essay

Drie generaties mannen over het man-zijn: ‘Ik baal als vrouwen zich onveilig voelen door mij’

null Beeld Paul Faassen
Beeld Paul Faassen

Wat betekent het om in 2022 man te zijn? Schrijver Jerry Goossens vroeg het de mannen uit zijn leven: zijn vader en zijn zoon. Gedrieën omspannen ze bijna een eeuw mannelijkheid. ‘Volgens de geldende conventies ben ik geen stoere vent.’

Jerry Goossens

Tijdens het dessert vliegen de vonken plotseling over de eetkamertafel. Mijn 15-jarige dochter zegt fel dat ze alle mannen in de openbare ruimte wantrouwt. Ze wordt naar eigen zeggen al nageroepen, nagefloten en gecatcalled sinds haar 11de, en een reeks vervelende ervaringen heeft haar huiverig gemaakt. Haar tien jaar oudere broer, Finn, tekent protest aan: niet álle mannen zijn zo. Hij wil niet over een kam worden geschoren met klootzakken die vrouwen lastigvallen. Dochterlief is gedecideerd: ‘Ik weet heus wel dat niet alle mannen zo zijn. Ik weet alleen niet wélke mannen het niet zijn. Daarom moet ik op mijn hoede zijn voor alle mannen.’

Je zult mij niet horen beweren dat de emancipatie van vrouwen voltooid is. Als vader van twee dochters ben ik er inmiddels van doordrongen dat er nog een hoop moet gebeuren voor mannen en vrouwen écht gelijkwaardig zijn. Anders dan mijn zoon, die de wereld om hem heen van jongs af aan onbekommerd kon verkennen, is de bewegingsvrijheid van mijn dochters altijd belemmerd geweest. Volgens cijfers van de Rutgersstichting heeft 22 procent van alle vrouwen ooit te maken gehad met seksueel geweld. Dat cijfer loopt op tot ruim de helft als ook ongewenste aanrakingen worden meegerekend. Er is een loonkloof die nog altijd niet is gedicht. Het aantal vrouwen op (academische) topposities blijft onverminderd achter.

En toch, tóch is er iets wezenlijks veranderd. De vrouw, die millennialang ondergeschikt was aan de man en haar tweederangsburgerschap zelfs door de wet bekrachtigd zag, diezelfde vrouw heeft zich ten langen leste aan het patriarchaat ontworsteld en een meer gelijkwaardige positie op de man veroverd. Het is ‘de belangrijkste revolutie uit de geschiedenis’, aldus de Canadese feminist Shulamith Firestone. Toch is het allemaal vrij geruisloos gegaan. Binnen één generatie. Mijn generatie.

Ik ben van 1965. Een luttele negen jaar voor ik werd geboren, kwam er een einde aan de wet Handelingsonbekwaamheid, die voorschreef dat getrouwde vrouwen geen financiële transacties konden verrichten zonder uitdrukkelijke toestemming van hun echtgenoot. Maar ik zat al in de eerste klas van de lagere school toen het wetsartikel werd afgeschaft waarin stond dat ‘de man het hoofd van de echtvereniging’ was en de vrouw hem gehoorzaamheid was verschuldigd. Twaalf jaar later, toen ik aan de School voor Journalistiek begon, was het al volstrekt vanzelfsprekend dat vrouwelijke en mannelijke studenten als gelijken naast elkaar in de collegebanken zaten.

null Beeld Paul Faassen
Beeld Paul Faassen

En waar de witte, heteroseksuele man van middelbare leeftijd ooit vanzelfsprekend heer en meester was, kregen die gecombineerde eigenschappen de afgelopen jaren steeds meer het karakter van een daderprofiel. Wie aan deze kwalificaties voldoet, verdient het om uit het publieke domein te worden verdreven, of helemaal achter in de rij aan te sluiten. Want hadden witte, heteroseksuele mannen niet eeuwenlang voorgedrongen? Waren zij niet verantwoordelijk voor de slavernij, het kolonialisme en de onderdrukking van vrouwen? Nou dan. Opzij!

Wat betekent het anno 2022 om man te zijn?

Ik besloot het te vragen aan de mannen die mij het dichtst na staan: mijn vader en mijn zoon. Gedrieën vertegenwoordigen wij bijna een eeuw mannelijkheid. Van the man’s world waarin mijn vader werd geboren, tot de egalitaire, non-binaire wereld waarin mijn volwassen zoon zijn weg moet zien te vinden. En ik als scharnier, die de twee werelden aan elkaar verbindt. Ik hield een-op-een-gesprekken met zowel mijn vader als mijn zoon. En tenslotte hadden we een drie uur durend gezamenlijk gesprek, waarin veel ter tafel kwam.

‘Nee, ik geloof niet dat ik ooit een luier heb verschoond. Jij wel dan?’

Mijn vader klinkt oprecht verbaasd. Hij heeft nooit eerder bij de kwestie stilgestaan. Zoals hij ook niet meer weet of hij bij de geboorte van zijn kinderen aanwezig was. Nou ja, hij was thuis toen mijn moeder beviel, maar stond niet naast de vroedvrouw aan haar bed. En nee, natuurlijk heeft hij nooit een maaltijd voor het gezin bereid, of andere huishoudelijke taken verricht. Hij was kostwinner, verliet ’s ochtends om half 7 het huis, om ’s avonds tussen 7 en 8 weer terug te keren. Pas toen hij met pensioen ging, stak hij binnenshuis wat vaker de handen uit de mouwen. Lees: hij ruimt de vaatwasser uit en dekt de tafel voor de lunch.

In veel opzichten is Hans, mijn 86-jarige vader, een atypische man. In 1974, toen Oranje de WK-finale tegen Duitsland speelde, stond bij ons de tv uit. Mijn vader heeft nog altijd niks met sport en een hekel aan televisie. Hij geeft niks om uiterlijkheden. Kleren moeten comfortabel zijn, liefst een maat of twee te groot. Het maakt hem niet uit in welke auto hij rijdt, zolang die maar betrouwbaar is. Hij gaat niet naar de kroeg, drinkt hooguit op zomerse dagen een biertje en was ook in zijn jonge jaren allesbehalve een rokkenjager. Hoewel hij een mooie loopbaan heeft gehad in de banksector, was hij nooit een verbeten carrièretijger. Hij omschrijft zichzelf als ‘een gevoelige man’, primair geïnteresseerd in andere mensen.

null Beeld Paul Faassen
Beeld Paul Faassen

Tegelijkertijd was/is hij een bijna prototypisch ouderwetse vader/echtgenoot. Hij was de man die op zondag het vlees sneed. Zijn rol in de opvoeding bleef beperkt tot bars geformuleerde terechtwijzingen als ik het overdag bij mijn moeder te bont had gemaakt. Hij was huiverig voor fysiek contact. Toen ik een jaar of 10 was, kondigde hij aan dat een knuffel in het vervolg uit den boze was omdat ‘echte mannen elkaar een hand geven.’

Van dat laatste heeft hij inmiddels spijt. Al is er nog altijd een vrolijk soort ongemak op zijn gezicht leesbaar als zijn grote kleinzoons hem omhelzen. Maar over al het andere zegt hij: ‘Zo ging dat nou eenmaal. De man zorgde voor het inkomen, en de vrouw bleef thuis bij de kinderen. Daar was helemaal geen discussie over. Het was een duidelijke taakverdeling, die ik als vanzelfsprekend van huis uit had meegekregen. Eigenlijk ben ik nog steeds van mening dat de moeder gewoon thuis moet blijven voor de kinderen. Heel ouderwets, natuurlijk. Maar dat vind ik echt hoor. Je ziet zoveel kinderen ontsporen omdat er niemand thuis is om ze op te vangen.’

Moeten vaders niet thuisblijven voor de kinderen?, werp ik tegen.

‘Nee, want die zijn op hun werk. Die moeten de kost verdienen.’

Toen mijn zoon Finn zich 26 jaar geleden aandiende, als eerste van drie kinderen, waren mijn wederhelft en ik vastbesloten werk en opvoeding gelijkelijk te verdelen. In de praktijk pakte dat direct al heel anders uit. Als beginnende stukgoedwerkers in de journalistiek – betaald per artikel, zonder contract of regelmaat – hadden we geen van beiden echte inkomenszekerheid. Met de komst van ons kind werd dat ineens een urgente kwestie. Zodoende accepteerde ik een fulltime baan bij een platenmaatschappij, en twee jaar later op de kunstredactie van Het Parool. Met als gevolg dat mijn vrouw alleen zat met ons kind, weliswaar freelancend van uit huis, maar toch, en ik Finn de eerste zes jaar van zijn leven vrijwel alleen in de weekenden zag. Net als mijn vader. Ik vrees dat ik al net zo weinig in het huishouden deed als hij. Al verschoonde ik met enige regelmaat een luier. Ik vermoed dat je het vooruitgang kunt noemen.

Na die zes jaar begon ik als zelfstandig journalist/auteur vanuit huis te werken. Ineens waren we allebei permanent thuis. Net op tijd voor het tweede kind.

Finn herinnert zich: ‘Ik was degene die steeds van huis ging, naar school of naar basketbal. En dat jullie er altijd waren, was een vanzelfsprekend gegeven. Het was wel heel fijn, want daardoor hoefde ik ’s middags nooit naar de buitenschoolse opvang. Van mijn vriendjes hoorde ik hoe megakut ze dat vonden. Vrijwel al mijn klasgenoten hadden ouders die allebei buitenshuis werkten. De moeders meestal in deeltijd, dat wel.’

Mijn zoon is net aan de levensfase begonnen waarin dergelijke afwegingen een rol gaan spelen. Recent afgestudeerd als psycholoog (Finn, ironisch: ‘Een wijvenvak’) aan de Universiteit van Leiden, werkt hij inmiddels als zorgcoördinator bij een ggz-instelling voor jongeren en jongvolwassenen. Hij woont samen met zijn eveneens afstuderende vriendin aan een Leidse gracht. Eventuele kinderen zijn nog niet aan de orde, maar vooralsnog zijn de huishoudelijke taken gelijkelijk verdeeld. ‘Dat is gewoon studentencultuur’, zegt hij daarover.

Toen mijn vader aan Nyenrode ging studeren, een kleine vijftien jaar voor het door Dolle Mina’s werd bezet, waren daar geen vrouwelijke studenten en slechts één vrouwelijke docent. ‘Ze was heel geliefd. Ze gaf typeles.’ Hij bekwaamde zich er in een nieuw vak: personeelsmanagement. Na afronding van de tweejarige beroepsopleiding die Nyenrode toen nog was, ging hij aan de slag bij een Amsterdamse bank.

De vrouwen op kantoor werden ongeacht hun leeftijd ‘de meisjes’ genoemd. En de meisjes kregen standaard twee contracten voor een tijdelijk dienstverband. Het eerste verliep op het moment dat ze trouwden, het tweede op het moment dat ze zwanger werden. Waarna het niet meer werd verlengd.

Toen ik in de prille jaren negentig mijn eerste (parttime) job in de dagbladjournalistiek kreeg, was de vrouw-manverhouding op de redactie nog een felbevochten punt van aandacht. Maar de onderwijsredactie van de krant, waarvan ik als freelancer deel uitmaakte, bestond goeddeels uit vrouwelijke verslaggevers, onder leiding van een vrouwelijke chef. Zelfs het mannenblad Nieuwe Revu, waar ik na enige omzwervingen terechtkwam, kreeg op een zeker moment een vrouwelijke hoofdredacteur.

null Beeld Paul Faassen
Beeld Paul Faassen

Finn debuteert op de arbeidsmarkt in een tijd waarin vrouwenquota en diversiteitsprogramma’s steeds vanzelfsprekender worden. Die werken doorgaans niet in het voordeel van een heteroseksuele witte man, zelfs al is-ie nog niet van middelbare leeftijd. Maar Finn heeft een beroep uitgekozen waarin zijn geslacht hem, zelfs nu nog, een voorsprong geeft. Psychologie en jeugdpsychologie in het bijzonder gelden als ‘typische’ vrouwenvakken. Finns mastertraject werd gevolgd door 3 mannen tegen 55 vrouwen. Terwijl juist mannen vaker dan vrouwen gebukt gaan onder niet zelden ernstige mentale problemen, zoals depressies of verslavingsproblematiek. Zo’n 75 procent van alle zelfmoorden betreft mannen. In de VS spreekt men inmiddels van een stille epidemie, die voor een belangrijk deel te wijten zou zijn aan het wegvallen van traditioneel mannelijke beroepen.

