Joden keren in augustus 1945 terug in Amsterdam. De huiseigenaren onder hen werden geconfronteerd met boetes.
Joden keren in augustus 1945 terug in Amsterdam. De huiseigenaren onder hen werden geconfronteerd met boetes. © Ad Windig / HH

Amsterdam 'onnodig hard' met boetes Joden na oorlog

De boetes die Amsterdam aan Joden oplegde voor het niet betalen van erfpacht in de tijd dat NSB'ers hun huizen bewoonden, wekte al veel woede. Nu oordeelt ook het NIOD. 'De kwestie gold destijds niet als een groot probleem.'

De gemeente Amsterdam heeft na de Tweede Wereldoorlog 'onnodig hard' gehandeld door teruggekeerde Joodse huiseigenaren die vanwege deportatie of onderduik hun erfpacht niet hadden betaald, alsnog te beboeten. Dat stellen onderzoekers van oorlogsdocumentatiecentrum NIOD die de opstelling van Amsterdam op verzoek van het gemeentebestuur hebben onderzocht.

De opgelegde boetes aan Joden die de vernietigingskampen hadden overleefd, kwamen twee jaar geleden bij toeval aan het licht bij het digitaliseren van archiefstukken van de voormalige dienst Publieke Werken. De kwestie speelde kort na de oorlog, maar veroorzaakte destijds geen publieke ophef.

Compenseren

De kwestie speelde kort na de oorlog, maar veroorzaakte destijds geen publieke ophef

In 2013 ontstond die publieke verontwaardiging alsnog, en beloofde burgemeester Eberhard van der Laan namens het stadsbestuur de gedupeerden of erfgenamen voor de boetes te compenseren. Daarvoor is 820 duizend euro uitgetrokken.

De snelheid waarmee Amsterdam twee jaar geleden het boetekleed aantrok, heeft volgens het NIOD-onderzoek mogelijk wel vergaande gevolgen. Formeel is het omstreden gedrag van Amsterdam waarschijnlijk al eerder financieel gecompenseerd.

Rijksoverheid en belangenorganisaties bereikten in 1997 overeenstemming over een regeling die 'finaal recht' zou doen aan Joodse slachtoffers voor 'overheidsoptreden in het algemeen'. Tussen 1999 en 2000 is daarvoor 764 miljoen gulden uitbetaald, omgerekend 347 miljoen euro.

Emotionele bezwaarschriften

'Het is aannemelijk dat in die regeling ook het handelen van lokale overheden al was verdisconteerd', zegt NIOD-onderzoekster Hinke Piersma. 'Dat betekent dat hiermee een nieuw hoofdstuk wordt toegevoegd aan het naoorlogs rechtsherstel, en dat de discussie daarover mogelijk niet is ge-eindigd.'

Direct na de oorlog besloot Amsterdam dat huizenbezitters die terugkeerden uit concentratiekampen of onderduik, toch hun achterstallige erfpacht aan de gemeente moesten betalen. Anders dan in bijvoorbeeld in de gemeente Den Haag, en ondanks soms emotionele bezwaarschriften, werd daarbij óók de boete voor wanbetalers in stand gehouden.

Dat was onnodig hard omdat er voldoende juridische mogelijkheden waren om van de boete af te zien, stellen Piersma en Jeroen Kemperman in de studie 'Openstaande rekeningen', die vandaag wordt gepresenteerd.

De gemeenteadvocaat voorzag het stadsbestuur van een sluitend juridisch advies om gedupeerde Joodse huiseigenaren te kunnen ontzien, maar dat werd door het college bewust genegeerd. De gemeenteraad werd er onvolledig over geïnformeerd. Wel werden de boetes in 1948 gehalveerd, waarna 340 huishoudens gedeeltelijke kwijtschelding aanvroegen.

Financiële schade

Men was bang om uitzonderingen te maken voor schrijnende gevallen, want waar trok je de grens?

Piersma

In het navorderen van straatgeld (onroerendzaakbelasting) was de gemeente Amsterdam wel soepeler, en werd voor in totaal 17 duizend gulden kwijtgescholden. De gemeente Den Haag daarentegen, die het innen van boetes op erfpacht veel te ver vond gaan, weigerde teruggekeerde Joden over de oorlogsjaren te ontheffen van onroerendzaakbelasting. De Hoge Raad bleek het daar in 1950 mee eens.

Uit de studie van Piersma blijkt dat de Nederlandse regering in ballingschap in Londen al in 1944 had besloten dat er na de bevrijding geen onderscheid zou worden gemaakt tussen Joodse en niet-Joodse slachtoffers. Het Amsterdamse stadsbestuur achtte zich na de bevrijding ook niet verantwoordelijk voor de financiële schade die tijdens de bezetting door de ontrechting van Joden was ontstaan.

Financiële motieven

Wie nog openstaande financiële kwesties had, moest die eerst zelf proberen te verrekenen met de destijds verantwoordelijken, of met de fondsen voor oorlogsschade die door het Rijk werden opgezet. Toen dat voor bijvoorbeeld erfpacht en andere belastingen niet mogelijk bleek, hield men daar toch aan vast.

Financiële motieven speelden een belangrijke rol. De gemeente had een begrotingstekort van 50 miljoen gulden en er stonden dure panden op gemeentelijke erfpachtgrond. Piersma: 'Men was bang om uitzonderingen te maken voor schrijnende gevallen, want waar trok je de grens? Het stadsbestuur kreeg echter handvatten om binnen de formele regels de boete niet te hoeven heffen, en heeft die niet gegrepen. Dat maakt het onnodig hard. Niet alleen met de ogen van nu, maar ook met die van toen.'