Monsters temmen voor nieuwe techniek

De stier Herman, varkensnieren in de mens, bioplastics: technische vernieuwingen dwingen de mens vaak zijn denken aan te passen. Ze vormen vreemde categorieën, 'monsters' die felle discussies kunnen uitlokken, aldus een Twentse promovenda....

IR. Martijntje Smits zag het licht tijdens een debat over de grenzen van de biotechnologie. Het was januari 1998, en de chemisch technologe, afgestudeerd in de filosofie, woonde een geanimeerde discussie bij tussen moleculair bioloog Ronald Plasterk en ethicus Hub Zwart. Plasterk zei, verwijzend naar de nieuwe techniek van xenotransplantatie, het transplanteren van dierorganen in mensen: 'Het publiek denkt dat wij monsters maken, maar daarvan is helemaal geen sprake.'Smits schrok op. Het woord 'monster' had ze eerder horen vallen, in een door haar bewonderd boek van de Britse antropologe Mary Douglas. Die had beschreven hoe primitieve samenlevingen vaak reinigingsrituelen gebruiken om nieuwe dingen die niet in de bestaande orde passen, in hun midden op te nemen. Voor deze nieuwigheden gebruikte Douglas een keer het woord 'monsters'. Smits: 'Ik dacht: verhip, misschien is xenotransplantatie ook wel zo'n monster.'Deze gedachte werd de basis voor Smits' eigen 'monstertheorie'. Aanstaande vrijdag promoveert ze aan de Universiteit Twente bij de filosoof prof. dr. Hans Achterhuis op haar boek Monsterbezwering. De culturele domesticatie van nieuwe technologie (Uitgeverij Boom, euro 19,50, ISBN 90 5352 8288, vanaf 8 november verkrijgbaar).Smits probeert met het begrip 'monster' de omgang van moderne samenlevingen met nieuwe technologieën te duiden. De genetisch gemanipuleerde stier Herman, gen-voedsel ('Frankensteinfood'), klonen, en verder terug in het verleden: kernenergie, ivf-bevruchting, plastics en de stoomtrein.Al deze technologische innovaties hebben volgens Smits geleid tot ongemeen felle debatten en veel sociale onrust. Het resultaat was vaak een langdurige en onvruchtbare patstelling tussen de voor- en tegenstanders.Waarom lokken deze onderwerpen zulke loopgravenoorlogen uit, vroeg Smits zich af. En waarom verloopt de introductie van bijvoorbeeld een nieuwe revalidatietechniek of een nieuwe manier om warmte op te slaan vrijwel geruisloos? Met de werkelijke gevaren of beloftes van de nieuwe technieken heeft het niet zoveel te maken, concludeerde ze. Die zijn vaak nog onbekend, en worden achteraf bezien schromelijk overdreven door beide partijen.Nee, het antwoord moet worden gezocht bij heel basale menselijke trekken, betoogt ze. De mens stopt alles wat hij waarneemt in hokjes en vakjes. Hij noemt die leven en dood, natuur en cultuur, mens en dier, man en vrouw, organisch en mechanisch, echt en onecht. Deze 'culturele categorieën' bestaan vaak uit paren en sluiten elkaar schijnbaar uit, zegt Smits. Zowel primitieve als moderne samenlevingen doen dat. 'Ze zijn noodzakelijk om de wereld te begrijpen'.Helaas zit de wereld niet altijd zo eenvoudig in elkaar. Transseksuelen, mensapen, cyborgs, Frankenstein: ze onttrekken zich allemaal aan die categorieën. En dat geldt ook voor de technologieën waarover zoveel debat is, stelt Smits.Die passen in verschillende vakken tegelijkertijd. Een man met een varkensnier, is die een mens of een dier? Is de stier Herman een organisme of een machine? Is kernenergie natuurlijk of juist een product van menselijk ingrijpen? Zo ontstaat wat Smits een 'monster' noemt: iets onbegrijpelijks, omdat het allerlei grenzen overschrijdt.Het kenmerk van monsters is dat ze zowel afgrijzen als fascinatie oproepen, aldus Smits. Ze worden symbolen van een strijd over onderliggende begrippen als 'natuur' en 'cultuur'. Dat gold in primitieve samenlevingen, maar ook in moderne. Wat dat betreft, zegt Smits, is het 'mythisch bewustzijn' van de mens sterker aanwezig dan vaak wordt gedacht. Met overdreven reacties wordt geprobeerd het monster een plek te geven in het bestaande begrippenkader.Smits onderscheidt in haar proefschrift vier manieren om dat te doen. De eerste is 'de monsteruitbanning'. De tegenstanders hebben dan gewonnen. Smits noemt als voorbeeld de geslaagde poging van Greenpeace het olieplatform Brent Spar niet te laten afzinken. Dit stuk metaal mocht geen deel van de natuur worden, al had Shell daar op een evenwichtige manier over nagedacht. Ook het tegenhouden van meer kerncentrales was een succesvolle uitbanning.Als de voorstanders winnen, vindt er een 'monsteromhelzing' plaats. Dat gebeurde volgens Smits toen plastic producten werden geïntroduceerd, in de jaren twintig en dertig. 'Er ontstond een sfeer van euforie rond plastic. Alles wat aan de elite was voorbehouden, zoals ivoor, kon nu met behulp van plastic aan het volk worden gegeven. De welvaartsmaatschappij stond, dankzij plastic, voor de deur. Men zag het als een soort wonder.'De derde, minder heftige strategie is 'monsteraanpassing', vervolgt de promovenda. Hierbij wordt de nieuwe technologie zo veranderd, dat iedereen tevreden is. De introductie van 'bioplastic' is zo'n ontwikkeling. In de jaren zeventig was het populaire plastic dankzij een groeiend milieubewustzijn in een kwaad daglicht gekomen: het kunstmatige afvalproduct vervuilde de natuur. Door de creatie van het afbreekbare bioplastic werd dat probleem verholpen.Deze drie 'strategieën' hebben met elkaar gemeen dat de bestaande culturele categorieën niet worden aangepast, zegt Smits. Maar ook dat is mogelijk. Smits noemt het 'monsterassimilatie'. Haar voorbeeld is het probleem van orgaandonatie door mensen van wie het hart nog klopt, maar wier hersens niet meer werken. Is zo iemand dood of levend, vroegen de artsen zich af. De discussie werd uiteindelijk opgelost door de introductie van het begrip 'hersendood' - een verfijning van de categorie 'dood'.Smits pleit in haar boek voor discussies over nieuwe technologieën waarbij de deelnemers openstaan voor deze laatste twee mogelijkheden: de aanpassing van de technologie of van de begrippenkaders, iets wat op de lange termijn meestal toch wel gebeurt. Ze noemt dit de 'pragmatische stijl', die de felheid van de discussie zou kunnen intomen en de impasse zou kunnen doorbreken. 'De andere, dogmatische aanpak gaat vaak gepaard met verbaal of echt geweld.'Ethici zouden meer bij de discussie betrokken moeten worden, zegt Smits. 'Dat zijn ze nu ook al, maar vaak rationaliseren ze alleen het onbehagen: ze laten zich verleiden tot het argument dat iets niet kan, omdat het ''onnatuurlijk'' is. Dat is een denkfout: de natuur schrijft niet voor wat wel en niet mag.'Een ethicus zou in plaats daarvan moeten 'laten zien welke categorieën in het spel zijn'. Wellicht kan hij dan nieuwe gezichtspunten aandragen, nieuwe manieren om het monster te bezweren. 'Dat zou een bescheiden bijdrage zijn, maar misschien wel een cruciale.'