Hoe de mens zijn driften wist te beteugelen

De conflicten die de 'onbeschaafde' mens met de bedreigende buitenwereld uitvocht, vecht de beschaafde mens uit met zichzelf. Na 75 jaar heeft Het civilisatieproces van Norbert Elias nog niets van zijn zeggingskracht verloren.

Vorige zomer kwam de Nijmeegse hoogleraar Roos Vonk in opspraak nadat zij, geïnspireerd door onderzoek uit de voorraadkelder van professor Stapel, wereldkundig had gemaakt dat vleesetende mensen egoïstischer en asocialer zijn dan vegetarische. Wat als Vonk voorzichtiger was geweest en zich niet had laten inspireren door Stapel, maar door Norbert Elias (1897-1990), godfather van de moderne sociologie?

Het civilisatieproces, Elias' uit 1936 daterende hoofdwerk, bevat interessante passages over de vleesetende mens. In de middeleeuwen lagen de bloedige lijken van de beesten nog bij hem op tafel, scheurde hij er met zijn handen plakken af en at hij zoveel vlees hij kon. Geleidelijk aan begonnen de hoogste kringen de aanblik van dode dieren pijnlijk te vinden en het aanraken van vlees schaamtevol. In een proces van enkele eeuwen werden de hoeveelheden vlees op tafel steeds kleiner en de hoeveelheden bestek steeds groter. De afkomst van de vleeshompen werd steeds verder gecamoufleerd.

Het gedrag van de hoogste kringen verspreidde zich geleidelijk over de lagere. 'De curve - het opschuiven van de pijnlijkheidsdrempel bij de aanblik van dode dieren, het verplaatsen van het trancheren naar speciale enclaves achter de coulissen - is een typische civilisatiecurve', concludeert Elias. Volkeren of sociale klassen die in latere tijden nog met de hand grote hoeveelheden vlees verorberden, begonnen als 'minder beschaafd' te gelden.

De mens deed er vele eeuwen over zijn vleesconsumptie te minderen, de sprong naar het afzweren van vlees zou hem minstens zo veel tijd kunnen gaan vergen. Een aanwijzing dat het die kant op gaat, vormt de in de tweede helft van de twintigste eeuw gestegen hoeveelheid vegetariërs in rijke en traditioneel vleesetende gebieden.

Weinig grenzen zijn de afgelopen vijfhonderd jaar verder verlegd dan die van wat schaamtevol en pijnlijk is. In de vijftiende eeuw, las Elias in oude boeken, leegde je je neus nog gewoon aan tafel met je vingers. Iets later was het wel zo netjes je hemdsmouw te gebruiken. Weer later begonnen bekakte dames elkaar de loef af te steken met speciale doeken.

In de opkomst van de zakdoek bezat Norbert Elias flink wat expertise. Als 'denker van de snotneus' is hij door bewonderaars geprezen en door vijanden geparodieerd. Maar Elias' kennis strekte zich uit tot onder ons reukorgaan. In de middeleeuwen kon je, bijvoorbeeld, gewoon midden op straat plassen en ondertussen een praatje maken. Binnenshuis spuwde iedereen nog op de grond. We kijken daar nu net zo tegen aan als onze achterachterkleinkinderen straks, laten we gokken, op onze gewoonte hetzelfde toilet te gebruiken als onze collega's of papieren zakdoekjes zonder schaamte in een openbare prullenbak te gooien.

Over de legendarische 16de-eeuwse denker Montaigne wordt vaak geconstateerd dat hij prettig openhartig over zijn stoelgang praat. Maar daarmee betoonde hij zich een kind van zijn tijd. Erasmus was dat ook. In de Colloquia spreekt hij vrijmoedig tegen jonge kinderen over prostitutie en bordelen. In zijn tijd sliepen volwassenen en kinderen nog door elkaar, veelal naakt, en veelal te midden van onbekenden. Zoals mensen in onze tijd met allerlei vreemden een wachtkamer bij de dokter delen, zo deelden ze vroeger een bed. Pyjama's, eigen bedden, eigen kamers, allemaal eigenaardigheden van mensen van latere datum. 'Hun gevoeligheid voor wat met hun lichaam te maken had nam toe', stelt Elias. 'Ook de seksualiteit wordt in de loop van het civilisatieproces steeds meer achter de coulissen van het openbare leven geplaatst.'

Steeds lastiger werd het voor de mens zijn driften en instincten in het openbare leven uit te leven. Het gevolg, wist Elias, was dat veel wat in de uiterlijke wereld plaatsvond zich naar de innerlijke wereld verplaatste.

Het cilivisatieproces werd onlangs 75 jaar oud. Bij uitgeverij Boom verscheen een jubileumeditie van Elias' bijna achthonderd pagina's tellende hoofdwerk. Nederland heeft een reputatie als Eliasland. In Nederland bracht de denker van Joods-Duitse origine het laatste kwart van zijn lange leven door. De Nederlandse socioloog Joop Goudsblom (1932) geldt als zijn grootste pleitbezorger en gangmaker achter zijn herontdekking in de late jaren zestig. Bij Elias vond je complexe ontwikkelingsprocessen beschreven aan de hand van zulke zaken als plassen, spugen en de vork. Daarmee was hij anno 1936 zijn tijd ver vooruit. Vandaag de dag wordt het werk van Elias in Nederland voortgezet door de socioloog Cas Wouters, die ook etiquetteboeken als bron gebruikt.

Elias had in Nederland niet alleen bewonderaars. Jan Blokker senior hekelde het gebrek aan betrokkenheid van deze denker bij de rampen van zijn eigen tijd. Elias deed zijn ontdekkingen over 16de-eeuwse vorken en snotlappen in een tijd dat de Joden in Hitler-Duitsland, inclusief Elias' familie, bloot kwamen te staan aan terreur. Elias was toen al naar het buitenland uitgeweken, eerst naar Frankrijk, daarna naar Groot-Brittannië. Terwijl in zijn geboorteland de synagogen brandden, speurde Elias in de bibliotheek van het British Museum naar prenten van oude zakdoeken. Zijn vader Hermann Elias stierf in 1940 nog net een natuurlijke dood, zijn moeder Sophie Elias werd vermoedelijk in 1941 in Auschwitz vergast. Aan het totalitaire drama van de twintigste eeuw zou Elias pas aan het eind van zijn leven aandacht besteden - mondjesmaat, met een toon die zo afstandelijk was, schreef Blokker, dat die afkomstig leek 'van een Europese antropoloog die een studie over pygmeeën aankondigt'.

Norbert Elias: een wereldvreemde, al te onthechte kamergeleerde. Maar toch ook: een groot denker. Want driekwart eeuw na de voltooiing dwingt Het civilisatieproces nog steeds bewondering af. Dit is een lijvig en afstandelijk maar wel vaak briljant werk waarin veel samenkomt. Wie er de tanden inzet, wordt beloond met een aantal grootse verbanden. Stevig kauwen is een vereiste, Het civilisatieproces is een taai gerecht. Deze auteur schreef in een tijd dat sociale wetenschappers nog geen moeite namen het hun lezers stilistisch naar de zin te maken. Slangenzinnen topzwaar van informatie waren gewoon. In de volgende totaalzin legt Elias uit hoe de menselijke natuur verandert als de grotere hoven in de middeleeuwen lokale geweldsmonopolies verwerven, ridders hun onafhankelijkheid opgeven en daardoor niet meer constant op hun hoede hoeven zijn voor aanvallen op hun bezit. 'Zoals de monopolisering van het fysieke geweld de angst en de schrik verkleint, die mensen voor elkaar moeten hebben, maar tegelijkertijd ook de mogelijkheden om anderen angst aan te jagen en pijn te doen, dus de mogelijkheid tot bepaalde lust- of affectontladingen, zo probeert ook de gestadige zelfcontrole, waaraan de enkeling zich nu steeds meer zal wennen, de contrasten en plotselinge omslagen in het gedrag, de hartstochtelijkheid van alle uitingen in dezelfde mate te verkleinen.' In Het civilisatieproces is dit een doorsneezin.

Een opkomend genre in onze tijd vormen de boeken waarin interessante maar taaie denkers voor een groter publiek worden verklaard. De beste stukken uit Het civilisatieproces kwalificeren zich met stip voor een populaire bewerking.

Vóór het civilisatieproces begon, ontdekte Elias, leidden de meeste mensen alles-of-niets-levens, met hevige lusten en hevige pijnen. Middeleeuwse monniken en mystici waren in hun ascese vaak net zo hartstochtelijk als de krijgers in hun gevechten. 'De krijger (...) had de mogelijkheid tot ongeremde verzadiging van lust aan vrouwen of ook van haat (...). Maar wanneer hij overwonnen werd, was hij tegelijkertijd hierdoor in buitengewoon hoge mate overgeleverd aan het geweld en de hartstochten van een ander (...).' Op diverse plekken in de wereld zie je dat nog steeds, schreef Elias in 1936, en die zin is driekwart eeuw later niet verouderd.

Op de plekken waar het civilisatieproces voortschrijdt, heeft het verliezen van een gevecht minder grote gevolgen, en wordt de mens minder hartstochtelijk. De conflicten die de 'onbeschaafde' mens met de altijd bedreigende buitenwereld uitvocht, vecht de beschaafde mens in toenemende mate uit met zichzelf. Freud bracht de innerlijke strijd in kaart met het veeleisende Über-ich en het driftige Es, het 'carnavalsdeel' van de menselijke persoonlijkheid. Elias: 'De gevarenzone loopt nu in zekere zin dwars door iedere mens zelf. (...) De directe angst die mensen voor elkaar hebben is verminderd, en evenredig daarmee stijgt nu de via het oog en het superego geleide, innerlijke angst.'

Het is zowel fascinerend als wrang dat Elias dit optekende aan de vooravond van de totalitaire rampen van de twintigste eeuw. Hoe kon een civilisatieproces van een millennium de wereld in de twintigste eeuw Stalin, Hitler en Mao schenken? De kern van Elias' antwoord daarop is even helder als onbevredigend: het civilisatieproces gaat gepaard met terugvallen, in de vorm van golven van barbarij. In het vlak voor zijn dood gepubliceerde Studien über die Deutschen sprak hij kalm en onverstoorbaar over 'de decivilisatiegolf van het Hitler-tijdperk'.

We hoeven niet te raden naar Elias' repliek aan cultuurpessimisten uit onze tijd, die constateren dat we in steeds lichamelijkere en schaamtelozere tijden leven. Wie het van een afstand bekijkt, ziet dat het slechts rimpels zijn op een wateroppervlak.

Vorige zomer kwam de Nijmeegse hoogleraar Roos Vonk in opspraak nadat zij, geïnspireerd door onderzoek uit de voorraadkelder van professor Stapel, wereldkundig had gemaakt dat vleesetende mensen egoïstischer en asocialer zijn dan vegetarische. Wat als Vonk voorzichtiger was geweest en zich niet had laten inspireren door Stapel, maar door Norbert Elias (1897-1990), godfather van de moderne sociologie?

Het civilisatieproces, Elias' uit 1936 daterende hoofdwerk, bevat interessante passages over de vleesetende mens. In de middeleeuwen lagen de bloedige lijken van de beesten nog bij hem op tafel, scheurde hij er met zijn handen plakken af en at hij zoveel vlees hij kon. Geleidelijk aan begonnen de hoogste kringen de aanblik van dode dieren pijnlijk te vinden en het aanraken van vlees schaamtevol. In een proces van enkele eeuwen werden de hoeveelheden vlees op tafel steeds kleiner en de hoeveelheden bestek steeds groter. De afkomst van de vleeshompen werd steeds verder gecamoufleerd.

Het gedrag van de hoogste kringen verspreidde zich geleidelijk over de lagere. 'De curve - het opschuiven van de pijnlijkheidsdrempel bij de aanblik van dode dieren, het verplaatsen van het trancheren naar speciale enclaves achter de coulissen - is een typische civilisatiecurve', concludeert Elias. Volkeren of sociale klassen die in latere tijden nog met de hand grote hoeveelheden vlees verorberden, begonnen als 'minder beschaafd' te gelden.

De mens deed er vele eeuwen over zijn vleesconsumptie te minderen, de sprong naar het afzweren van vlees zou hem minstens zo veel tijd kunnen gaan vergen. Een aanwijzing dat het die kant op gaat, vormt de in de tweede helft van de twintigste eeuw gestegen hoeveelheid vegetariërs in rijke en traditioneel vleesetende gebieden.

Weinig grenzen zijn de afgelopen vijfhonderd jaar verder verlegd dan die van wat schaamtevol en pijnlijk is. In de vijftiende eeuw, las Elias in oude boeken, leegde je je neus nog gewoon aan tafel met je vingers. Iets later was het wel zo netjes je hemdsmouw te gebruiken. Weer later begonnen bekakte dames elkaar de loef af te steken met speciale doeken.

In de opkomst van de zakdoek bezat Norbert Elias flink wat expertise. Als 'denker van de snotneus' is hij door bewonderaars geprezen en door vijanden geparodieerd. Maar Elias' kennis strekte zich uit tot onder ons reukorgaan. In de middeleeuwen kon je, bijvoorbeeld, gewoon midden op straat plassen en ondertussen een praatje maken. Binnenshuis spuwde iedereen nog op de grond. We kijken daar nu net zo tegen aan als onze achterachterkleinkinderen straks, laten we gokken, op onze gewoonte hetzelfde toilet te gebruiken als onze collega's of papieren zakdoekjes zonder schaamte in een openbare prullenbak te gooien.

Over de legendarische 16de-eeuwse denker Montaigne wordt vaak geconstateerd dat hij prettig openhartig over zijn stoelgang praat. Maar daarmee betoonde hij zich een kind van zijn tijd. Erasmus was dat ook. In de Colloquia spreekt hij vrijmoedig tegen jonge kinderen over prostitutie en bordelen. In zijn tijd sliepen volwassenen en kinderen nog door elkaar, veelal naakt, en veelal te midden van onbekenden. Zoals mensen in onze tijd met allerlei vreemden een wachtkamer bij de dokter delen, zo deelden ze vroeger een bed. Pyjama's, eigen bedden, eigen kamers, allemaal eigenaardigheden van mensen van latere datum. 'Hun gevoeligheid voor wat met hun lichaam te maken had nam toe', stelt Elias. 'Ook de seksualiteit wordt in de loop van het civilisatieproces steeds meer achter de coulissen van het openbare leven geplaatst.'

Steeds lastiger werd het voor de mens zijn driften en instincten in het openbare leven uit te leven. Het gevolg, wist Elias, was dat veel wat in de uiterlijke wereld plaatsvond zich naar de innerlijke wereld verplaatste.

Het cilivisatieproces werd onlangs 75 jaar oud. Bij uitgeverij Boom verscheen een jubileumeditie van Elias' bijna achthonderd pagina's tellende hoofdwerk. Nederland heeft een reputatie als Eliasland. In Nederland bracht de denker van Joods-Duitse origine het laatste kwart van zijn lange leven door. De Nederlandse socioloog Joop Goudsblom (1932) geldt als zijn grootste pleitbezorger en gangmaker achter zijn herontdekking in de late jaren zestig. Bij Elias vond je complexe ontwikkelingsprocessen beschreven aan de hand van zulke zaken als plassen, spugen en de vork. Daarmee was hij anno 1936 zijn tijd ver vooruit. Vandaag de dag wordt het werk van Elias in Nederland voortgezet door de socioloog Cas Wouters, die ook etiquetteboeken als bron gebruikt.

