De smeltende mokkataarten van Asir

De natuur én de cultuur van Asir staan op zichzelf in Saudi-Arabië. Het is een provincie waar de ochtenden kil zijn, waar vrouwen ongesluierd op het land werken en waar vooral bouwers wonen....

gfsfc,60,0,0,00 EGIN JAREN tachtig besloot koning Fahd van Saudi-Arabië een nieuw zomerpaleis aan zijn collectie toe te voegen. Om te ontsnappen aan de helse hitte waaronder zijn rijk 's zomers gebukt gaat, liet hij zijn oog vallen op de koelste plek van het land, op de 3200 meter hoge berg Souda in de westelijke provincie Asir. Als het hoogste punt van de bergkam die de stad Taif in het noorden verbindt met Jemen in het zuiden, is dit inderdaad een vorstelijke locatie.

Het paleis dat Fahd liet bouwen, kijkt uit over de vijftig kilometer tussen Souda en de Rode Zee, een landschap van rotspartijen en peilloze ravijnen, doorsneden door brede wadi's die 's winters woest langs dorpen en terrasvelden kolken. De hoge neerslag maakt Asir tot een groen gebied, een ongewoon gezicht in Saudi-Arabië. De ochtenden zijn er kil, wanneer mistbanken vanaf de kust tegen de bergwanden opkruipen en de sparren en jeneverstruiken druipen van de dauw. De middagen zijn aangenaam warm, vervuld van zware boslucht en gekrijs van zwarte wouwen, vale gieren en bavianen.

De koning heeft er niet van genoten. Sterker, hij is er zelfs nooit aan toe gekomen zijn uit grijs marmer opgetrokken paleis te bezoeken, ook al deed het negentig man sterke personeel drie jaar lang nog zo zijn best om het er gezellig en schoon te houden. In 1985 werd het voor een zacht prijsje verkocht aan Inter-Continental, waarmee de hotelketen een enorme slag sloeg. Sindsdien is het hotel elke zomer volgeboekt met rijke Saudische toeristen, die de stranden van Biarritz hebben verruild voor een vakantie in eigen land.

Muhammed al-Mutairi en zijn broer zijn net aangekomen uit het snikhete Dhahran. Vanaf het uitkijkpunt in het Asir National Park tuurt Muhammed de 1200 meter dieper gelegen Wadi Hali in. 'Ach, waarom zou ik naar Europa gaan', zegt hij. 'Het is hier zeker zo rustig.' Achter hem zijn drie zwarte rotsen neergestreken in het landschap, de zwaargesluierde vrouwen van de broers en hun moeder. In het keurig aangelegde park bereiden de vrouwen de populairste vrijetijdsbesteding in de Arabische wereld voor: de familiepicknick. Jongens vullen kuilen in het zand met gloeiende houtskool en schapenbouten, kinderen hollen schreeuwend rond. Tot het Allahu Akbar klinkt, de mannen op de parkeerplaats voor het gebed bijeen drommen en voor vijftien minuten de rust neerdaalt. Vakantie of niet, wie het gebed verzuimt, krijgt het aan de stok met de religieuze politie, en deze mannen zijn lang niet mals.

Hoe vreemd eigenlijk zijn de rigide mores van deze toeristen in Asir, dat niet alleen wat betreft de natuur, maar ook de cultuur niets weg heeft van de rest van Saudi-Arabië. Alleen hier kun je vrouwen zien werken, sommige zelfs ongesluierd, op het land of in de soek van Najran, waar je ze gekscherend sadiqa, vriendin, mag noemen en ze heupwiegend demonstreren hoe bedoeïenenmeisjes hun juwelen dragen. In Riyad zou dat stokslagen opleveren, hier slechts het hoofdschudden van de ouderen.

Asir is vooral een land van bouwers. Dat wordt duidelijk wanneer ik mijn huurauto, nadat deze de loodrechte afdaling vanaf Souda heeft overleefd, de Wadi Hali in rij, het stamgebied van de Rijal Alma, ofwel de Mannen van Alma. De toegang tot de vruchtbare wadi wordt bewaakt door een uit donkergrijze stenen opgetrokken, gedeeltelijk vervallen wachttoren. Erachter liggen groene terrassen, die de toren nog niet zo lang geleden geacht werd te beschermen, en rijzige vestinghuizen. Sommige zijn vier verdiepingen hoog en versierd met geometrische stijlfiguren van kwarts.

In Asir heeft elke stam en streek een eigen bouwstijl en decoraties. Elders vormt de klei van de wadi het belangrijkste bouwmateriaal. Het levert modderkastelen op, die als een bruidstaart van onder tot boven versierd zijn met minuscule afdakjes, bedoeld om het huis te beschermen tegen zon en regen. In Najran, bij de grens met Jemen, is deze bouwstijl geperfectioneerd in de vorm van taps toelopende zandkastelen met wit geschilderde kantelen en raampjes. De bouwers werden daarbij geïnspireerd door een mytische vogel uit pre-islamitische tijden, die voorkwam dat jinns en andere nare geesten door de openingen zouden binnendringen.

Maar de modernisatie eist haar tol. Bakstenen en prefab verdringen modder en natuursteen. Zeker de helft van de traditionele huizen in Asir wordt niet langer onderhouden en is aan zijn lot overgelaten, smeltend als mokkataarten in de hete zon of, zoals hier in Rijal Alma, opengeknapt als overrijpe tomaten.

Ik parkeer bij een cafetaria in het centrum van het dorp. De oude man die ik even later ontmoet, klaagt. Over de bergweg waarmee 'de Saudi's' tien jaar geleden Rijal Alma ontsloten, waarna minstens de helft van het dorp wegtrok naar de stad. Over de Saudi's die nu 's zomers naar zijn dorp komen om de restanten te bezichtigen van een bouwcultuur die op sterven na dood is. Over de jeugd die haar Asiri-cultuur heeft verruild voor Coca Cola en de mode uit Riyad. Zelf draagt hij nog met trots zijn jambiyya, het korte zwaard waarmee de Mannen van Alma vroeger huis en haard verdedigden tegen vijanden. En nog steeds verricht hij zijn oude beroep: het inmetselen van steen en kwarts in uitgeholde boomstammen, ter decoratie van deurposten.

Nadat hij nog een kopje scherpgeurende qirsh heeft geschonken, een van koffieschillen getrokken drank, vertelt hij in bijna koranisch Arabisch over de tijd van zijn ouders, toen handelskaravanen vanuit Jemen via de wadi in Rijal Alma arriveerden. 'De tijden waren beter toen', zegt hij. 'Ook al zat het Turkse leger op de bergpassen boven ons en moesten de mannen van het dorp iedere avond de wachttorens in. We vochten veel, maar we hadden tenminste onze vrijheid nog. Maar de Saudi's, ach, die pissen daar op.'

We lopen naar een 150 jaar oud huis waarop 'Permanente Tentoonstelling' staat, een initiatief van de bewoners om hun historisch erfgoed te gelde te maken. Wellicht komt er binnenkort een kabelbaan voor toeristen vanaf Souda, zoals elders al is gebeurd. Nu is het er nog vredig. Het huis is gebouwd als een vesting: kleine ramen, lage deuren. De loden kogel die naast de blauwgele voordeur hangt, kon vanaf de vierde verdieping naar beneden worden gekeild, bovenop op het hoofd van de indringer. Vanaf het dakterras wijzen zes geschutskoepels op potentiële doelwitten: de wadi, de weg, de buren. Relikwieën uit de goeie ouwe tijd, toen niemand te vertrouwen was.

0 IET overal is de teloorgang van de Asiri-cultuur zo ver gevorderd als in Rijal Alma. Zo'n 150 kilometer naar het zuiden ligt het stamgebied van de Tihama Qahtan, in de ecologische nis tussen het hooggebergte en de kuststrook. Deze stam, wiens oorsprong terug gaat naar de tijd ver voor de islam, is altijd extreem territoriaal gericht geweest en onverdraagzaam jegens buitenstaanders. Toen hun 'hoofdstad', al-Farsha, in 1985 ontsloten werd door een asfaltweg, sloegen de schaapherders uit machteloze woede met hun stokken tegen de graafmachines van de Koreaanse wegarbeiders.

Twee dagen later sla ik bij het dorp Sarat Abidah van de hoofdweg af richting al-Farsha, op weg naar de stam wiens mannen ijdel zijn als vrouwen. Op marktdagen zijn ze in de steden van Asir gemakkelijk te herkennen aan hun gestreepte bonte kilts en indigo omslagdoeken, hun steile haar, ingekruld en ingevet met boter en omkranst door takjes basilicum en jasmijn, goudsbloemen en vele andere plantensoorten. De onbesneden jongens dragen hun haartooi anders dan hun besneden leeftijdsgenoten.

De rituelen van de Qahtan, waar jongens pas tijdens de puberteit worden besneden, werden door de Britse ontdekkingsreiziger Wilfred Thesiger beschreven in Arabian Sands (1959): 'Zij stonden elk met hun benen wijd en de handen stevig in hun lange haar, en staarden bewegingloos en zonder ineen te krimpen naar de dolk die in de grond vóór hen was gestoken, terwijl een slaaf hun penis wreef tot hij stijf was, en daarna de huid van het hele orgaan afstroopte (. . .). Dan danste, sprong en huppelde de besnedene, terwijl het bloed langs zijn benen spatte.'

'Gebeurt dat nog steeds?', vraag ik mijn metgezel, een 35-jarige Qahtani uit Sarat Abidah, die spontaan aanbood mee te rijden naar al-Farsha toen ik hem de weg vroeg. 'In de dorpen niet meer', antwoordt hij kort. 'In de bergen zou kunnen.' We komen niet ver. De toegang tot al-Farsha wordt afgesloten door een bende onguur uitziende lieden, een lokale militie die door de regering wordt betaald om de smokkel met Jemen aan banden te leggen.

Op de terugweg lijkt onze tocht toch niet geheel vergeefs, wanneer ons pad wordt gekruist door een schaapherder met een oudtestamentisch voorkomen. Hij heeft een gelaat dat tegelijkertijd doorgroefd en fijngesneden is, met kohl bewerkte oogleden, een hoofdband van zilver en een hele kruidentuin als haartooi

Hij richt zich meteen tot mijn metgezel: 'Waar kom jij vandaan?' Deze antwoordt dat hij ook een Qahtani is, afdeling Sarat Abidah. 'Een Qahtani? Met die kleren?' De schaapherder buldert van het lachen. De aangesprokene lijkt zich ineens uiterst ongemakkelijk te voelen in zijn hagelwitte dishdasha met gouden manchetknopen, Saudisch kostuum stijl Riyad. 'Een Qahtani', schatert de schaapherder nog eens, dit keer naar zijn ongesluierde vrouw die vanachter een rots vandaan is gekomen. 'Hiii', lacht ze, terwijl de zilveren munten om haar getatoeëerde hoofd rinkelen.

We druipen langzaam af, terug naar de twintigste-eeuwse geborgenheid van de auto.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden