Huis vuil

Overal waar het in Amsterdamse huizen stonk, droop, gistte en krioelde, daar kwam Henk Plenter, inspecteur Hygiënisch Woningtoezicht van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD). Over zijn ervaringen schreef hij het boek 'Let niet op de rommel'.

Houdt hij zelf van de weeromstuit de boel thuis altijd netjes aan kant, na decennia van waden door glimmende zeeën van lege bierblikjes, strompelen over een brij van lekkende vuilniszakken, zich ellebogen door tot aan het plafond gestapelde kartonnen dozen en glibberen over excrement van mens en dier? Nou, zo nauw heeft hij toch nooit gekeken. Er slingeren bij hem ook wel eens kranten en tijdschriften rond. Er lopen twee katten. Er mag worden geleefd.

Hij is wel erger gewend, ja. Overal waar het in Amsterdamse huizen stonk, drupte, droop en gistte en/of het ongedierte krioelde, daar kwam Henk Plenter, inspecteur Hygiënisch Woningtoezicht van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD). Ruim veertig jaar trok hij langs de verblijfplaatsen van vereenzaamde ouderen, asocialen, alcoholisten, psychisch gestoorden, ziekelijke verzamelaars en buitensporig liefhebbende dierenliefhebbers en hij stuitte geregeld op de stoffelijke resten van al lang geleden overleden bewoners.

Twee jaar na zijn pensioen blikt Plenter (69) samen met journaliste Annemiek van Kessel in het boek Let niet op de rommel terug op zijn ervaringen 'met het lekkend aarsgat van de grote stad', aldus oud-stadsdichter F. Starik in een bijdrage aan de publicatie. Duizenden woningen is de GGD'er langs geweest, in zijn busje met geheel geplastificeerde laadruimte - dat spoot makkelijk schoon. Hij heeft het maar eens geteld: uit hoofde van zijn functie heeft hij zestienhonderd woningen laten leeghalen omdat de situatie binnen onhoudbaar was geworden en de volksgezondheid in gevaar kwam.

Hij heeft het graag gedaan, al die jaren. Weliswaar was hij vrijwel nergens welkom - achter de voordeur school de achterdocht, de angst, de schaamte, de weerzin, de agressie of van alles een beetje - maar daar dan toch doorheen breken en een oplossing zoeken, dat was de uitdaging. Er iets aan doen. Plannen maken, hulpverlening inschakelen, zorgen dat het weer een beetje beter gaat.

'Plenter, gezondheidsdienst, goedendag.' Gezondheidsdienst, dat klonk vriendelijker dan het ambtelijke 'GGD' en van ambtenaren moest zijn clientèle doorgaans weinig hebben. Voordat hij aanbelde, informeerde hij steevast eerst bij de buren. Wat kon hij verwachten? Woede? Dronkenschap? Zou de deur überhaupt wel opengaan?

Zijn strategie: vriendelijk blijven. Met stroop vang je vliegen. Als zo'n heksje - niet kwaad bedoeld, hoor - de deur op een kier zette, zei hij: ik had gehoord dat hier een oud vrouwtje woonde, maar dat valt reuze mee, zie ik nu. Dan ging de deur geheid weer een streepje verder open. Zijn instrumentarium: de zintuigen. Bij bewoners vallen hem schilfertjes in het haar op, lange en vieze nagels, een bril met vette glazen. Aan de buitenkant van het huis wekken vieze aanslag op de deurkrukken, spinrag en geplette luxaflex argwaan.

Het allerbelangrijkst was zijn neus. Hij onderscheidde soms al aan de voordeur - als je tenminste door die even heen en weer te duwen de lucht in beweging zette - de geuren van rottend fruit, bedorven vlees, mensenpoep, hondendrollen, kattendrek, muizenkeutels en, misschien wel het meest definieerbaar, lijkenlucht - dan wist hij meteen: dit is niet goed. Dat de hulpverleners die met hem optrokken - psychiatrisch verpleegkundigen, wijkagenten, schoonmaakploegen, het Leger des Heils - geregeld over hun nek gingen, vond hij niet zo gek. Hij haalde zelf twee keer heel diep adem en inhaleerde vervolgens uitsluitend door de mond om zich ertegen te wapenen. Er mankeerde weinig aan zijn geurzin. Iemand had geklaagd over een enorme stank van boven. Hij liep de kamer door en verwijderde een plaat uit het systeemplafond - precies daar tuimelde een dode rat naar beneden. Ander voorbeeld: een schouwarts, die bezig was vast te stellen of er bij een stoffelijk overschot sprake was van een natuurlijke dood, meende verderop bloedvlekken te zien. Zelf had hij het al lang en breed geroken: poep. Mag hij daar een beetje trots op zijn?

Hij voelde vaak begrip voor zijn cliënten, met uitzondering van de aso's die alleen maar zeiden dat hij moest oppleuren. Wat hem betreft had de titel van het boek ook Zeg nooit nooit kunnen zijn. Zeker, hij had veel werk in de slechtere buurten van toen, delen van Oud-Zuid nog en Oud-West, met veel kleine, goedkope eenheden, waar de verslaafden en zwakbegaafden zaten. Later kwam hij meer in de Bijlmer en Noord. Maar in de chiquere wijken heeft hij ze ook gezien: de bankdirecteur, de chirurg, vereenzaamd te midden van hun eigen vuil en flessen. Ergens kan er in de bovenkamer op zeker moment iets knappen, kennelijk.

Nooit heeft hij wakker gelegen van de ellende die hij tegenkwam. Hij bezat van nature al een zekere opgewektheid en heeft die ook behouden. Grandioos toch, als je samen met twee agenten het doorweekte bed van een oud vrouwtje staat te verschonen? Lol maken met elkaar moet, juist in dit soort werk. Je thuis gesmeerde boterhammetjes mee naar binnen nemen, net doen alsof je ze laat vallen op de vloer waar de maden wriemelen en ze toch vrolijk naar binnen werken. Dan zie je de anderen gruwen. Heerlijk, toch?

Er zijn moeilijke momenten geweest. Dat waren de gevallen waarin de politie hem eerst informeerde wat hem te wachten stond en vervolgens vroeg of hij zeker wist dat hij naar binnen wilde. Een vrouw die met 32 messteken door haar buurman was gedood. Een psychopaat die na het zien van een horrorfilm zijn zwangere vrouw om het leven had gebracht en de muren met leuzen had besmeurd. Hij is altijd gegaan. Ze rekenen op je, zo ziet hij het. Je kunt niet het een doen en het andere laten.

Als het niet lukte hulp te bieden, was er weleens frustratie. Ergens binnenkomen was nog niet zo vanzelfsprekend. Niemand is verplicht de deur open te doen. Meestal gaf hij de cliënt wat bedenktijd, maar soms was een machtiging van de officier van justitie nodig en volgde het dreigement dat het slot en de deur eraan gingen als hij niet werd binnengelaten. Die fase bereikte hij liever niet, maar wat moet dat moet. Nog lastiger werd het als elke vorm van bijstand werd afgewezen, terwijl je wist dat het vroeg of laat verkeerd ging aflopen. Hij heeft het meegemaakt in Amsterdam-Zuid, in de buurt van het Concertgebouw nota bene. Een gewezen golfleraar was zich daar kapot aan het zuipen in een kamer vol whiskyflessen. Aardige vent, wel. Zó'n lever. Hij wees alle aanbiedingen voor een afkickprogramma af. Dan maar liever dood. Twee maanden later was het zover. Ieders goed recht, maar met zulke eigenwijsheid of eigenzinnigheid of hoe je het ook noemen wil, had hij het weleens moeilijk. Er staat tegenwoordig toch echt een heel legertje hulptroepen klaar.

Boos op cliënten is hij nooit geworden. Nou ja, iemand die hem eens onverhoeds aanviel, belandde languit in zijn eigen boekenkast. Ze moeten niet aan hem komen. Als omstanders zich ermee gaan bemoeien, kan hij soms zijn geduld verliezen. Types die denken dat ze het beter weten. Die hem voorhouden dat hij mevrouw of meneer met rust moet laten en beter maar kan opsodemieteren. Hij is ook een keer uitgevallen tegen de begeleiders van een jong gezin. Na klachten over stankoverlast was hij wezen kijken en daar ontdekte hij dat het matras van de kinderen helemaal aan het bed vastgekleefd zat, zo vies was het. Waarom zie je zoiets niet eerder, je bent toch deskundige?

Wat al die jaren is gebleven, is de verbazing. Hoe kán het? Hoe kan iemand zo ongemerkt afglijden naar volledig isolement? Hoe kan iemand maandenlang dood in zijn woning liggen, terwijl aan de andere kant van de voordeur de Amsterdammers gewoon boodschappen doen en hun kinderen aan het spelen zijn? Het moet wel onverschilligheid zijn, denkt hij. Het neemt toe, hij kreeg het de laatste jaren alleen maar drukker. Het gevoel van saamhorigheid in de wijken met uiteenlopende bevolkingsgroepen ontbreekt. Er wordt steeds langer gewacht met opname van ouderen of mensen met psychische problemen.

Hij weet dat het niet zo eenvoudig is, een buurman aan te spreken die laveloos is, een uur in de wind stinkt en je alleen maar verwensingen toesnauwt. Maar het is toch niet te veel gevraagd om af en toe te controleren of er nog wel een schemerlampje brandt, of de brievenbus wordt geleegd en af en toe toch maar even aan te bellen en te vragen hoe het gaat?

In het boek staat ook een gedicht van F. Starik, N.N. Dit is de eerste strofe: Iedereen kent ze: de grauwe ruiten/ die als doffe ogen in de gevels hangen/ de gesloten leden, de moeie lappen waarachter onzichtbare mensen wonen.

Henk Plenter is twee jaar weg bij de GGD, hij is al langer gebleven dan de bedoeling was. Maar als hij door de stad rijdt, let hij op Stariks 'moeie lappen' en denkt nog altijd dat hij daar toch maar eens naar binnen zou moeten.

 -------------------------------

Anderen over Henk Plenter in 'Let niet op de rommel'
Ellie Lust, woordvoerder politie Amsterdam
'Een zorgmelding, een overlastmelding waarbij vervuiling aan de orde was, daar kwam Henk weer aan met z'n bussie. Altijd met een grote glimlach op zijn gezicht, ontspannen en altijd even een omarming ter begroeting.'
Lees verder op pagina V4
Geert Mak, schrijver:
'Ooit liep ik een paar weken met hem mee. (...) Plenter bleef de rust zelve, stevig en tegelijk diplomatiek. Ook in deze onderwereld had hij een natuurlijk gezag.'
Roel Coutinho, oud-directeur GGD-Amsterdam:
'Gelukkig dat er mensen bestaan zoals Henk Plenter, zachtmoedig, doortastend en niet moraliserend.'
------------------------------------------------

Plenteren 1.0:

Een bos verjongen door op bepaalde plaatsen oudere bomen te vervangen door nieuwe aanplant of een bos minder monotoon maken door een deel van de bomen te vervangen door aanplant van een andere soort.

Uit het Algemeen Nederlands Woordenboek

Plenteren 2.0:

Een huis ontruimen waarin de bewoner of bewoners zo veel spullen hebben verzameld en opgeslagen dat het wonen erin of in de omgeving ervan een gevaar oplevert voor de volksgezondheid. (Genoemd naar de Amsterdamse GGD-medewerker Henk Plenter, die gedurende een periode van veertig jaar, tot zijn pensionering in 2011, betrokken is geweest bij het uitvoeren van dit soort ontruimingen.)