Hooggeplaatste Heren en een dode huistelefoon

Afgelopen week leek het alsof de zaak-Demmink een nieuwe wending kreeg. Plotseling ging het niet alleen meer om beschuldigingen van kindermisbruik aan het adres van de voormalige secretaris-generaal, maar ook over andere 'hooggeplaatsten' die deel zouden hebben uitgemaakt van een pedofielennetwerk: drie hoofdofficieren van justitie en een hoogleraar. Wat is er precies onder ede verklaard in de Utrechtse rechtbank, en valt er iets zinnigs te zeggen over het waarheidsgehalte ervan?

1. verschillende data
De getuigen spreken elkaar op een aantal punten tegen. Ten eerste de data: rechercheur Leen de Koter vertelde dat het Rolodex-onderzoek plaatsvond in 1997 en 1998, zijn collega Jan Hoek had het over 1998 en 1999. Hoek heeft gelijk: het onderzoek begon in 1998, en eindigde in 1999. Vanwege het precaire karakter ervan, trokken de rechercheurs zich terug in een kazerne in Zeist. Zij kwamen van verschillende geledingen: de Rijksrecherche, de Jeugd- en Zedenpolitie Amsterdam. Veiligheidsdienst BVD 'las mee', en deed zelf ook onderzoek. Daar kwam niets uit. Hoe De Koter zich heeft kunnen vergissen in de data is onduidelijk; achteraf geeft hij geen commentaar.

2. de naam demmink
De namen van de 'hooggeplaatsten', inclusief Demmink, werden woensdag vol overtuiging genoemd door De Koter, maar Jaap Hoek kende ze niet. Over Demmink was De Koter eerst zeer duidelijk, daarna zwakte hij het iets af: 'Ik kan mij niet herinneren dat ik zijn naam in dit onderzoek ben tegengekomen.' Dat lijkt tegenstrijdig, maar hoeft het niet te zijn. De Koter was rechercheur bij de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE), en in het vroegste stadium betrokken bij het onderzoek. Het was zijn taak informanten te vinden die wilden praten. Jaap Hoek hield zich als teamleider pas later bezig met het tactische onderzoek. Het kan zijn dat De Koter eerder namen heeft gehoord, die later niet meer aan de orde kwamen. Volgens verantwoordelijk procureur-generaal Ficq is Demmink nooit onderwerp van onderzoek geweest tijdens dit onderzoek.

3. twee officieren
Dat er hoofdofficieren van justitie zijn onderzocht is juist. Dat is al in 2007 onder ede gezegd door Fred Teeven, die als CIE-officier van justitie de dagelijkse leiding had over het Rolodex-onderzoek, en nu staatssecretaris is van Justitie. In een verhoor achter gesloten deuren, onderdeel van een andere zaak, vertelde hij erover. Het gaat om onderzoek naar twee hoofdofficieren, en dus niet om drie zoals De Koter beweerde.

4. een lek?
Zodra er getapt ging worden was de huistelefoon van de hoogleraar Ger van R. plotseling 'dood', terwijl daarvoor regelmatig naar 06-sekslijnen met 'jonge jongens' werd gebeld. Van R. was de spil van het onderzoek, hij zou in zijn woning seksfeestjes met jonge jongens organiseren. 'En bij een huiszoeking leek het alsof er een schoonmaakbedrijf was langs geweest', zei Hoek. Allebei wezen de rechercheurs naar de hoge regionen van justitie, gevraagd naar de mogelijke tipgever, maar allebei moesten ze toegeven dat daar geen bewijs voor was. Volgens Ficq was de minister vanaf het begin van Rolodex op de hoogte. 'Het lijkt me niet plausibel dat er gelekt is. Want de minister heb ik, via secretaris-generaal Harry Borghouts, zeker al in een heel vroeg stadium geïnformeerd. Dat deed je altijd bij kwetsbare zaken. Bovendien was het onderzoek voor ons alleen interessant in de fase waarin de hoofdofficieren werden beschuldigd, toen die beschuldingen nergens op bleken te zijn gebaseerd, werd het één van de vele zaken.'

5. geen observatieteam
Leen de Koter noemde meermaals de naam van de huidige politiechef van Amsterdam, die destijds als CRI-chef zou hebben verhinderd dat er een observatieteam werd ingezet tegen Demmink en de anderen. 'Er zou zijn gezegd: maar dat is onze baas'. Maar politiechef Pieter-Jaap Aalbersberg was vanaf 1996 niet meer verantwoordelijk voor observatieteams binnen de CRI. Ficq weet niet waarom zo'n team niet is ingezet . 'Dat was een operationele afweging, daarbij was ik niet betrokken. Dat was iets tussen Teeven en zijn team. Maar wat belangrijk is om te weten in zijn algemeenheid: je mag niet zomaar iemand stelselmatig observeren. Iemand moet als verdachte aangemerkt zijn. En dat waren de twee hoofdofficieren niet. Er waren verdenkingen geuit, en die hebben we uitgebreid onderzocht in een oriënterend onderzoek. Maar er is nooit een aanleiding gevonden om hen officieel als verdachte aan te merken.'