Het tijdschrift Psychology Today 2017: ‘In de huidige economie is het voor veel mannen moeilijk de rol van kostwinner te vervullen. Dat tast hun eigenwaarde aan en maakt ze doelloos waardoor ze de zin van het leven niet meer inzien.’ Wat paradoxaal genoeg weer carrièrekansen schept voor mannen die een traditioneel vrouwelijk werkterrein kiezen.

Finn zegt: ‘Ik heb nooit stilgestaan bij het feit dat ik een man ben. Als cis-man was dat vanzelfsprekend. Op de basisschool heb ik wel nog rekening gehouden met de mogelijkheid dat ik gay kon zijn. Niet omdat ik daar aanwijzingen voor had, maar gewoon: it could swing both ways. En toen ik in groep 5 of 6 voor het eerst verliefd werd op een meisje was dat ook geen kwestie meer. Dat genderdebat moest toen nog op gang komen, dus sekse stond helemaal niet ter discussie. Maar in mijn huidige werkveld word ik er voortdurend aan herinnerd. Ik ben daar een van de weinige kerels.

‘Kijk, volgens de geldende conventies ben ik geen stoere vent. Ik heb geen tatoeages en draag geen leren jas. En werken met kinderen wordt ook niet als iets mannelijks gezien. Maar het feit dat ik daar schijt aan heb en gewoon mijn eigen weg volg, vind ik eigenlijk ook best stoer en in die zin heel mannelijk. Het is maar hoe je het definieert.

‘Er is een foto van zanger Iggy Pop waarop hij in een frivool jurkje poseert en een handtas draagt. Iggy’s commentaar: ‘Ik schaam mij niet om me als vrouw te kleden, omdat het niet beschamend is vrouw te zijn.’ Ik heb dat altijd het toppunt van machismo gevonden. Daar kunnen geen tatoeages of leren jassen tegenop.

‘Het is niet altijd makkelijk, hoor’, vervolgt Finn. ‘Omdat er toch ook nog wel een klassiek manbeeld in mijn hoofd zit. Een kerel met een dikke baard die niet gehinderd door emoties met rigide pragmatisme op zijn doel afkoerst. Een strijder. Het anker van zijn familie. Het een is lastig in overeenstemming te brengen met het ander.’

Het is wonderlijk hoe zijn observatie ondanks het leeftijdsverschil van 61 jaar resoneert met de opvattingen van mijn vader. Ook hij zegt nooit bij zijn mannelijkheid te hebben stilgestaan. Maar nu ik hem daartoe aanzet wil hij zijn bevindingen best delen. ‘De man is rationeel’, doceert Hans, ‘en de vrouw is emotioneel. Daar kan een heleboel uit worden verklaard. Een tweede aspect is fysiek van aard: de man is krachtig, hij doet het zware werk. Je moet het mannelijk lichaam als een instrument zien, geschikt om doelen te bereiken en plannen uit te voeren. De vrouwelijke fysiek daarentegen is van nature zwakker en wordt verder geplaagd door haar maandelijkse stonden, plus bevallingen en op latere leeftijd overgangsklachten. Een logisch gevolg van die verschillen is dat mannen fysieke maar ook planmatige taken van de vrouw overnemen.’

Ik frons mijn wenkbrauwen. ‘Is dit de werkelijkheid zoals je die aantreft?’, vraag ik hem. ‘Of de werkelijkheid zoals-ie volgens jou zou moeten zijn?’

Hans: ‘Zoals ik hem aantref. Zo ervaar ik het.’

Ik merk dat ik een tikkeltje geschokt ben door mijn vaders nogal 19de-eeuwse mensbeeld. Dat hij geen geitenwolgesokte progressief is, was mij natuurlijk al bekend. In de gepeperde discussies die ik in mijn tienerjaren met hem had, nam hij steevast stellingen in die hem op de rechterflank van het CDA positioneerden. Maar in de loop der jaren zijn zijn opvattingen over zaken als religie, monarchie en (homo-)seksualiteit radicaal veranderd. Ik nam aan dat zijn opvattingen over vrouwen en mannen automatisch mee waren veranderd, temeer omdat de tweede feministische golf bij ons in het Amsterdam van de jaren zestig over de drempel klotste. Nu blijkt dat hij zijn voeten droog heeft gehouden. Hoewel onomwonden trots op de carrière van zijn (schoon)dochter en het vrijwilligerswerk dat mijn moeder op 77-jarige leeftijd nog altijd verricht, lijkt de emancipatie aan hem voorbijgegaan. Hij verklaart: ‘Het is een beetje als met die coronademonstraties. Je leest erover in de krant, je ziet het op het nieuws, maar je neemt het ter kennisgeving aan en je gaat gewoon verder met je eigen leven.’

Hij vertelt hoe hij in de jaren vijftig stage liep bij de Koninklijke Sphinx in Maastricht, waar keramiek werd geproduceerd. De fabriek had in die tijd nog kinderen in dienst. Na het voltooien van de lagere school konden ze – 12, 13 jaar jong – direct aan de slag. Hans: ‘Maar een dag per week werden ze van werk vrijgesteld om een minimale vervolgopleiding te doen. Jongens en meisjes werden dan van elkaar gescheiden. De school van de meisjes heette Mater Amabilis, ofwel liefderijke moeder, die van de jongens Pater Fortis, sterke vader. Die rolverdeling was daar al bepaald.’

‘En daar houd jij je 65 jaar later nog aan vast? Je zult met me eens zijn dat die kinderarbeid ook geen goed idee was.’

Hans lacht verontschuldigend. ‘Nee, toch vind ik nog steeds dat moederschap de primaire taak van de vrouw is.’

Mijn vader was 5 toen de oorlog uitbrak. Hij woonde in Schalkhaar, een dorp nabij Deventer, met een broer en uiteindelijk drie zusjes, in een huis dat ‘door de moffen’ werd gevorderd. Als kleine jongen ging hij met zijn vader, mijn opa Jan, er met de fiets op uit om bij boeren in de buurt voedsel te regelen. Bij de brug over de IJssel hebben ze meermaals moeten wegduiken voor beschietingen van overvliegende Spitfires. Het vertrouwen in zijn vader was zo onwrikbaar dat hij tijdens die beschietingen nooit angst heeft gevoeld. ‘Ik dacht altijd: met vader kan mij niks overkomen. In mijn ogen was hij een soort Superman.’

Het zou psychologie van de koude grond zijn om zijn hele wereldbeeld te herleiden tot die incidenten. Niettemin geeft het reliëf aan die Pater Fortis.

Het een heeft vast niet met het ander te maken, maar Hans is ook de laatste krijger van de familie. Letterlijk. Hij heeft het uniform van de Koninklijke Landmacht gedragen tijdens zijn militaire dienst. Heel krijgshaftig was die periode niet. Hij werd ingedeeld bij de dienst Welzijnszorg, en bracht het grootste deel van zijn diensttijd door in een kantoorbarak. Maar toch. Een militair. Een strijder.

Toen ik voor mijn nummer moest opkomen was ik vastbesloten dienst te weigeren. Dat bleek niet nodig toen ik, zoals de meeste jongens van mijn generatie, buitengewoon dienstplichtig werd verklaard. Ik droeg een button waarop ‘Fuck the army’ stond.

Voor Finn is het concept van de man als krijger volstrekt achterhaald. ‘Met uitzondering van de Tweede Wereldoorlog heb ik dat krijgsgeweld altijd alleen maar dom gevonden. Die zinloze slachtpartijen in de loopgraven, de middeleeuwers die op een veldje afspraken om elkaar de hersens in te slaan, what the fuck man. Ik ben opgegroeid in de nasleep van 9/11 en heb de Amerikanen, die voor jullie nog de ‘bevrijdende helden’ waren, alleen maar militaire blunders zien maken, waar voornamelijk burgers het slachtoffer van werden. Daar was niets heldhaftigs aan. Ik identificeer mij daar helemaal niet mee.’

Van geweld naar seksueel geweld is een kleine stap. Niet alleen in oorlogen, maar ook in de conversatie. Ik vraag mijn vader en zoon wat ze van de #MeToo-discussie hebben meegekregen.

Hans: ‘Ik heb mij naar aanleiding daarvan de vraag gesteld of ík weleens over de streep ben gegaan. De conclusie was, in alle eerlijkheid, dat ik niet zou weten hoe, wat of wanneer. Het zou niet in mijn hoofd opkomen om me te misdragen.’

Finn: ‘Het is goed dat #MeToo mannen met de neus op de feiten heeft gedrukt. Ik was ooit op een hockeyfeest, ik denk dat ik een jaar of 17 was, en daar sprak ik een meisje aan. Zij maakte al vrij snel duidelijk dat ze geen interesse had. Ik had een film in mijn achterhoofd waarin een kerel in een vergelijkbare situatie bleef aandringen, en dat het meisje toen alsnog toehapte. Dat maakte me op dat feestje heel confused: speelde ze nou hard to get? In de studentenwereld is de consensus inmiddels: when in doubt, just don’t.’

Hans: ‘In mijn tijd speelde dat überhaupt niet. Ik heb voor ik trouwde nooit seks gehad. Nou ja, ik heb natuurlijk wel vriendinnetjes gehad met wie het niet veel scheelde. Maar voor het zover kwam zeiden we: ‘Nee, dat kan echt niet.’ Want seks kon alleen binnen het huwelijk. Mama en ik hebben ook bewust geen seks gehad voor we getrouwd waren. We wilden onze ouders daar niet mee belasten. En het hoorde nou eenmaal niet.’

Finn: ‘Ik kan me ook voorstellen dat de mensen toen nog dichter bij het geloof stonden, en dat het een soort religieuze plicht was om kinderen te verwekken.’

Hans: ‘Ja, natuurlijk. Het aangename van seks was ook helemaal niet aan de orde, daar werd niet over gesproken. Je had ook geen seks, maar gemeenschap om kinderen te verwekken. Dat was maatschappelijk gezien de enige reden.’

Door die maatschappelijke, religieus geïnspireerde façade van zedigheid werd een wereld van seksueel misbruik aan het oog onttrokken. De katholieke kerk is de afgelopen decennia bijkans als pedonetwerk ontmaskerd, en ook in andere religieuze gemeenschappen kon het alziend oog van God niet voorkomen dat vrouwen en kinderen op grote schaal werden misbruikt. Maar ook in seculiere kring bestond het idee dat de man récht had op seks. Zo bestond verkrachting tot 1991 juridisch alleen ‘buiten de echt’. Tot dan toe was de huwelijksakte een vrijbrief voor seks, desnoods onder dwang.

Hans: ‘Tegenwoordig lees je nog weleens dat vrouwen hun echtgenoot voor verkrachting aanklagen. Maar vroeger bestond dat niet eens. De aanname dat als de vrouw geen zin had ze maar zin moest máken hoefde ook niet beargumenteerd te worden. Daar werd niet over gepraat. Het was gewoon zo.’

Finn: ‘Het is met al die religieuze voorschriften: uiteindelijk rijmen ze niet met de menselijke driften. Je noemt het ‘gemeenschap’ en zegt dat het moet van God, maar uiteindelijk ging het gewoon om kerels die geil waren en van hun vrouw geen nee duldden.’

Ik memoreer het gesprek dat we aan tafel hadden, over de onveiligheid die zelfs de jongste vrouwen uit onze familie op straat ervaren, en de gêne die je als man voelt wanneer je met die angst wordt geconfronteerd. Schamen wij ons weleens om man te zijn?

Hans: ‘Nee hoor. Ik zeg altijd: ‘I am what I am, I’m Popeye the sailor man’.’

Finn: ‘Ik zou niet weten waarvoor ik mij zou moeten schamen. Ik reken mijzelf de daden van mijn voorgangers niet aan. Maar ik baal wel als vrouwen zich onveilig voelen door mijn aanwezigheid. Dan voel ik wel iets van plaatsvervangende schaamte.’

Ik heb een baard(je), tatoeages en een leren jas. Dat jack draag ik niet vaak meer, maar toch: als Finn kenmerken van een klassieke man opsomt, beschrijft hij mij. Onbewust, zegt hij. Anders dan mijn vader houd ik van ‘typische’ mannendingen. Ik houd van de competitie tussen mannen onderling en van de dynamiek tussen mannen en vrouwen. Ik ben zo binair als een algoritme. Daarbij noem ik mezelf onomwonden feminist. En sinds mijn wederhelft buiten de deur werkt, neem ik het leeuwendeel van het huishouden op mij. Ik moet concluderen dat de man die ik ben niet het product van mijn opvoeding is. Ik deel mijn vaders voorkeuren noch zijn opvattingen. Zoals ik de mijne niet een op een aan Finn heb overgedragen. Als het op sekseverhoudingen aankomt zijn wij alle drie meer kinderen van onze tijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden