Het beroemdste geschiedenisboek

ER ZAT EENS een kleine, roodharige Engelsman uit te rusten bij de resten van wat eeuwen tevoren het centrum van het keizerlijke Rome was geweest....

We weten dit van de schrijver Edward Gibbon zelf. 'In mijn dagboek zijn plaats en tijd van de conceptie van dit werk vastgelegd: 15 oktober 1764, tegen het vallen van de avond, terwijl ik zat te mijmeren in de kerk van de sandalendragers oftewel franciscaner monniken, die vespers zongen in de tempel van Jupiter op de ruïnes van het Capitool.'Het zijn vaak geciteerde woorden. Strikt genomen kloppen ze niet. Het regende op de bewuste vijftiende oktober en Gibbon heeft die dag helemaal geen ruïnes bezocht, dus ook niet die van het Capitool, waar de Santa Maria in Ara Coeli is verrezen op de plek waar eens de tempel had gestaan van Juno (niet van Jupiter). Verder is in het dagboek waarop Gibbon zich expliciet beroept, geen spoor van de geciteerde woorden te vinden.Maar het is een kniesoor die daarop let. Naar de letter mag Gibbons voorstelling van zaken niet juist zijn, naar de geest is zij dat wel - door zijn bezoek aan Rome is de jeugdige Edward Gibbon (1737-1794) ertoe gebracht zich voortaan bezig te houden met het verhaal van het verval en de ondergang van het Romeinse rijk.Dat verval zette volgens hem in aan het einde van de tweede eeuw. Daarvóór was er nog niets aan de hand geweest, sterker nog: 'Als aan iemand zou worden gevraagd in welke periode van de wereldgeschiedenis het mensdom het gelukkigst en welvarendst was, dan zou hij zonder aarzelen het tijdvak noemen tussen de dood van Domitianus en de troonsbestijging van Commodus.'Keizer Domitianus werd in 96 vermoord, Commodus, die zich een tweede Hercules waande en hoogstpersoonlijk in de arena optrad tegen wilde dieren en gladiatoren, is in 180 de opvolger geworden van Marcus Aurelius, de filosoof op de keizerstroon. In de tussen Domitianus en Commodus in gelegen periode regeerden behalve Marcus Aurelius onder anderen Trajanus en Hadrianus.De definitieve ondergang kwam heel wat eeuwen later. The Decline and Fall of the Roman Empire bestrijkt de periode van de vroege keizertijd tot en met de val van Constantinopel in 1453. Dat alleen al stempelt Gibbons magnum opus tot een uitzonderlijk werk. Gewoonlijk laat men immers de Romeinse geschiedenis in de vijfde of zesde eeuw eindigen en wordt het wel en wee van Constantinopel behandeld bij de geschiedenis van de Middeleeuwen. Zo niet Gibbon.Niet alleen het Rome van de klassieke Oudheid komt in de Decline and Fall aan bod, maar ook het Oost-Romeinse of Byzantijnse rijk, dat nog eeuwenlang bleef voortbestaan, nadat in het westen in 476 de laatste keizer van zijn troon was gestoten.In 1776 is het eerste deel van de Decline and Fall verschenen. Toen het werk in 1787 was voltooid, telde het ongeveer 2500 bladzijden en 8362 vaak zeer geestige voetnoten. Gibbon was op dat moment vijftig jaar oud. Al op zeer jeugdige leeftijd had hij zich voorgenomen van geschiedschrijving zijn levenswerk te maken. Eerst heeft hij overwogen de vrijheid van de Zwitsers als thema te kiezen. Daarna heeft hij zijn oog laten vallen op Florence in de tijd van de Renaissance.Gelukkig zijn beide plannen niet doorgegaan. En gelukkig heeft hij ook een ander idee tijdig laten varen, namelijk om zijn geschiedwerk in het Frans te schrijven. Het succes van de Decline and Fall of the Roman Empire is nu eenmaal voor een groot deel te danken aan het fraaie Engels dat Gibbon schreef, een Engels vol humor, cynisme en ironie.Het aanvankelijke plan om in het Frans te schrijven hangt samen met Gibbons verblijf in Lausanne. Daar heeft hij een aantal jaren gewoond en daar is hij begonnen aan zijn eerste belangrijke publicatie, een Essai sur l'étude de la littérature (1761). In Lausanne ook is hij verliefd geworden, voor de eerste en enige maal in zijn leven. Het geplande huwelijk met Suzanne Curchod is echter niet doorgegaan.Ook in dit geval kan van geluk worden gesproken. Een huwelijk met de dochter van een arme dominee zou waarschijnlijk het ontstaan van de Decline and Fall in de weg hebben gestaan. Het familievermogen, dat Gibbon in staat heeft gesteld een aangenaam vrijgezellenbestaan te leiden en een uitgebreide bibliotheek op te bouwen, zou waarschijnlijk niet toereikend zijn geweest om een vrouw en eventueel kinderen te onderhouden. Toen Gibbons vader, die van een huwelijk van zijn op dat moment 20-jarige zoon volstrekt niet was gediend, de nadelen van zo'n verbintenis in schrille kleuren had geschilderd, gaf Gibbon zijn trouwplannen op. Beroemd zijn zijn de woorden: 'I sighed as a lover, I obeyed as a son.'Naar Lausanne was Gibbon gestuurd, omdat hij tijdens zijn studie in Oxford in de ogen van zijn vader op het verkeerde pad was geraakt. Hij was in Oxford katholiek geworden. Toen zijn vader van deze 'misstap' hoorde, heeft hij zijn zoon ter verantwoording geroepen en hem uit Oxford weggehaald. In Zwitserland werd hij onder de hoede van een calvinistische dominee gesteld. Dat hielp. Na korte tijd, zo schreef hij later, voelde hij zich weer in volle overtuiging protestant.Zijn geloofsovertuiging heeft Gibbon er niet van weerhouden de zijns inziens negatieve rol van het christendom in het proces van Romes ondergang breed uit te meten. Hij meende onder andere dat de door exclusivisme en fanatisme gekenmerkte nieuwe godsdienst grote verdeeldheid heeft gezaaid in de tolerante wereld van het heidendom. Ook werden vaak de beste Romeinen weggeroepen van hun taken, doordat zij zich als priesters of monniken in dienst stelden van de christelijke kerk. Het functioneren van het openbaar bestuur en de krijgsmacht werd daardoor ondermijnd. Op den duur had dit fatale gevolgen.Gibbons visie op het christendom als beslissende factor in het proces van neergang was niet geheel en al nieuw. Al in de Oudheid waren soortgelijke geluiden te horen geweest. Toen in 410 de Visigothische koning Alaric erin was geslaagd de 'Eeuwige Stad' in te nemen en te plunderen, gaven heidenen de christenen hiervan de schuld. Uiteraard protesteerden christenen op hun beurt fel tegen deze aantijgingen. Hun voornaamste woordvoerders waren de kerkvader Augustinus - hij schreef als bijdrage aan de polemiek zijn De civitate Dei ('De staat Gods') - en Augustinus' leerling en bewonderaar Orosius, schrijver van een wereldgeschiedenis vanaf de schepping tot aan zijn eigen tijd.Sommige tijdgenoten van Gibbon namen het, net als Augustinus en Orosius eerder, op voor het christendom. Weer ontstond een felle discussie. Deze had, ironisch genoeg, een door Gibbons bestrijders onbedoeld neveneffect: de bladzijden over de christenen zijn tot de meest gelezen gedeelten van de Decline and Fall gaan behoren - in de bekende, onlangs ook in een Nederlandse vertaling uitgebrachte verkorte versie van Gibbons meesterwerk zijn de desbetreffende hoofdstukken dan ook terecht in hun geheel opgenomen.Latere historici kwamen ook telkens op de kwestie terug. In het debat over de toestand van het Romeinse rijk in zijn nadagen duikt daarom tot op de dag van vandaag de naam van Gibbon voortdurend op - geen gering compliment voor een achttiende-eeuwse geschiedschrijver.Er is uiteraard kritiek mogelijk op Gibbon. Geen geschiedschrijver heeft de wijsheid in pacht. Gibbons boek is bovendien duidelijk gedateerd. Historici hebben niet stilgezeten sinds 1776. Er werden en worden sindsdien andere vragen gesteld. Er zijn nieuwe bronnen aangeboord, of er zijn betere bronnenuitgaven verschenen dan die waarover Gibbon kon beschikken. Verder hebben de voortschrijdende specialisatie in de geschiedwetenschap en de verworvenheden van hulpwetenschappen gemaakt dat The Decline and Fall of the Roman Empire in bepaalde opzichten volstrekt is verouderd.Zelfs de centrale stelling van Gibbon is onder vuur komen te liggen. Sommige moderne historici, en niet de minsten, willen van neergang en verval in de late keizertijd niet horen. Zij spreken liever van desintegratie en transformatie. In hun ogen viel het Romeinse rijk niet, maar veranderde het in iets anders. Ook in deze optiek is overigens een hoofdrol weggelegd voor het christendom. Deze godsdienst wordt nu niet gezien als katalysator in een proces van decline and fall, maar als aanjager van een metamorfose.Geschiedenis is, naar een woord van Geyl, een discussie zonder eind. Met zijn Decline and Fall heeft Edward Gibbon aan die discussie een grote bijdrage geleverd. Al is het werk in bepaalde opzichten achterhaald, als synthese is het nog steeds onovertroffen. The Decline and Fall of the Roman Empire is de gelukkige combinatie van een literair en een historisch meesterwerk.