Essay

Wilt u alstublieft geen grappen maken over buikjes? Bedankt, namens alle mannen

null Beeld paul faassen
Beeld paul faassen

Alle moderne opvattingen over masculiniteit ten spijt: mannen praten nog steeds niet graag over hun buikjes, kaalheid en impotentie. Onder de grapjes die ze er onderling over maken, zit een berg schaamte, zegt schrijver Jerry Goossens. En die is gevaarlijk, ook fysiek.

Het is een inmiddels bekend traject: journalist, niet de jongste meer, ontdekt na een leven van hedonisme de geneugten van het gezonde bestaan. Verantwoord eten. De fles wat vaker (of helemaal) laten staan. En sporten. Veel sporten. Hardlopen. Krachttraining. Alles. In mijn geval was het nogal een transformatie. Ik kwam uit de rock-’n-roll. Had vanaf mijn 12de in (punk)bandjes gespeeld, was in de popjournalistiek beland, werkte op een blauwe maandag voor een platenmaatschappij en werd tenslotte schrijver. Geen van alle vakgebieden waar matigheid hoog in het vaandel staat. Daarbij kwam ik uit een nest waar niet gesport en des te meer gerookt werd. Daar begon het. Of eigenlijk: daar stopte het. Op mijn 40ste, inmiddels vader van twee kinderen, doofde ik mijn laatste sigaret. En om mijn geplaagde longen wat op adem te laten komen, besloot ik te gaan hardlopen. Ik viste een ouwe trainingsbroek achter uit de kast, trok m’n All Stars aan en rende m’n eerste rondje om de vijver.

Enfin, ik zal het bekeringsverhaal en de bijbehorende geestdrift achterwege laten. Maar ik deed een interessante ontdekking. Namelijk, dat de middelbare leeftijd niet onvermijdelijk tot fysieke aftakeling hoefde te leiden, maar dat je met een beetje toewijding sneller, fitter en gespierder kunt worden dan je als twintiger was. Natuurlijk, als je van nul komt is álles een verbetering, en voor ex-topsporters gaat de vlieger niet op. Die zullen nooit meer zo sterk worden als ze waren. De gemiddelde man staat daarentegen niets in de weg om ook na zijn 40ste de beste versie van zichzelf te worden.

Voor iemand met een atletisch-uitgedaagde achtergrond als ik was het beslist een eye-opener. Het werd een onderwerp dat ik veelvuldig besprak met Frank van Hellemondt, een bevriende sportarts. Die gesprekken leidden tot Het Grote Ouwelullenboek, een populairwetenschappelijk werk, waarin we de fysieke en psychologische veranderingen in het leven van de midlife-man in kaart brengen. We gingen te rade bij hoogleraren en medische specialisten, om tot de conclusie te komen dat de aftakeling die we als een onvermijdelijk resultaat van het ouder worden zien, goeddeels vermijdbaar of zelfs omkéérbaar is. Anders dan de menopauze, de hormonale reset die bij vrouwen optreedt zodra ze niet langer vruchtbaar zijn, zijn veel van de klachten die samenhangen met de andro- of penopauze niet zozeer het gevolg van leeftijd alswel van leefstijl. Dat geldt uiteraard niet voor álle verouderingsverschijnselen. Of je kaal wordt en op welke leeftijd ligt bijvoorbeeld in de genetische programmatuur besloten. Maar dik, slap en vermoeid worden, plus alle ernstige gezondheidsklachten die daaruit kunnen resulteren, dat is met een beetje moeite te voorkomen of te genezen.

Maar dat is een ander verhaal. Want tijdens de gesprekken die we voor het boek voerden, drong een ander fenomeen zich op. Schaamte. Verborgen schaamte, om exact te zijn. Van het soort dat angstvallig schuilgaat achter een façade van zelfverzekerd machismo. Want schaamte, dat is een symptoom van kwetsbaarheid, en kwetsbaarheid doet afbreuk aan de mannelijke identiteit.

null Beeld paul faassen
Beeld paul faassen

Zweepslagen op de ziel

De Volkskrant-lezer zal vermoedelijk de wenkbrauwen fronsen bij die constatering. Hadden wij, verstandige mensen onder elkaar, niet afgesproken die we die ouderwetse opvattingen over masculiniteit achter ons hadden gelaten? Was de nieuwe man niet zacht, gevoelig en in staat zijn zieleroerselen onder woorden te brengen?

