rechtbank verwierp dit verweer, alsmede alle overigen verweren. Het strafrechtelijk onderzoek tegen H. en J. kwam op gang toen zij in 2003 herhaaldelijk telefoongesprekken voerden met een andere Afghaan, tegen wie toen al een onderzoek liep. In die gesprekken werd ook over ‘martelpraktijken’ gesproken en de betrokkenheid daarbij van H. en J. De advocaten van de beide Afghanen stellen zo goed als zeker hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank.