Hoop op de mieren
© Marcel van den Bergh

Hoop op de mieren

Interview theatermaker Dries Verhoeven

Bij grote dramatische gebeurtenissen zoomen media altijd in op het persoonlijke leed, maar wat nou als je dit weglaat? De gelauwerde theatermaker Dries Verhoeven maakte hierover een indrukwekkende installatie.

Je ziet hoe het individuele leed ten dienste staat van ons collectief welzijn

Oekraïne kon natuurlijk niet ontbreken in de serie van 44 mondiale brandhaarden en pijnplaatsen die Dries Verhoeven verwerkte in zijn installatie Homo Desperatus. Een halfjaar geleden niet, toen het kunstwerk werd vervaardigd, en nu al helemaal niet. De vliegramp slingerde het particuliere leed dat voortvloeide uit andermans strijd bruut de Nederlandse huiskamers in.

Hoe groot ook de emoties die de ramp losmaakte, het ligt niet in de lijn der verwachting dat de Russische separatisten de wapens nu deemoedig neerleggen. Evenmin is het voorstelbaar dat Poetin zich de komende tijd ontpopt als een betrouwbare bondgenoot. Zij hebben een doel op lange termijn, een plan dat het collectief naar een hoger niveau moet helpen - in hun eigen ogen welteverstaan. De doden van vlucht MH17 zijn daarbij slechts collateral damage; bijkomende schade.

Precies daarover gaat de theatrale installatie van Dries Verhoeven in het Stedelijk Museum van Den Bosch. Verhoeven liet 44 plekken van collectief menselijk leed nabouwen op schaal en plaatste de modellen in vitrines - van de ingestorte kledingfabriek in Bangladesh tot het gevangenenkamp van Guantánamo Bay. In elk van die maquettes liet hij een mierenkolonie los. Als het aankomt op overleven, zijn mieren een van de succesvolste diergroepen op aarde. Wanneer hun ingenieuze nest instort, hebben ze binnen de kortste keren een nieuw onderkomen gebouwd.

Opgeofferd voor het collectief
'Er is geen diersoort ter wereld die zo goed met rampen weet om te gaan als de mier', zegt theatermaker en beeldend kunstenaar Verhoeven. 'Individuele mieren worden opgeofferd voor het welzijn van het collectief. Elke mier heeft een eigen taak. Een klein deel van hen lijkt niet veel uit te voeren, maar het is hún werk de kolonie veilig te stellen in tijden van gevaar. Waar gaat de koningin naartoe? Waar laten we het broedsel? Waar halen we eten? Desnoods verdrinken ze zichzelf om een brug te vormen voor de groep. De dode mieren worden dan door hun soortgenoten gebruikt als bouwmateriaal. Ze zijn meedogenloos in hun opoffering.' Lijdende soortgenoten zijn niet meer dan, inderdaad, collateral damage.

In de 44 vitrines krioelen naar schatting 70 duizend mieren. Dries Verhoeven kocht ze in Duitsland bij een gespecialiseerd bedrijf. De maquettes zijn gemaakt van gips, een materiaal dat vaak wordt gebruikt in de mierenhouderij - er zijn particulieren die de insecten houden als huisdier. De mieren kunnen gangen graven in het gips, zoals ze bijvoorbeeld doen in de maquette van coltanmijnen in Congo.

De luchttemperatuur, de voedselvoorziening en de ventilatie zijn minutieus geregeld. Elke dag worden de insecten gevoerd met fruitvliegjes en een soort suiker.

De kolonies bestaan enkel uit vrouwtjesmieren en hebben elk een eigen koningin. Zij legt de eitjes en bepaalt hoeveel mannetjes er worden geboren voor de bevruchting. De schalen van de uitgekomen eitjes worden verzameld en naar een soort vuilnishoop gebracht. In de vitrines is dat meestal een plek zo ver mogelijk van de koningin af. Ook dode mieren en doodzieke mieren worden verzameld en afgevoerd door hun soortgenoten, meestal naar een hoekje van het verblijf.

Het gedrag van de menselijke soort fascineert hem al jaren. 'Als er een ramp gebeurt, zoomen wij in op het drama van het individu. Of het nu het instorten van een fabriek betreft, een tsunami of een gewapend conflict, de media presenteren dat soort situaties vaak als tragische incidenten. Ik probeer juist uit te zoomen en de nadruk te leggen op systemen die aan de rampspoed ten grondslag liggen. Iedereen vindt het instorten van die kledingfabriek in Bangladesh een tragedie, maar stel dat daardoor geen goedkope T-shirts meer kunnen worden gemaakt in dat land. Dan halen we ze wel ergens anders.'

'Homo vestem faciens', vermeldt het bordje bij de vitrine 'Bangladesh', kleermakende mens. 'Komt tegemoet aan de wereldwijd gestegen vraag naar betaalbare kleding. Incidenteel bezwijkt een bouwstructuur door de grote bedrijvigheid ter plaatse.'

Met de professionele concentratie van een arts in een ziekenzaal loopt Verhoeven tussen de maquettes. 'Kijk', zegt hij, terwijl hij zich over een vitrine buigt, 'ze hebben eieren gelegd in de kernreactor van Fukushima.' De zaal is zo goed als donker, op een streep licht aan het plafond na die in drie kwartier van de ene kant van de zaal (het oosten) naar de andere (het westen) beweegt: een dag-nachtritme voor de insecten. De vitrine waarop de lichtstreep valt, licht op en trekt de publieke aandacht.

Tegelijkertijd zendt een minicamera in de betreffende vitrine live-beelden uit van de mierenkolonie, die worden geprojecteerd op een groot scherm. We zien even kriebelige als ijverige mierendivisies op uiteenlopende ramplocaties als een Syrisch vluchtelingenkamp, het Westgate winkelcentrum in Nairobi, de coltanmijnen in Congo, het Amazonegebied, Lampedusa, een Amerikaans afkickcentrum en het nationale parlement van Kiev, Oekraïne. In de laatste heerst de 'Homo politicus': 'Machtsevenwicht binnen de populatie tijdelijk verstoord, mede onder invloed van de naburige Russische soort. Om politieke en economische verhoudingen niet te veel te verstoren, is er weinig animo tot ingrijpen bij westerse soorten.'

Collectief welzijn
Nederland is onder meer vertegenwoordigd met de 'Homo terramotus'; de maquette is die van Tjamsweer, het dorp dat schade oploopt door gasboringen. Het lijkt niet meer dan klein vuil in het wereldleed van natuurrampen en oorlogen. 'Op wereldschaal is het inderdaad relatief', zegt Verhoeven. 'Maar ook hier zie je weer het individuele leed dat ten dienste staat van ons collectief welzijn, namelijk onze gasbehoefte.'

Dries Verhoeven (1976) liet als theatermaker zijn publiek al eerder in verwondering stilstaan bij de menselijke soort. Het blijft meestal niet bij enkel observeren, toeschouwers krijgt een actieve rol. In 2003 plaatste hij een gebouwtje op een festivalterrein met een kamer voorzien van geluiddicht glas. Aan beide kanten van het glas nam iemand plaats. De twee konden elkaar niet horen, maar des te beter bekijken. De stem van een acteur maakte de deelnemers attent op een bepaald aspect van de ander.

Tijdens performing arts festival Spring, vorig jaar in Utrecht, plaatste Verhoeven voor zijn project Ceçi n'est pas mensen in doorzichtige cabines op straat, op plekken waar een heroïsch, klassiek standbeeld niet zou misstaan. Voorbijgangers werden zo geconfronteerd met een licht afwijkend exemplaar van de eigen soort, bijvoorbeeld een zwanger meisje van 14 jaar: Ceçi n'est pas une mère, dit is geen moeder. Het project werd ook over de grens een succes.

Verhoeven, die veel in Duitsland werkt, maakte internationaal furore met zijn 'ervaringstheater' dat hij het liefst buiten de officiële schouwburgen laat opvoeren en soms zelfs zonder acteurs. In Donkere Kamer liet hij blinde performers optreden. De productie Lege handen maakte hij met kinderen en 70-plussers op de bühne.

De stap van het theater naar het museum leek hem aanvankelijk niet groot, zijn werk houdt tenslotte vaak het midden tussen theater en beeldende kunst. Aan de andere kant van de museumdeuren werd daar anders over gedacht. 'Ik heb verschillende musea moeten benaderen voordat ik bij het Stedelijk in Den Bosch terechtkwam. Kennelijk zijn musea niet gewend te worden benaderd door een kunstenaar met een autonoom idee.'

Er is geen diersoort ter wereld die zo goed met rampen weet om te gaan als de mier

Theaters daarentegen staan nog altijd ten dienste van de ideeën van de kunstenaar, meent Verhoeven, het podium is een plek waar de regisseur volledige vrijheid geniet. In de museumwereld is dat anders: het is vaak een curator die lang van tevoren een tentoonstellingsconcept bedenkt. 'Een curator wil in een tentoonstelling behalve jouw werk tonen vaak óók nog een beleidsplan ten uitvoer brengen, of een eigen thematiek tonen, of een educatief programma opstellen, of het adagium van het museum voor het voetlicht brengen, dat soort dingen. Dat zit de radicaliteit en de politieke actualiteit in Nederlandse musea hopeloos in de weg.'

Intussen wordt de scheidslijn tussen performance en beeldende kunst steeds vaker overbrugd. 'Voor kunstenaars als Christoph Schlingensief en Tino Seghal is het een irrelevante opdeling. Toch verloopt het denken, vooral bij de Nederlandse musea, nog steeds langs de grenzen van de disciplines. Museumdirecteuren hebben geen idee wat er bij Frascati (theater in Amsterdam, red.) gebeurt, veel schouwburgprogrammeurs zetten geen voet over de drempel bij Witte de With (kunstinstelling voor hedendaagse kunst in Rotterdam, red.).' Het woord 'theatraal' is in de museumwereld nog altijd een scheldwoord, zegt hij. 'Het Stedelijk in Den Bosch had daar gelukkig geen last van.'

Maatschappelijke betrokkenheid
Politiek-maatschappelijk engagement loopt als een rode draad door zijn werk. Zijn maatschappelijke betrokkenheid groeide, zegt hij, na de bezuinigingen op cultuur onder toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra in 2011. 'Als de politiek de kunsten met zo veel argwaan bekijkt, dan kan het niet anders of datzelfde gebeurt andersom.' Het voedde de noodzaak om werk te maken dat systemen blootlegt.

'Sinds de hele discussie over het belang van kunstsubsidies is het mistig geworden waarom we musea en theaters hebben. Sommige proberen amechtig de behoeften van hun bezoekers te bevredigen bijvoorbeeld met design of cabaret. Het ondergraaft het bestaansrecht van die instellingen.'

In de voorstelling De Uitvaart, eerder dit jaar in de Utrechtse Sint Willibrorduskerk, liet Verhoeven tien maatschappelijke verworvenheden theatraal ten grave dragen. De performance wekte de woede van het kerkbestuur; het Godshuis zou hierdoor zijn ontwijd. Het 'maatschappelijk draagvlak voor de kunst' was één van de verworvenheden die symbolisch ter aarde werd besteld. Het publiek fungeerde als begrafenisgangers.

Ook het museumpubliek dat naar Den Bosch komt, krijgt een rol toebedeeld. De middelste vitrine in de zaal bevat een maquette van het Stedelijk Museum. Hij handelt over de 'Homo empaticus'. 'Moet zich verhouden tot beelden van lijdende soorten elders', leest de bezoeker over zichzelf. 'Grote hoeveelheid informatie leidt enerzijds tot empathie en schaamte voor eigen situatie (incidenteel slaapproblemen), anderzijds tot gevoelens van verzadiging en onverschilligheid.'


Homo Desperatus, Stedelijk Museum Den Bosch, t/m 31/8. sm-s.nl

Festival Boulevard

Opmerkelijk voor een museale tentoonstelling: de installatie Homo Desperatus is mede geproduceerd door theaterfestival Boulevard. Het festival, van 7 t/m 17/8 in Den Bosch, biedt een nevenprogramma rondom de expositie. Kunstcriticus en theatermaker Nico Out vertelt waar Dries Verhoeven zijn inspiratie vandaan haalt en hoe hij te werk gaat. festivalboulevard.nl