In theorie mag dat misschien waar zijn. In praktijk, daarentegen, worden mannen van middelbare leeftijd, keihard afgerekend op alles wat van het klassieke manbeeld afwijkt. Door elkaar én door vrouwen. Daarbij geldt de stilzwijgende afspraak dat een ‘echte’ man zich niet laat kennen. Die lacht alles weg. Maar intussen broeit en gist het in zijn hoofd. Want de man schaamt zich. Voor zijn gewicht. Zijn vermeend kleine piemel. Zijn gebrekkige fysiek. En ja, voor zijn kalende kop. Hij schaamt zich dood. Soms letterlijk. Maar daarover later meer.

Het is een gêne die mij bekend voorkomt. Want ondanks de duizenden kilometers die ik inmiddels dravend had afgelegd en de honderden uren die ik in de sportschool had doorgebracht, bolde er onder mijn dryfit-shirt toch nog altijd een bierbuikje. Niks dramatisch. Geen enorme ballonbuik die op een vergevorderd metabool syndroom duidde. Het hardnekkige sediment van mijn onmatigheid, dat was alles. Tien kilo gestolde welvaart. Ik kon mijzelf goed voorhouden dat het wel meeviel. Maar anderen deden hun best mij van het tegendeel te overtuigen. ‘Zo, Goossens, wat een pens’, riep vriend Y. toen ik hem op het terras passeerde. Dat hij zelf lekker in het spek zat, rechtvaardigde zijn opmerking. Vond hij zelf. Mijn eigen moeder deinsde er niet voor terug om haar wijsvinger in mijn blubber te steken. Zelfs tijdens interviews voor het boek was mijn embonpoint ineens een gespreksonderwerp. ‘Als ik goed bevriend met jou was, zou ik je af en toe ook wel even in je buik knijpen. Als geintje’, zei Mark van Vugt, hoogleraar psychologie aan de VU, toen hij wilde illustreren hoe intraseksuele selectie, de competitie tussen mannen onderling, altijd doorgaat. Ook bij vrienden. Hij voegde de daad gelukkig niet bij het woord.

Geen van hen had er lelijke bedoelingen mee, en mijn eigen karakter zal de uitdagende toon vast hebben uitgelokt. Bovendien, een sterke motivatie om er nou serieus eens wat aan te doen was het ook. Maar toch: zweepslagen op de ziel, elke keer weer.

Toch zei ik er nooit iets van. Ik grijnsde. Probeerde de bal terug te kaatsen. Gebbetje. Zo doen kerels dat. Moeten toegeven dat het mij raakte, zou tot groter gezichtsverlies leiden dan dat verdomde buikje zelf.

Zwanger van Heineken

Vermoedelijk zullen vrouwen het best verfrissend vinden te horen dat ook mannen op hun uiterlijk en hun gewicht worden beoordeeld. Tenslotte leek dat eeuwenlang aan hen voorbehouden.

Léék. Want evengoed zou je kunnen volhouden dat mannen er al die tijd over hebben gezwegen. William Banting, misschien wel de allereerste dieetgoeroe, publiceerde in 1863 zijn Letter on Corpulence, waarin hij opmerkt: ‘Ik ben ervan overtuigd dat niemand die zucht onder obesitas ooit helemaal ongedaan kan blijven door de sneren van wrede en onredelijke mensen.’

Een man als Ton Elias zal dat anderhalve eeuw ongetwijfeld beamen. Toen het voormalige VVD-kamerlid vorige maand weer eens op televisie verscheen om zijn licht te laten schijnen op de formatiechaos, regende het, als gebruikelijk, ‘grappen’ over zijn omvang. Maar anders dan bijvoorbeeld Asha ten Broeke, die uit haar columns en tweets over fatshaming inmiddels een lijvig bundeltje kan samenstellen, deed Elias er het zwijgen toe. Onderzoekers van de Yale-universiteit hebben sterke aanwijzingen gevonden dat vrouwen bijvoorbeeld op het werk en in de politiek harder op hun gewicht worden afgerekend dan mannen, en bovendien al bij een lagere body mass index. Maar terwijl bij vrouwen in de directe, persoonlijke omgang met vrienden, collega’s en familie opmerkingen over gewicht een bijna absoluut taboe zijn, worden mannen er in ‘vriendschappelijke’ context onbekommerd op aangesproken. Waar we drie keer kijken voor we aan een vrouw vragen of ze in verwachting is, roepen we sans gêne tegen dikke kerels: ‘Zo, zwanger?’ Waarop er doorgaans een grijnzend antwoord komt als: ‘Ja, van Freddy Heineken.’

null Beeld paul faassen
Beeld paul faassen

Baviaan

En zoals zwaarlijvigheid door ‘wrede en onredelijke mensen’ gelijk wordt gesteld aan gebrekkige wilskracht, luiheid en mateloosheid, zo worden er ook weinig flatteuze kwalificaties toegeschreven aan kalende mannen. Een volle kop met haar wordt in de Bijbelse parabel van Simson en Delilah gelijkgesteld aan kracht, mannelijkheid en viriliteit. Dat is de reden waarom veel machtige mannen in de loop der geschiedenis allerlei toeren hebben uitgehaald om hun haaruitval te camoufleren. Julius Caesar droeg de lauwerenkrans om zijn wijkende haarlijn te verbergen. De pruikentijd is een direct gevolg van de kaalhoofdigheid die zonnekoning Louis XIV aan een roodvonkaanval overhield. En Donald Trump… ach, Donald Trump. De 45ste president van de VS moet het meest becommentarieerde kapsel ter wereld hebben. De ‘gewasdroogde baviaan’ op zijn hoofd (dixit The Guardian) was volgens Michael Wolff, de (kale) auteur van Vuur en woede in het Witte Huis van Trump, het resultaat van een zogenoemde scalp-reductie-operatie. Daarbij wordt een deel van de kale hoofdhuid weggenomen, waarna de resterende, nog behaarde huid opgerekt over de schedel wordt gespannen. Trumps haar zou uit een enkele, lange lok bestaan die elke ochtend met ozonverwoestende hoeveelheden haarlak op Trumps hoofd tot coiffure wordt geboetseerd.

Lachen, ja. Ware het niet dat die hoon natuurlijk óók onvervalste bald-shaming is. Mannen die kaal worden moeten zich grapjes laten welgevallen, over biljartballen en binnenbanden die naar buiten komen. Maar de kaalkop die er wat aan doet, brandmerkt zichzelf onvermijdelijk als ijdeltuit. Het leedvermaak over Gerard Jolings publieke haartransplantatie blijkt een langere levensduur te hebben dan zijn hits. Ook om Dick Advocaats herwonnen haardos wordt nog wel eens gegniffeld. Bij het online daten, waar kalende mannen sowieso al op achterstand staan, geldt het dragen van een hoofddeksel op je profielfoto om je kale kruin te verbergen als een vorm van misleiding. Analoog aan cat fishing (het aannemen van een valse identiteit op internet) wordt het hat fishing genoemd.

‘Er is geen orgaan dat zo bepalend is voor het zelfbeeld als de haren’, zegt dermatoloog en haardokter in ruste Ids Boersma. ‘Hoe ouder je wordt, hoe groter de kans dat het proces van kaal worden flink aan de gang is. Tegelijkertijd zijn er ook schoolgaande jongens die er last van hebben. Mede daarom beschouw ik het als een echte ziekte. Uiteindelijk gaat het om de pijn die het veroorzaakt. Die is weliswaar van psychosociale aard, maar patiënten lijden er niet minder om.’

Boersma maakte naam onder kalende mannen toen hij als eerste arts in Nederland op grote schaal patiënten ging behandelen met een omstreden medicijn dat aanvankelijk uitsluitend voor prostaatklachten werd voorgeschreven: dutasteride. Dat remt de omzetting van testosteron naar dihydrotestosteron (DHT), het hormoon dat allesbepalend is bij het ontstaan van alopecia androgenetica, ofwel mannelijke kaalheid.

Maar Boersma is ook ervaringsdeskundige. ‘Omdat ik op mijn 18de al kaal werd, heb ik mij toen een haarwerk laten aanmeten. Dat was in de tijd dat iedereen lange haren had. Ik dacht: verdorie, daar kun je meiden mee versieren, dat wil ik ook. Maar ja, met voetbal gaat zo’n haarstukje niet goed samen. Dan had ik een bal gekopt, lag dat haarwerk op het veld. Gatverdamme!’

Een halve eeuw later kan Boersma er smakelijk om lachen. Dat hij het haarstuk van destijds dankzij twee haartransplantaties en behandeling met genoemde medicijnen heeft ingeruild voor een trotse, grijze kuif komt zijn zelfspot ongetwijfeld ten goede.

Beschroomde zwijgzaamheid

Zelf heb ik op dat gebied een fortuinlijk lot uit de genenloterij getrokken, maar in mijn directe vriendengroep van veertigers en vijftigers behoor ik inmiddels tot de uitzonderingen. Wij spreken/appen elkaar iedere dag. Nochtans was het onderwerp kaalheid nooit ter sprake gekomen. Tot ik het voor mijn boek aansneed. De reacties vielen in twee categorieën uiteen: enerzijds berusting, maar evengoed een aan rouw grenzend gevoel van verlies, onderstreept door gêne. Het zat diep, toch hadden ze er nooit met een woord over gerept.

Nou huist er in mij nog altijd een neanderthaler die dat best prettig vindt. Er is al voldoende emotionele incontinentie, het legioen der permanent gekwetsten is al groot genoeg, en een beetje zelfrelativering misstaat geen enkele man. Tegen de tijd dat de café’s weer open zijn, wil ik daar niet dat onze avonden aan de toog in groepstherapie ontaarden. Desondanks is het zinnig eens bij die beschroomde zwijgzaamheid stil te staan. Want de schaamte over vermeende fysieke tekortkomingen en de schimpscheuten daarover lijken te ontspruiten aan een diep in onze collectieve psyche verankerd idee over masculiniteit. Als een man in een al te opzichtige auto voorbij rijdt, wordt er gegnuifd dat hij tussen de benen wel iets te compenseren zal hebben. Waarbij de onuitgesproken boodschap luidt dat een échte kerel een grote pik heeft. De grapjes over wijkende haarlijnen en bierbuikjes, suggereren dat een man die niet over golvende manen en buikspieren waarop je een spijkerbroek kunt schrobben beschikt, eigenlijk tekortschiet. Er is weliswaar psychologisch onderzoek waaruit blijkt dat volledig kale mannen dominanter worden gevonden dan seksegenoten met een volle bos of een beetje haar. Maar toch.

Het feminisme en de emancipatie van transgenders hebben het idee van mannelijkheid als spectrum gepopulariseerd. Er wordt ons geleerd dat menstruerende, barende mannen óók mannen zijn, en dat masculiniteit een baaierd van schakeringen kent. Terwijl het beeld dat uit die dagelijkse plaagstootjes en pesterijtjes opduikt veel eenduidiger is. Het is een klassiek manbeeld – Don Draper uit de serie Mad Men – dat minstens zo dwingend is als de feminiene variant die vrouwen van oudsher wordt opgedrongen. Voor corona de boel op slot gooide, bezocht een recordaantal mannen de sportschool in de – doorgaans ijdele – hoop er als een Arie Boomsma weer uit te komen. Een voor de gewone sterveling onbereikbaar schoonheidsideaal is niet een last waaronder alleen vrouwen gebukt gaan, ook mannen moeten er inmiddels aan geloven. Opnieuw: het ideaalbeeld dat wordt nagestreefd is niet zacht en androgyn, maar hard en gespierd als een uit marmer gehouwen Griekse god. Net als bij jonge vrouwen, waar eetstoornissen als anorexia gelinkt worden aan een onbereikbaar, want goeddeels gemanipuleerd schoonheidsideaal, duiken vergelijkbare psychische aandoeningen ineens ook op bij jonge mannen. In de documentaire Ziek Gespierd volgden NRC-journalisten Joram Bolle, Nina van Hattum en Benjamin Kat, de 23-jarige Jorjen, die zo obsessief aan zijn sixpack werkte dat hij vrijwel stopte met eten terwijl hij iedere dag naar de sportschool ging. Op zijn dieptepunt woog Jorjen nog maar 45,9 kilo.