Elias had in Nederland niet alleen bewonderaars. Jan Blokker senior hekelde het gebrek aan betrokkenheid van deze denker bij de rampen van zijn eigen tijd. Elias deed zijn ontdekkingen over 16de-eeuwse vorken en snotlappen in een tijd dat de Joden in Hitler-Duitsland, inclusief Elias' familie, bloot kwamen te staan aan terreur. Elias was toen al naar het buitenland uitgeweken, eerst naar Frankrijk, daarna naar Groot-Brittannië. Terwijl in zijn geboorteland de synagogen brandden, speurde Elias in de bibliotheek van het British Museum naar prenten van oude zakdoeken. Zijn vader Hermann Elias stierf in 1940 nog net een natuurlijke dood, zijn moeder Sophie Elias werd vermoedelijk in 1941 in Auschwitz vergast. Aan het totalitaire drama van de twintigste eeuw zou Elias pas aan het eind van zijn leven aandacht besteden - mondjesmaat, met een toon die zo afstandelijk was, schreef Blokker, dat die afkomstig leek 'van een Europese antropoloog die een studie over pygmeeën aankondigt'.

Norbert Elias: een wereldvreemde, al te onthechte kamergeleerde. Maar toch ook: een groot denker. Want driekwart eeuw na de voltooiing dwingt Het civilisatieproces nog steeds bewondering af. Dit is een lijvig en afstandelijk maar wel vaak briljant werk waarin veel samenkomt. Wie er de tanden inzet, wordt beloond met een aantal grootse verbanden. Stevig kauwen is een vereiste, Het civilisatieproces is een taai gerecht. Deze auteur schreef in een tijd dat sociale wetenschappers nog geen moeite namen het hun lezers stilistisch naar de zin te maken. Slangenzinnen topzwaar van informatie waren gewoon. In de volgende totaalzin legt Elias uit hoe de menselijke natuur verandert als de grotere hoven in de middeleeuwen lokale geweldsmonopolies verwerven, ridders hun onafhankelijkheid opgeven en daardoor niet meer constant op hun hoede hoeven zijn voor aanvallen op hun bezit. 'Zoals de monopolisering van het fysieke geweld de angst en de schrik verkleint, die mensen voor elkaar moeten hebben, maar tegelijkertijd ook de mogelijkheden om anderen angst aan te jagen en pijn te doen, dus de mogelijkheid tot bepaalde lust- of affectontladingen, zo probeert ook de gestadige zelfcontrole, waaraan de enkeling zich nu steeds meer zal wennen, de contrasten en plotselinge omslagen in het gedrag, de hartstochtelijkheid van alle uitingen in dezelfde mate te verkleinen.' In Het civilisatieproces is dit een doorsneezin.

Een opkomend genre in onze tijd vormen de boeken waarin interessante maar taaie denkers voor een groter publiek worden verklaard. De beste stukken uit Het civilisatieproces kwalificeren zich met stip voor een populaire bewerking.

Vóór het civilisatieproces begon, ontdekte Elias, leidden de meeste mensen alles-of-niets-levens, met hevige lusten en hevige pijnen. Middeleeuwse monniken en mystici waren in hun ascese vaak net zo hartstochtelijk als de krijgers in hun gevechten. 'De krijger (...) had de mogelijkheid tot ongeremde verzadiging van lust aan vrouwen of ook van haat (...). Maar wanneer hij overwonnen werd, was hij tegelijkertijd hierdoor in buitengewoon hoge mate overgeleverd aan het geweld en de hartstochten van een ander (...).' Op diverse plekken in de wereld zie je dat nog steeds, schreef Elias in 1936, en die zin is driekwart eeuw later niet verouderd.

Op de plekken waar het civilisatieproces voortschrijdt, heeft het verliezen van een gevecht minder grote gevolgen, en wordt de mens minder hartstochtelijk. De conflicten die de 'onbeschaafde' mens met de altijd bedreigende buitenwereld uitvocht, vecht de beschaafde mens in toenemende mate uit met zichzelf. Freud bracht de innerlijke strijd in kaart met het veeleisende Über-ich en het driftige Es, het 'carnavalsdeel' van de menselijke persoonlijkheid. Elias: 'De gevarenzone loopt nu in zekere zin dwars door iedere mens zelf. (...) De directe angst die mensen voor elkaar hebben is verminderd, en evenredig daarmee stijgt nu de via het oog en het superego geleide, innerlijke angst.'

Het is zowel fascinerend als wrang dat Elias dit optekende aan de vooravond van de totalitaire rampen van de twintigste eeuw. Hoe kon een civilisatieproces van een millennium de wereld in de twintigste eeuw Stalin, Hitler en Mao schenken? De kern van Elias' antwoord daarop is even helder als onbevredigend: het civilisatieproces gaat gepaard met terugvallen, in de vorm van golven van barbarij. In het vlak voor zijn dood gepubliceerde Studien über die Deutschen sprak hij kalm en onverstoorbaar over 'de decivilisatiegolf van het Hitler-tijdperk'.

We hoeven niet te raden naar Elias' repliek aan cultuurpessimisten uit onze tijd, die constateren dat we in steeds lichamelijkere en schaamtelozere tijden leven. Wie het van een afstand bekijkt, ziet dat het slechts rimpels zijn op een wateroppervlak.

Norbert Elias: Het civilisatieproces.
Norbert Elias: Het civilisatieproces.
Uit het Duits vertaald door Willem Kranendonk, Han Israëls en anderen.

Boom; 780 pagina's; € 49,90.

ISBN 978 94 6105 544 6.

Uit het Duits vertaald door Willem Kranendonk, Han Israëls en anderen.

Boom; 780 pagina's; € 49,90.

ISBN 978 94 6105 544 6.

STEEDS MINDER MOORDEN
STEEDS MINDER MOORDEN
De Canadees-Amerikaanse psycholoog Steven Pinker analyseert in zijn onlangs verschenen Ons betere ik de spectaculaire afname van het aantal moorden in de loop der geschiedenis. In de middeleeuwen werd één op de duizend mensen vermoord, nu is dat in Europa één op de honderdduizend. In navolging van Elias ziet Pinker de opkomst van de staat (met zijn monopolie op geweld) en de wederzijdse afhankelijkheid van handeldrijvende mensen als belangrijkste oorzaken van de afname van geweld. Sinds 1945 beschouwen we niet alleen moord, maar ook het slaan van vrouwen en kinderen of het mishandelen van dieren als weerzinwekkend.

De Canadees-Amerikaanse psycholoog Steven Pinker analyseert in zijn onlangs verschenen Ons betere ik de spectaculaire afname van het aantal moorden in de loop der geschiedenis. In de middeleeuwen werd één op de duizend mensen vermoord, nu is dat in Europa één op de honderdduizend. In navolging van Elias ziet Pinker de opkomst van de staat (met zijn monopolie op geweld) en de wederzijdse afhankelijkheid van handeldrijvende mensen als belangrijkste oorzaken van de afname van geweld. Sinds 1945 beschouwen we niet alleen moord, maar ook het slaan van vrouwen en kinderen of het mishandelen van dieren als weerzinwekkend.

Steven Pinker: Ons betere ik. Waarom de mens steeds minder geweld gebruikt.
Steven Pinker: Ons betere ik. Waarom de mens steeds minder geweld gebruikt.
Contact; 956 pagina's; € 125,-

ISBN 978 90 2542 716 0.

Contact; 956 pagina's; € 125,-

ISBN 978 90 2542 716 0.