Prince in 2011
Prince in 2011 © EPA

My Name Is Prince gaat alleen over Prince zelf - en toch blijft hij heel ver weg

Veel schoenen met hakken van 15 centimeter, maar weinig Prince Rommelige expositie in Londen ontbeert zeggingskracht.

In augustus 2007 gaf Prince 21 concerten in de Londense O2 Arena. Een recordaantal van 450 duizend bezoekers zag de popster uit Minneapolis optreden onder hetzelfde dak als waar vrijdag de tentoonstelling My Name Is Prince is geopend. Een kadootje van de erven Prince en het Paisley Park Estate, die Londen uitverkozen als eerste stad voor een grote tentoonstelling over Prince, die in april 2016 overleed.

Zo'n driehonderd gitaren, kostuums, schoenen en andere voorwerpen zijn in de O2 tot en met 7 januari te bezichtigen. Aanvankelijk zou de expositie ook slechts 21 dagen openblijven, maar er zijn nog een paar maanden aan vastgeplakt.

My Name Is Prince

Tentoonstelling

O2 Arena, Londen, t/m 7/1.

Het is vrijdagochtend, wanneer de expositie opent, best druk, maar de animo is niet te vergelijken met die voor David Bowie Is, de expositie die in 2013 aan de andere kant van Londen in het Victoria & Albert Museum aan een zegetocht over de wereld begon.

My Name Is Prince, waar naar verluidt een jaar aan is gewerkt, ontbeert ook de zeggingskracht van David Bowie Is. Wat je ziet is vooral een grote collectie outfits die Prince droeg tijdens zijn tournees, veel gitaren, een flinke verzameling schoenen, platenhoezen en tv-schermen waarop overbekende clipjes en concertopnamen worden vertoond.

Middels de verstrekte 'headsets' is de geschiedenis van Prince te horen. Althans, zo lijkt het. Veelbelovend horen we Prince zelf even in een zeldzaam interviewfragment praten over zijn jeugd. Te zien valt er in die eerste ruimte eigenlijk weinig.

Waar zijn Wendy & Lisa en Morris Day en zijn band The Time, die in die jaren voor Prince zo belangrijk waren?

Het verhaal van de beginjaren van Prince, tussen 1977 en zijn doorbraakplaten in 1981, Controversy, en 1882, 1999, is aardig. We staan stil om een van de vele Madcat Hohner Telecasters van Prince te bekijken. Zijn lievelingsgitaar, waarvan hij het eerste exemplaar ooit voor 30 dollar bij een benzinepomp had gekocht.

We naderen dan de grootste commerciële piek in de loopbaan van Prince: album en film Purple Rain (1984). Natuurlijk krijgen we de paarse pakken uit die tijd te zien, maar wat ontbreekt is een context. Waar zijn Wendy & Lisa en Morris Day en zijn band The Time, die in die jaren voor Prince zo belangrijk waren? Nergens te zien en te horen. My Name Is Prince gaat alleen over Prince zelf.

Ook dat verhaal kent in de expositieversie grote hiaten. Zo stappen we van Purple Rain ineens bij Sign o' the Times (1987) naar binnen, de 'perzik en zwart'-fase, die met de juiste kleuren recht wordt aangedaan.

Veel etalagepoppen zonder hoofd met kleurrijke Prince-uitdossingen en schoenen met hakken van gemiddeld 15 centimeter

Ineens zijn we in 1996, bij de driedubbelaar Emancipation, en hoor je door de koptelefoon: 'tot het einde van de eeuw zou Prince nog vijf albums uitbrengen'. Of en hoe zijn muziek zich na 1996 ontwikkelt: geen woord meer. Dus richten we onze aandacht maar op wat er nogal lukraak in de centrale exporuimte is uitgestald. Veel etalagepoppen zonder hoofd met kleurrijke Prince-uitdossingen en schoenen met hakken van gemiddeld 15 centimeter. Nog meer gitaren.

Aan het eind van de rommelige tentoonstelling is een ruimte gewijd aan Paisley Park zelf, het huis en de studio die Prince voor zichzelf liet bouwen in Minneapolis en waar hij overleed. Treurig kale, lege foto's zonder Prince. Symbolisch voor de hele tentoonstelling. Je hoort hem overal, ziet zijn kleding en zijn spullen en toch blijft hij heel ver weg.