Knock-out bij de abstracten in het Cobra *****

From the guggenheim collection:International abstraction 1949-1960, Cobra Museum, Amstelveen, 5 april t/m 31 augustus

Deze komt lekker binnen. Een massa van verf: grijs, zwart, helrood en limoengroen, draaiend als tornado's van bovenaf gezien, aangebracht op het canvas door Jackson Pollock in 1953, en wel onder de titel Ocean Greyness.

Het is een prachtdoek, overweldigend zintuiglijk. Starend naar de verf merk ik hoe ik naar voor en achter schuifel als een bokser voor z'n stootzak; m'n hoofd kantel om de kwaststreken te volgen; kijk met heel mijn lichaam. Voor de eerste van vele keren tijdens deze expositie.

Dat komt deels op het conto van het Cobra Museum.Want sodeju, wat hangen ze goed, die 51 klassieke abstracten uit de collectie van het Solomon R. Guggenheim Museum, hier door het Amstelveense Museum bijeengebracht. Niet vaak zag u uw Pollock, Alechinsky of Reinhardt zo fijn. Goed gekozen. Riant gehangen.

Twee jaar terug maakten ze nog deel uit van de Guggenheim-expositie Art of An Other Kind; toen brachten ze de tumultueuze jaren vijftig in dat museum in kaart. Hier, losgeweekt van het levende monument dat het moedermuseum in New York toch een beetje is, laten ze je iets voelen van de energie die een kijker indertijd moet hebben gevoeld. Die van James Johnson Sweeney, bijvoorbeeld.

Die naam had ik niet paraat. U vermoedelijk evenmin. Sweeney was de directeur van het Guggenheim Museum tussen 1952 en '60; onder zijn leiding nam het museum zijn intrek in Lloyd Wrights beroemde kop-en-schotel aan 5th Avenue en groeide het uit tot het gerenommeerde instituut dat het tot op heden is.

Sweeney, die eerder tentoonstellingen maakte bij het MoMA, was een sleutelfiguur; zijn smaak is nog altijd navoelbaar. Als europafiel bracht hij modernisten als Modigliani en Giacometti alsmede de Russen Malevitsj en Gontjsarova; zijn belangrijkste verdiensten zaten echter in zijn rol van pleitbezorger van de contemporaine abstracten: de Amerikanen Pollock, Rothko en De Kooning, de Fransen Soulages en Vieira da Silva, de Spanjaard Tàpies. Deze kunstenaars waren Amerika's progressieve antwoord op Ruslands socialistisch-realisme: monumentaal, intens, gekweld, soms. Ze hadden iets luidruchtig iconoclastisch. Tastebreakers noemde Sweeney ze.

Een naam die ze waarmaakten. Daags na een opening stuurde Sweeney's voorganger Hilla Rebay een wrevelige telegram waarin ze repte van 'aftermath trash', naoorlogse rommel die de naam van de keurige Solomon R. zou hebben bezoedeld; woorden waarin je de schok van het nieuwe herkent. Én het grote. Want de werken van de tastebreakers waren fors. Wat ze ook waren: tactiel.

Dat laatste is een kunst-historisch-inkoppertje. Wat mannen als Pollock, Still, De Kooning en in mindere mate de CoBrA's onderscheidde van oude abstracten als Piet Mondriaan was het tautologische karakter van hun werk; zij zagen in het canvas geen venster, maar een canvas. Een ondergrond voor verf, kleur, krabbels, streken, vegen, halen, druipers, krassen, kriebels en kleurvlakken. Een scherm waarop een handschrift zich openbaart.

In het Cobra Museum, waar het niveau uitzonderlijk hoog is, zie je daarvan het ene na het andere voorbeeldige exemplaar. Dan heb ik niet over Pierre Soulages, wiens donkere kruizen somber en een tikje gedateerd overkomen. En ook niet over Mark Rothko, wiens mooie pulserende kleurvlakken zijn overschaduwd door die afgrijselijke fictieve monologen uit Simon Schama's documentaire Power of Art.

Wel de meeste anderen. Er is een panoramisch, met hiërogliefenachtige tekens gevuld doek van Pierre Alechinksy, The Ant Hill. Daar blijf je naar kijken. Er hangt een verleidelijk coloristisch werk van de Amerikaan Sam Francis. Dat brengt de lente in je kop. En dan is er nog het werk van Willem de Kooning dat de kroon op de tentoonstelling vormt.

Zijn Composition uit 1955 is De Kooning zoals je hem het liefst hebt; hoekig, ritmisch, explosief, een verfwinkel aan kleuren.Waar zit het 'm in, die magie van De Kooning, wat maakt hem zo onweerstaanbaar? Met taal kom je er moeilijk bij. Het kunnen zijn kleuren zijn; hoe hij een patroon van rood, opeens doorbreekt met een felle dissonant van mintgroen. En zijn handschrift, dat iets animaal agressiefs heeft, van schilderen vechten maakt. Als het terugtrekken en aanvallen van een bokser. Dek, stoot!