Kort verhaal

Dat de Summer of Love er zó uit zou zien, had Matteo’s vrouw nooit kunnen denken

De langverwachte slutty summer duurde in feite maar even, maar gelukkig hebben we de fictie nog. We vroegen zes auteurs met dit thema aan de haal te gaan. Vandaag: Esther Gerritsen en haar verhaal Summer of Love.

null Beeld Anna Boulogne
Beeld Anna Boulogne

We zouden naar dezelfde plek gaan als elke zomer, naar zijn geboortestreek in Italië. Hetzelfde hotel, dezelfde restaurants. Toch zou het nu anders zijn. Matteo’s laatste familielid daar, zijn oudere zus, was in de herfst overleden. Door de pandemie waren we niet naar de uitvaartdienst geweest. We hadden de plechtigheid via livestreaming bijgewoond.

Op mijn nieuwe grote iPad zagen we onze vrienden nerveuze toespraken houden. Het leek net fictie en we maakten ongepaste grappen dat het een slecht verhaal was, geen spanningsopbouw, wel goed gespeeld. Toen schreed de camera langs de open kist en werden we stil. Niet van ontroering. Het had iets onbetamelijks, Emilia dood op tv.

‘Ik zet hem uit’, zei Matteo.

Het bleef lang onduidelijk of we deze zomer dan ­tenminste haar graf konden bezoeken, of onze vrienden zien. Maar uiteindelijk namen de besmettingscijfers dan toch af, kleurden oranje gebieden weer geel. Matteo kreeg zijn vaccinaties ruim op tijd en verbazend vroeg kreeg ook ik mijn oproep, hoewel mijn leeftijdsgroep nog niet aan de beurt was. Blijkbaar had mijn huisarts bij mij het vakje Medische ­Indicatie aangevinkt.

Ik spreek mijn arts niet zo vaak meer, maar we kennen elkaar al heel lang. Ik zag hem al in de tijd dat ik slaapproblemen had en trillend om pillen vroeg. Hij kent mij van de keren dat ik het leven niet aankon, meestal was dat vlak voor de zomer. Ik was altijd slecht in zomers voor ik Matteo leerde kennen.

De laatste keer dat ik mijn huisarts sprak was dit voorjaar, wegens een onschuldige allergie. We beeld-belden en ik klaagde over de lockdown en dat ik nergens durfde te komen. Niet uit angst om ziek te worden maar wel om besmet te zijn en anderen te infecteren. Onmerkbaar een kwaad met me mee te dragen en te verspreiden.

Toen ik zo snel al mijn oproep kreeg, vermoedde ik dat hij had gedacht: O God, de zomer komt eraan, ze beeldt zich weer dingen in, laten we haar maar voorrang geven. Kortom, we waren er klaar voor om naar Italië te gaan. Daar, waar we elkaar hadden leren kennen, waar we gelukkig waren en we ons welkom voelden, daar wilde ik Matteo ten huwelijk vragen.

Ik kan het niet verdedigen, mijn huwelijkse verlangen. Het is net zo naïef en onlogisch als mijn geloof in God. En daarom juist. Ik kan mijn liefde voor Matteo ook niet verklaren. Honderden redenen kan ik aanvoeren waarom we niet bij elkaar passen. Ik begrijp hem vaak niet. Hij is net zo wonderlijk als de natuur zelf, net zo wreed en net zo prachtig, en hij hoort bij mij.

Toen ik wakker werd, was Matteo al uit bed, terwijl ik altijd als eerste op ben. Ik verwachtte dat hij met de hond weg was, maar toen ik opstond kwam Sendie me kwispelend tegemoet. ‘Waar is de baas?’, vroeg ik. Matteo’s telefoon lag nog op het nachtkastje. Misschien was hij de auto aan het inladen.

Eigenlijk wilde ik meteen naar buiten, Matteo zoeken. Maar ook wilde ik dat onbehagelijke gevoel in mijn maag niet vertrouwen, dus douchte ik eerst. Ik ben het gewend om me ellende in te beelden, dus heb ik mezelf geleerd om die niet altijd serieus te nemen. Ik waste mijn haar, dacht aan een hartaanval en ik haastte me niet.

Toen we buiten stonden, trof ik Matteo niet bij de auto. De hond trok en piepte, dus ik liet me door haar voorttrekken, misschien wist zij waar Matteo was. Het was rustig op straat, het leek wel zondag, terwijl het donderdag was. Toen ik op de gracht kwam, bleek de ­bakker nog dicht en mijn favoriete koffiehuis waar het ­altijd druk was, was gesloten. De vogels maakten meer kabaal dan gewoonlijk. Ze overstemden de menselijke geluiden. De hond bleef trekken.

Ik maakte haar riem los en vroeg: ‘Waar dan? Waar is hij dan?’ Maar toen ze wegrende was het naar een ­beschimmeld stuk pizza. ‘Los’, schreeuwde ik, maar ­Sendie rende verder met de pizza in haar bek, en rende zo het buurthuis in. Ik ging achter haar aan.

null Beeld Anna Boulogne
Beeld Anna Boulogne

Het was er druk, ik greep de hond, maar ze schrokte snel het stuk pizza op, voor ik het kon afpakken. Er kwam een vrouw op me af, met een thermoskan en een koektrommel. Of ik koffie wou. ‘Nee, dank u.’ Ik draaide me alweer om. Een oude man met een scheef gezicht schuifelde met zijn rollator naar me toe.

‘Ik geloofde het eerst ook niet hoor’, zei hij, ‘ze vertellen zoveel onzin tegenwoordig, maar zeker de helft is weg.’ Ik dacht dat ik hem niet goed verstond, ik knikte maar gewoon vriendelijk. De vrouw hield hem de koektrommel met speculaasjes voor. Sendie ging tegen haar op staan.

‘Niet bedelen’, ik trok haar naar beneden. ‘Geeft niet, hè Sendie.’ Ik keek verbaasd omdat ze de naam van onze hond wist. ‘Ja’, zei ze, ‘Matteo was hier gisteravond nog.’ Daarom was Sendie naar binnen gelopen, ze kende de weg.

‘Niemand wist dat het vannacht zou gebeuren, hoor’, ze legde een hand op mijn arm. Ik begreep niet waar ze het over had, en ik wilde ook niets vragen. Het leek me een verward persoon, waar je niet gemakkelijk van af kwam. Ik zou straks wel horen van Matteo wie ze was. Hij kende wel meer wonderlijke mensen. Ik glimlachte op mijn allervriendelijkst en zei dat ik toch echt moest gaan.

‘Misschien moet je eerst Matteo even spreken’, zei ze. Ze had mijn arm nu steviger vast. Ik keek op mijn ­telefoon, of Matteo misschien al thuis was en me ­probeerde te bereiken.

‘Ik moet nu echt gaan’, zei ik.

‘Wil je Matteo niet spreken?’

‘Ja, daarom.’

‘Nou dan, stel je niet aan en wacht gewoon op je beurt.’ Ze gaf me een klein blauw papiertje waar nummer 232 op stond. Een man verderop aan tafel stak net zo’n blauw papiertje omhoog.

‘Nummer 143’, riep hij, ‘wat heb jij?’ Ik ging uit van een misverstand, ik wilde het nummer teruggeven, maar de vrouw was al weggelopen om een nieuwe ­bezoeker te ontvangen.

‘Ik heb hier geen tijd voor’, zei ik tegen niemand in het bijzonder, keek weer op mijn telefoon, zag nu pas dat ik geen bereik had. Ik wilde naar buiten lopen, maar de oude man met de rollator greep mijn hand. ‘Ik heb geen haast’, zei hij, ‘neem mijn nummer’, hij ruilde onze papiertjes om. Nummer 15. Hij trilde.

‘Dank u wel’, zei ik maar, ‘dat is heel aardig van u.’ Ik hoorde iemand ‘Nummer 13’ roepen en ik zag een vrouw zich naar boven haasten.

Ik had nog steeds kunnen weglopen. Ik hoorde ­Matteo in gedachten al tegen me tekeergaan, dat ik niet altijd overal op in hoefde te gaan, dat ik me niet door elke zot moest laten meeslepen, dat ik ook nee kon zeggen.

Maar ik werd ineens nieuwsgierig. Als ik niet van nature zo nieuwsgierig was geweest, maar wel zo angstig als ik nu eenmaal ook ben, had ik een hoop gemist. Dan had ik Matteo nooit ontmoet. En ik was zo aan de beurt.

Op de eerste verdieping werd ik door een man in overall een kamer binnengelaten met een grote donkere glaswand. Hij sloot de deur achter me, en ik wilde eigenlijk al weer weg, maar toen lichtte de wand op, en zag ik Matteo.

Hij zat op een rotan stoel en hij droeg de kleren die hij gisteravond klaar had gelegd. Even leek het alsof hij gewoon aan de andere kant van de glazen wand op me zat te wachten. Maar achter hem was een raam waardoor zonlicht naar binnen scheen, terwijl het bij mij bewolkt was.

‘Waar ben je?’, vroeg ik.

‘De verbinding is goed’, zei hij. De hond piepte. Ze herkende zijn stem.

‘Waar ben je dan?’

‘Als ik het je zeg, geloof je me toch niet.’

‘Wil je me gewoon antwoord geven?’

‘Ik heb het je het afgelopen jaar zo vaak proberen te vertellen, maar je wilde het niet horen. Je moet zo de stad ingaan en het zelf ervaren. Ja?’ De hond jankte zacht en zocht waar het geluid vandaan kwam.

‘Wil je alsjeblieft gewoon vertellen waar je bent?’

‘Het hoeft niet zo erg te zijn’, zei Matteo, ‘de verbinding is goed.’ Hij glimlachte. Ik keek hem alleen maar verbijsterd aan. Ik wilde wegrennen, naar huis, om hem daar aan te treffen, daar waar hij hoorde te zijn, maar ik bleef verstijfd staan en staarde maar naar hem.

‘Niet schrikken’, zei hij. Ik voelde een hand op mijn been en sprong opzij, keek om me heen, maar ik was nog steeds alleen in de ruimte met de hond.

‘Kijk naar mij’, zei Matteo. Toen zag ik hoe hij zijn hand uitstrekte en een strelende beweging maakte, die ik voelde.

‘Hoe kan dit?’

‘Kijk nou niet zo bang’, zei hij, ‘ik zei toch, de verbinding is goed.’ Toen voelde ik een hand onder mijn rok en zag tegelijkertijd de zijne bewegen.

Matteo leunde naar voren: ‘Dit is livestreaming 2.0.’ Ik zag zijn vingers zoeken en ik voelde wat hij deed. Het liep synchroon. Ik hoefde het alleen maar te ­accepteren.

‘Hoe kan dit?’, vroeg ik weer. Ik kreunde zacht, ook al wou ik niet kreunen, maar mijn lichaam reageerde te vertrouwd op zijn aanraking.

‘Ik ben ver weg’, zei Matteo, ‘maar er is online zoveel mogelijk.’ Ik dacht aan Emilia die we dood hadden gezien online en hoe onbehoorlijk we dat hadden ­gevonden. Ik sloeg Matteo’s hand weg. Of dat wat op zijn hand leek. Ik begreep niet wat er allemaal gaande was, ik begreep alleen dat het me niet beviel. Ik stapte boos naar het scherm.

‘Niet aanraken’, zei Matteo, maar het was al te laat. Mijn hand raakte het glas aan en meteen werd het scherm zwart. Onmiddellijk daarna kwam de man in overall binnen.

‘Waar is dat nou toch voor nodig?’ Met een tissue veegde hij mijn vingerafdrukken van het scherm. ‘Jullie verpesten het voor jezelf.’ Hij gaf me een kaartje. ‘Hier staat uw volgende afspraak. Zodra de app klaar is, krijgt u een QR-code, voor nu even zo. Ik ga ervan uit dat u zich morgen beter gedraagt.’

Ik deed wat Matteo had gezegd en ging de stad in. Ik liep eerst rustig door nogal lege straten, ik zag dichte winkels en weinig voorbijgangers. Er was niet per se iets heel vreemds te zien, er was vooral allerlei gewoons wat ontbrak. Een steeds groter wordend gemis.

En toen rende ik. Ik rende met Sendie aan mijn zijde. Ik rende, want ik wilde naar mijn dochter, die nu in het huis van haar vader hoorde te zijn. Dan maar zo meteen worden uitgelachen omdat ik plots door die grote angst werd overspoeld. Kalm blijven was geen optie meer.

De hond was er als eerste. Ze herkende de voordeur, maar ze ging niet tegen de deur op staan zoals anders. Ze ging niet piepen. Ze rook haar niet. Ik belde aan en niemand reageerde. Ik hoefde het alleen maar niet te geloven.

Ik zocht als een bezetene naar verklaringen, en ik zei tegen mezelf: Dit is de zomer waarin alles goed zou zijn en ik kan zoveel geluk niet aan, zoiets moet het zijn. Ik ben slecht in zomers en goed in inbeelding.

Ik moest de gedachte dat ik door iedereen was verlaten behalve mijn hond, gewoon even negeren. Ik zou mijn verbeelding niet uit de hand laten lopen en ik belde mijn huisarts. De assistente nam op en zei mij dat mijn huisarts vandaag helaas niet was komen opdagen.

Esther Gerritsen schrijft romans en verhalen, en is columnist voor de VPRO Gids. Haar nieuwste boek ‘De terugkeer’ verscheen vorig jaar bij uitgeverij De Geus.

null Beeld Anna Boulogne
Beeld Anna Boulogne

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden