'Diagnose kindermishandeling vaak fout'

Bij de helft van de zaken van kindermishandeling of misbruik die door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) worden onderzocht, klopt de diagnostiek niet.

Artsen, jeugdzorgmedewerkers of justitie hebben in deze zaken fouten gemaakt en op onjuiste gronden hun conclusies getrokken. Dat zegt forensisch arts Rob Bilo, een van de weinige medisch deskundigen in Nederland op dit gebied, zaterdag in het radioprogramma Argos. Dubieuze diagnostiek ‘Als het gaat om de duiding van lichamelijk letsel, kun je bij één op de twee gevallen toch je twijfels hebben’, aldus Bilo. Ook bij seksueel misbruik gaat het om ‘dubieuze diagnostiek’ bij zo’n één op de twee zaken. Dit leidt ertoe dat kindermishandeling over het hoofd wordt gezien of in andere gevallen onterecht wordt vastgesteld. Soms wordt bijvoorbeeld aangifte gedaan van seksueel misbruik op basis van roodheid die artsen zien in de schaamstreek, zegt hij. ‘Maar achteraf blijkt soms dat deze kinderen een huidafwijking heben, waardoor ze op die plek gemakkelijker bloeden.’ Verder worden soa-testen soms verkeerd uitgevoerd. ‘Gonorroe moet je bij een kind anders testen doen dan bij een volwassene. Anders krijg je een vals-positieve uitslag. Dat zien we één of twee keer per jaar langskomen; ouders worden soms dagen verhoord. Dat heeft grote gevolgen.’ Ook zag hij ooit een dossier van een baby met zeer veel gebroken botten. De ouders waren onder meer weggekomen met de verklaring dat het kind zich had omgedraaid en tussen de bedspijlen was gekomen. Volgens hem gaat het om lichte tot zeer ernstige fouten. In een deel van de gevallen klopt de eindconclusie, maar is die wel op onjuiste gronden getrokken. Fysiek mishandeld Jaarlijks worden naar schatting 20 duizend kinderen fysiek mishandeld, en 5.000 seksueel misbruikt. Het NFI beoordeelt per jaar zo’n 50 strafzaken op dit gebied en doet ruim 100 consulten.Het probleem is dat onafhankelijke medische diagnostiek in Nederland zo goed als ontbreekt, zegt Bilo. ‘De problemen worden wel gesignaleerd, en er wordt ook behandeld, maar daartussen zit een gat: de diagnostiek. Bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) werken wel vertrouwensartsen, maar die doen geen lichamelijk onderzoek. Ook bij de kinderbescherming werken geen artsen.’Het is van belang dat er geen directe relatie is tussen onderzoeker en gezin, zegt hij: ‘Als een hulpverlener een gezin kent, gaat hij eerder mee in het verhaal.’ In Nederland zijn nu slechts vier onafhankelijke medisch specialisten op dit gebied. Hulpverleners overschrijden grenzen, stelt Bilo: ‘Een hulpverlener die niet medisch geschoold is moet geen uitspraken doen over lichamelijke afwijkingen. Dat gebeurt wel en dat baart mij ernstige zorgen. Medische gegevens moeten door een medicus beoordeeld worden en niet door een maatschappelijk werker.’