Het medische leven van Gustav Mahler

De Mahler-biograaf Stuart Feder is behalve musicoloog ook psychiater. Hij concentreert zich zozeer op de psychiatrische en medische aspecten van Mahlers leven dat hij de muziek soms vergeet....

Dankzij de zegeningen van de moderne geneeskunst, en niet te vergeten die van de geboortebeperking, zullen er in de westerse wereld nog maar weinig mensen rondlopen die voor hun twintigste al hun halve familie begraven hebben. Voor de kunst moet dat een flink verlies zijn. In de optiek van Mahler-biograaf Stuart Feder althans zijn de intense gevoelens van rouw die het hele oeuvre van de grote symfonicus kenmerken, onlosmakelijk verbonden met de vele gevallen van kindersterfte die het gezin Mahler zo tussen 1860 en 1880 teisterden. De jonge Gustav verloor in die periode zeven broertjes, om nog maar te zwijgen van dat ene oudere broertje dat hem voorgegaan was. Geen wonder dat hij later stukken schreef met titels als de Kindertotenlieder. Dat wisten zelfs de minder aandachtige lezers van Mahler-toelichtingen natuurlijk allang, want bij weinig componisten is het verband tussen leven en werk zo duidelijk als bij Mahler, en er zijn ook maar weinig componisten die daarop zelf zo driftig hebben gehamerd. Wat Feder onderscheidt van de doorsnee-Mahler-exegeet is dat hij niet alleen musicoloog is, maar ook psychiater. Eerder verdiepte hij zich in het werk van Charles Ives, wiens jeugd, hoewel veel gelukkiger dan die van Mahler, ook een schatkist aan muzikale inspiratiebronnen moet hebben opgeleverd. In zijn vorig jaar verschenen Gustav Mahler – a life in crisis woelt de New Yorkse vorser met grote grondigheid rond in de getroebleerde, maar blijkbaar niet al te troebele wateren van Mahlers inborst. De onlangs verschenen vertaling van het boek, Gustav Mahler – een leven in crisis, wordt door de uitgever aangekondigd als ‘de eerste volledige Mahler-biografie in het Nederlands’, wat op twee manieren een onwaarheid is. Want niet alleen zijn er hier te lande wel degelijk complete Mahler-biografieën verschenen (denk maar aan de bekende Gottmer-componistenreeks), maar bovendien concentreert Feder zich zozeer op de psychiatrische en medische aspecten van Mahlers leven, dat het boek als biografie verre van compleet is. Zonderling is bijvoorbeeld de overgang van het tweede naar het derde hoofdstuk, dat onverhoeds doorhopst van 1875 naar 1889. Zo blijft een periode van vijftien jaar vrijwel totaal buiten beeld – en dat was wel de tijd waarin Mahler van een pril conservatoriumstudentje uitgroeide tot een meer dan volwassen muzikant. Feders boek is dus meer een psychografie dan een biografie, waar op zichzelf niks mis mee is. Spijtiger is dat het boek nauwelijks over Mahlers muziek gaat – want hoe belangwekkend Mahlers levensloop ongetwijfeld is voor psychoanalytici, zijn echte publiek bestaat toch uit luisteraars, en die worden van deze postume zielknijperij niet veel wijzer. Toegegeven, Feder gaat wel uitvoerig in op de teksten, wat gezien Mahlers literaire belangstelling ook absoluut noodzakelijk is, maar dat is nou precies wat die programmatoelichtingen ook al tientallen jaren doen, dus juist daar vallen weinig nieuwe inzichten aan te behalen. Veelzeggend is dat het boek wel een personenregister, maar geen index op composities bevat, en dat pas op bladzijde 154 iets over de muziek zelf wordt gezegd – namelijk over het Alma-thema in de Zesde Symfonie: ‘hartstochtelijk en verlangend in de eerste vijf tonen; daarna volgt berusting in de dalende lijn.’ Als verduidelijking van de voorgaande mededeling dat het huwelijk tussen Mahler en de twintig jaar jongere Alma Schindler ‘wankel’ was, is deze analyse wel van een verbluffende nietszeggendheid. Als casestudy naar Mahlers complexe zielenleven is het ongetwijfeld een geslaagd en gedegen boek. Het brandpunt zijn de vier crises die Mahler tijdens zijn levensloop doormaakte, te beginnen met het composers’ block dat hem halverwege zijn Tweede Symfonie parten speelde (en dat terug te voeren valt op de zware verantwoordelijkheid waarmee hij belast was doordat hij na de dood van zijn ouders voor zijn jongere broers en zussen moest zorgen). De tweede crisis speelde zich af in 1901, toen de veertigjarige componist, die al zijn leven lang last had van ‘onderaardse problemen’, namelijk aambeien, geplaagd werd door dermate hevige bloeduitstortingen dat hij meende de dood nabij te zijn. De derde crisis was minder illusoir, want in 1907 stierf Mahlers oudste dochter op 5-jarige leeftijd, en werd bovendien bij de componist zelf een hartkwaal geconstateerd.Feder legt in al deze gevallen uit hoe Mahler deze crises het hoofd bood en ze als scheppend kunstenaar vruchtbaar wist te maken. Het meest gedetailleerd gaat het boek in op het laatste, turbulente levensjaar van Mahler, waarin hij tot de ontdekking kwam dat zijn vrouw het met de jonge architect Walter Gropius hield, wat hem als een mokerslag trof. Dat dit zijn sporen heeft nagelaten als hartstochtelijke uitroepen, neergekrabbeld in de marges van de onvoltooide Tiende Symfonie, weet iedere Mahler-liefhebber. Maar zelden is de achtergrond van dit alles zo uitgebreid belicht als Feder hier doet, inclusief de ‘schoonmoederbinding’ die Mahler er op na hield met Alma’s moeder, die slechts drie jaar ouder was dan hijzelf. Uiteraard heeft Feder ook vele pagina’s ingeruimd voor het gesprek dat Mahler naar aanleiding van zijn huwelijksperikelen op 26 augustus 1910 voerde met Sigmund Freud. Voor dit consult reisde hij speciaal naar Leiden, omdat Freud op dat moment met vakantie was in Noordwijk. Dat Mahler nog veel vaker in Nederland is geweest, wordt slechts zijdelings aangestipt, evenals de rol die zijn voorvechter Willem Mengelberg daarbij heeft gespeeld. De Bezige Bij heeft er een mooi boek van gemaakt, dat typografisch goed verzorgd is en prettig in de hand ligt. De vertaling van Albert Witteveen is deugdelijk, al vertoont ze enkele sporen van haastwerk. Dat hij geen chocola heeft kunnen maken van zinsneden als ‘Een emulatie zou een psychologische transformatie van broedermoord in het tegengestelde tot stand hebben gebracht en onaanvaardbare wensen hebben afgeweerd’ is niet meer dan vergeeflijk. Voer voor psychologen dus. Maar het verhaal over Alma, die na Mahler nog diverse mannen versleet, blijft sappig leesvoer. De Story is er niks bij.