null Beeld paul faassen
Beeld paul faassen

Zorgmijdend

Schaamte, door psychologieprofessor Van Vugt getypeerd als ‘statusverlies’, kan levensbedreigende vormen aannemen. Ernstig overgewicht kan resulteren in een aandoening die metabool syndroom wordt genoemd; een verzamelnaam voor hoge bloeddruk, slechte cholesterolwaarden en prediabetes. Die combinatie verstoort de aanmaak van testosteron, waardoor de zin in seks en de potentie afnemen of zelfs helemaal verdwijnen. Dat proces wordt een negatieve feedbackloop genoemd: het versterkt zichzelf. Een gebrek aan testosteron veroorzaakt gewichtstoename, en hoe zwaarder je wordt, hoe minder testosteron je produceert. Onbehandeld kan het metabool syndroom leiden tot diabetes, hart- en vaatziekten en tenslotte de dood. De potentie is daarbij de kanarie in de kolenmijn: hét waarschuwingssignaal dat er iets serieus mis is. Of zoals uroloog/androloog (het medisch specialisme dat zich met mannenkwalen bezighoudt) Herman Leliefeld het formuleert: ‘Vaak manifesteert een erectiestoornis zich twee tot vijf jaar voor het tot een hartinfarct komt. Logisch ook, want de bloedvaten in de penis zijn de dunste in ons lichaam, vergelijkbaar met die van de ogen, dan komen de coronaire arteriën (kransslagaderen), dan de halsslagader en ten slotte de benen. Bijvoorbeeld bij stugge rokers treedt vaak eerst een erectiestoornis op, dan een hartinfarct, gevolgd door een beroerte waarna uiteindelijk de doorbloeding van de benen in gevaar komt, soms met amputatie tot gevolg.’

Leliefeld, gespecialiseerd in erectiestoornissen, weet ook dat relatief weinig mannen zich laten behandelen. Hoewel mannen notoir zorgmijdend zijn, neemt hun absolute aantal toe omdat zwaarlijvigheid epidemische vormen heeft aangenomen. Maar in dit specifieke geval is de gêne zo groot dat ze goeddeels helemaal van hulp afzien. En áls ze schoorvoetend een stap over de drempel van een arts hebben gezet, blijkt vaak dat ze veel te lang met hun klachten zijn doorgelopen.

Bron van schaamte

Seksuele problemen raken het hart van de masculiniteit, en zijn daarom de grootste bron van schaamte. Het is een beeld dat wordt beaamd door de vooraanstaande seksuoloog en hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Seksuologie Peter Leusink: ‘Als mannen al met hun klachten naar de huisarts gaan, hebben ze daarvoor zelf al heel veel geprobeerd, geloof me. Ze hebben op internet al van alles gelezen en oplossingen gezocht. Dan hebben ze bijvoorbeeld online Kamagra (een Viagra-achtig erectiemiddel) gekocht. Daarvan weet je nooit of het echt is, of de werkzame stof er daadwerkelijk inzit. Ik moet eerlijk zeggen: in 70 procent van de gevallen is het flauwekul.’

Potentieel gevaarlijke flauwekul, bovendien. Erectiemiddelen die online zonder recept worden verkocht zijn vaak merkvervalsingen die zonder enige vorm van controle worden geproduceerd en waarvan niemand de bestanddelen kent. Waar medicijnen normaal uitvoerig worden getest voor ze op de markt worden toegelaten, gaat het hier om schimmige farmaceutica waarvan de werking noch de bijwerkingen zijn gecheckt. Terwijl het vermeende, verwaarloosbaar kleine risico op trombose van het AstraZeneca-vaccin tot een legioen prikweigeraars leidde, slikt een groot aantal mannen dure middelen van uiterst dubieuze herkomst, om in hemelsnaam maar niet bij de buurtapotheek het Viagra-recept te hoeven overhandigen. De Stichting Farmaceutische Kengetallen becijferde dat de helft van alle mannen die door de huisarts Viagra krijgt voorgeschreven nooit meer terugkomt voor een herhaalrecept. Dat schaamte een belangrijke oorzaak is van erectiezwakte, zoals Leusink het consequent aanduidt, ontgaat de meeste van hen.

Enfin, dat embonpoint van mij – ik háát het woord buikje – is dankzij een spartaans regime van honger en lichaamsoefening inmiddels tot aanvaardbare proporties teruggebracht. Het gevaar van het metabole syndroom is vooralsnog weer even afgewend. En voor de volgende keer dat ik vriend Y. tegen het stevige lijf loop, heb ik een grootse (nou ja…) wraak in gedachte. Maar de ingebakken angst voor gezichtsverlies zou wel hardnekkiger kunnen blijken dan een paar kilo vet. En een grotere bedreiging bovendien.

Het Grote Ouwelullenboek van Jerry Goossens en Frank van Hellemondt verschijnt op 26 mei bij Kosmos Uitgevers

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden