HAUTE LUMIÈRE

Lichtontwerpers – voor theater, opera of concerten – moesten tot voor kort hun vak in de praktijk leren. Maar sinds een jaar is er het instituut Lichtontwerpen....

Je weet dat er drie danseressen staan in de donkere ruimte, maar wat je ziet zijn slechts drie torso’s, bijgelicht door peertjes op heuphoogte die steeds feller gaan schijnen. De torso’s beginnen hoekige bewegingen te maken, armen halen af en toe uit als klauwen. Aan het eind geven de danseressen een slinger aan het peertje voor hen, lichtstrepen schieten door de ruimte. Applaus klinkt, de repetitie in de studio van de Artez dansacademie in Arnhem is afgelopen. Choreografe Maria Ramos en lichtontwerpster Vinny Jones hebben nog een week voor de voorstelling in première gaat en zijn druk in overleg. Hoe kunnen ze er met het licht voor zorgen dat de nadruk nog meer op de romp komt te liggen? En zal het met de apparatuur in de grote zaal straks wel lukken om het zijlicht strak af te bakenen, zodat er geen straaltjes ‘weglekken’?In Nerves Like Nylon speelt de belichting een centrale rol. Niet alleen bepalen de uitgekiende spotjes de mysterieuze sfeer, ze zorgen er ook voor dat de danseressen bijna tot klassieke sculpturen verworden. En dat is wat Vinny Jones met haar lichtontwerpen wil bereiken: dat het licht een inhoudelijke functie heeft binnen de voorstelling. ‘Licht kleurt een voorstelling niet slechts in, het moet een onderdeel zijn dat mede het verhaal vertelt.’ Jones is een van de deelnemers aan het tweejarig ‘coachingstraject’ van het instituut Lichtontwerpen (iLo) in Amsterdam. Het instituut wil het beroep van lichtontwerper professionaliseren en biedt daartoe sinds bijna een jaar een opleiding aan. Want wie iets wil leren over de techniek van licht kan terecht bij bijvoorbeeld de hbo-opleiding Theater & Techniek, maar een opleiding gericht op de creatieve kant bestond in Nederland nog niet. De meeste lichtontwerpers leerden het vak daarom in de praktijk. Ze begonnen ooit als technicus bij een theatergezelschap met het ophangen van spots en het aansluiten van kabeltjes. Een technicus voert voornamelijk uit wat bedacht is door een ander – de regisseur of, als die er is, de lichtontwerper. Naarmate een technicus meer talent en ervaring heeft, groeit zijn artistieke invloed op de voorstelling. En idealiter ontwikkelt hij zich dan tot lichtontwerper die vooral de plannen maakt die technici uitvoeren.Maar dat carrièrepad is tegenwoordig steeds moeilijker te bewandelen, bemerkte Henk van der Geest, initiatiefnemer van het instituut Lichtontwerpen. Als lichtontwerper werkte hij de afgelopen 35 jaar voor onder meer de Nederlandse Opera, Toneelgroep Amsterdam en diverse musea. ‘De techniek heeft inmiddels zo’n vlucht genomen, met LED en digitaal licht, dat het al veel kennis vergt om dat deel van het vak te beheersen. Er zijn maar weinig technici die vervolgens ook nog de sprong naar artistiek lichtontwerper maken. Er ontstaat nu een grotere scheiding tussen de technische en de creatieve kant van licht. En juist die kant willen wij met het instituut professionaliseren.’ ‘Haute lumière’ en ‘confectie’ – zo duidt Van der Geest het onderscheid aan tussen artistieke lichtontwerpen en licht gecreëerd door een technicus. ‘Dat laatste is vooral het op elkaar stapelen van effecten door iemand die weet hoe de knopjes werken. Het is niet zo moeilijk bij een show te imponeren met grote spotlights of snelle kleurwisselingen.’ Maar een goed lichtontwerper geeft met zijn licht inhoud aan een voorstelling: het effect is niet op zichzelf staand, maar stuurt de emotie van het publiek, creëert een sfeer en zet de gebeurtenissen op het podium niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk in een ander licht. Dat kan door kleur, maar ook door bepaalde personages voor het voetlicht te plaatsen of te werken met dramatische schaduwen. ‘Daarvoor heb je mensen nodig die inhoudelijk kunnen nadenken over licht.’De aantrekkingskracht van het beroep zit voor Vinny Jones ook in de invloed die ze heeft op een voorstelling. Als Australische kwam ze na enige omzwervingen zeven jaar geleden in Amsterdam terecht, waar ze aan de slag ging als lichttechnicus bij het Veemtheater. ‘Toen ik zag hoe lichtontwerper Ge Wegman daar werkte, hoe hij met licht emoties in een voorstelling stuurde, wist ik dat ik ook die kant op wilde.’ De invloed van een lichtontwerper op een voorstelling is vaak groter dan het publiek kan vermoeden. In het gunstigste geval is de ontwerper vanaf het prilste begin bij een productie betrokken en kunnen zijn ideeën de regie in grote mate beïnvloeden. In de dansstudio in Arnhem, waar Jones samenwerkt met choreografe Maria Ramos, wordt dat op microniveau duidelijk. De lichtontwerpster kijkt naar de drie danseressen. ‘Zoals het de laatste keer was, stonden ze zo dicht bij elkaar dat het voor mij als kijker één geheel vormde. Zou het niet beter zijn ze verder uit elkaar te positioneren, zodat ik de keuze heb?’ Goed idee, vindt Ramos. De danseressen schuifelen uit elkaar. ‘Ja’, besluit Jones, ‘nu ligt de focus op de voorste danseres, maar ik kan wisselen naar de zijkanten.’ Zulke kleine discussies voeren ze voortdurend.De show Nerves Like Nylon is een afstudeerproject van Ramos. De choreografe wilde iets bijzonders doen met licht en heeft daarom vanaf het begin overleg gevoerd met Jones. ‘Behalve uitgebreide gesprekken over het concept, gaf Maria mij ook visuele referenties die haar inspireerden’, vertelt Jones. ‘Voor haar choreografie liet ze zich inspireren door film noir en een tekst van Samuel Beckett. Communiceren over licht is lastig, want pas als je het ziet, begrijp je hoe het licht uitpakt. Je kunt dat nauwelijks in woorden vangen. Maar doordat Maria mij laat zien waar ze haar inspiratie vandaan heeft, snap ik ongeveer welke kant ze uit wil.’Het coachingstraject op het instituut Lichtontwerpen is niet bedoeld voor schoolverlaters, maar voor ontwerpers met enige ervaring en een eigen bedrijf, die zich verder willen ontwikkelen. De opdrachten die deelnemers vanuit hun eigen praktijk hebben, vormen de basis. Op iLo geven mentoren daarbij tijdens het hele proces feedback. Daarnaast zijn er workshops rond een thema – bijvoorbeeld ‘Licht in de schilderkunst’ – en komt er drie keer per maand een expert uit het vak zijn kennis delen. Wat de coaching zinvol maakt volgens Vinny Jones, is de ruimte om te experimenteren. ‘Het lastige aan dit beroep is dat je bijna nooit gelegenheid hebt om te oefenen’, vertelt ze al heen en weer rijdend met haar ladder. Want voordat de dansers überhaupt een beweging hebben gemaakt, is Jones in de studio al ruim een uur bezig met apparatuur ophangen, lichten focussen en kabels aansluiten. Dan blijft er soms weinig tijd over voor het experiment. ‘Het kan heel makkelijk zijn om eerdere successen toe te passen in nieuwe opdrachten. Maar juist omdat er nu experts meekijken, word je getriggerd iets met die dromen in je hoofd te doen, om nieuwe dingen te proberen.’ Juist om die experimenteerdrift te stimuleren, moeten deelnemers voor ze aan het coachingstraject beginnen, een plan maken voor een onderzoek naar een specifieke toepassing van licht. Dat is meteen ook de reden dat nog maar drie lichtontwerpers het tweejarige traject volgen. Van der Geest: ‘Je moet al vrij precies weten wat je wil om zo’n onderzoeksplan op te stellen. Dat blijkt voor veel potentiële deelnemers een probleem.’In het pand van het iLo zijn twee schaaltheaters, van 1 op 4 en 1 op 6, die als een soort laboratorium kunnen worden gebruikt. Het handige aan een schaaltheater is dat je snel je opstelling kunt wijzigen, zonder gesjouw. Dat maakt ze ook heel geschikt om een lichtplan in te presenteren aan een regisseur of opdrachtgever.Yvon Muller, die ook het coachingstraject volgt, heeft haar onderzoek naar de projector als lichtbron net afgerond. Videobeelden worden dan geprojecteerd in de ruimte in plaats van op een plat vlak. ‘Mijn onderzoek, waarbij ik samenwerkte met een componist, ging over lichtveranderingen gedurende een etmaal. Ik wilde een voorstelling creëren waarin je beelden kunt beleven in de ruimte om je heen. Eerst heb ik in het schaaltheater geëxperimenteerd met verschillende soorten geprojecteerd licht. Later is dat uitgemond in een voorstelling in een kaal atelier, dat ik van vier kanten belichtte met beamers. Daarin speelden videobeelden van natuurlijk buitenlicht, die ik heb opgenomen op verschillende tijdstippen binnen één etmaal. Bezoekers konden daar middenin staan en zich als het ware helemaal laten opzuigen door het licht.’ Initiatiefnemer Van der Geest van het iLO vindt het ook belangrijk dat er een nieuwe generatie van goede lichtontwerpers opstaat, omdat het werkterrein zich de laatste jaren steeds verder uitbreidt. Succesvolle lichtontwerpers uit het theater worden ingezet bij de belichting van gebouwen, de openbare ruimte of een tentoonstelling. Want licht bepaalt voor een belangrijk deel hoe een toneelstuk, gebouw of ruimte wordt beleefd en juist het ‘belevenisdenken’ rukt de laatste jaren op in de architectuur, de museumwereld en ook in citymarketing. Zelf kreeg Van der Geest, nadat hij zich als zelfstandig lichtontwerper in het theater en voor de opera had bewezen, steeds vaker opdrachten in architectuur en tentoonstellingsverlichting. ‘Dat is een goede volgorde, want vooral bij de belichting van gebouwen is oefenen er helemaal niet meer bij. Dan zitten je spots gegoten in beton.’ Om de deelnemers iets te leren over licht in de openbare ruimte, schuift deze middag architect Tom Veeger aan, die in het verleden ook met licht in het theater heeft gewerkt en als beeldend kunstenaar bovendien lichtinstallaties maakt. In Eindhoven ontwierp hij een aantal ‘specials’, zoals hij ze zelf noemt. Voor de gevel van een Albert Heijn XL aan de ringweg in Eindhoven bijvoorbeeld, ontwierp hij een wand vol blauwe neonlampen die een dynamisch knipperspel spelen. ‘Een bijna abstract beeld en inmiddels een herkenningspunt in de stad’, aldus Veeger. De deelnemers aan het coachingstraject hebben zelf nog nauwelijks ervaring buiten het theater. De nadruk in Veegers gastles ligt dan ook vooral op hoe de ambtelijke wereld, waar je als ontwerper voor de openbare ruimte veel mee te maken krijgt, in elkaar steekt. ‘Bij zo’n eerste presentatie kun je maar het beste extreem inzetten’, houdt hij zijn klasje voor. ‘Dan kun je goed peilen hoe ver de opdrachtgever durft te gaan. Daarna kun je altijd nog iets afzwakken.’ Zo pakte hij het ook aan met de Demerpassage, een verloederde spoortunnel die onder Veegers invloed veranderde in een gang van wisselende kleuren, met sensoren die de lichten laten reageren op bewegingen van fietsers en voetgangers. ‘Ik maak dan tekeningen van de droombeelden die ik in mijn hoofd heb.’ Hij laat een kleurig presentatieboek zien. ‘En al pratend met de opdrachtgever tast je af wat wel en niet kan.’ Veeger bereidt de deelnemers ook voor op de frustraties die buiten het theater bij lichtontwerp komen kijken. ‘Het duurt jaren voor de vergunningen rond zijn. En dan zit het soms nog tegen: de brandweer bepaalde voor de Demerpassage dat de sprinklerinstallatie midden over het plafond moest lopen. Lelijk, maar ik paste mijn lichtplan er op aan. Toen het er vervolgens hing, kwamen ze tot de conclusie dat de sprinklers toch beter langs de zijkanten konden hangen.’ Yvon Muller zucht diep na het horen van dat frustrerende verhaal. Ze maakt binnenkort haar eerste lichtontwerp voor de openbare ruimte en dus komt het bezoek van Tom Veeger goed uit. ‘Ik ben gevraagd iets met licht te doen onder een brug in Arnhem, bij het kunstwerk de Blauwe Golven van Peter Struycken. Spannend, want dan kan ik op veel grotere schaal werken dan in het theater. Ik wil met licht het effect creëren van een waterspiegeling onder een brug, waar geen echt water stroomt, maar ik zoek nog naar goede apparatuur.’ Helemaal niet nodig, volgens Veeger. ‘Zo’n effect kun je ook zelf in elkaar zetten.’ En dan volgt een voor de leek onnavolgbare technische uitleg over gobo’s, armaturen en kit.Het instituut Lichtontwerpen heeft ook een taak in het opwaarderen van het beroep lichtontwerper, want Nederland loopt achter op het buitenland. In landen als Groot-Brittannië en Duitsland zijn al grote onafhankelijke lichtbureaus ontstaan met soms twintig ontwerpers in dienst, terwijl hier vaak nog het advies van een fabrikant als Philips wordt gevolgd, zegt Van der Geest. ‘Die hebben een eigen belang en kijken vaak alleen naar de lichtsterkte en het design van de armaturen. Terwijl het ook om het soort licht gaat, welke kleuren zitten er in het spectrum?’ Een verkeerd soort licht kan tot gevolg hebben dat kleuren fletser of groeniger ogen dan ze in feite zijn. Of dat de materiaalstructuur van een voorwerp niet te zien is, terwijl dat wel de bedoeling is. Van der Geest noemt als voorbeeld de gerenoveerde Ridderzaal. ‘Daar hangen prachtige tapijten en wandkleden, maar door de belichting die was gekozen kwamen ze totaal niet uit. De kleuren waren flets. Dan komen ze bij mij voor een oplossing. Het bleek dat vooral was gelet op energiezuinigheid van de lampen. Ik heb de helft van de armaturen vervangen voor lampen met een betere kleurweergave-index, die uiteindelijk niet eens zoveel meer energie vragen. Dat vervangen is duur en daarom zou je lichtontwerpers vanaf het begin bij een project moeten betrekken.’Terug naar Arnhem, waar Vinny Jones nog een beetje twijfelt na de repetitie. Ze hoopt dat de streep achtergrondlicht die ze in gedachten heeft, straks in de grote zaal goed zal overkomen. Hier in de studio, waar achterin gordijnen hangen, oogde het nog niet zo strak. Maar volgende week bij de try-out komen enkele afgevaardigden van het iLo kijken naar haar werk, zodat ze het ontwerp op basis van hun feedback eventueel nog kan perfectioneren.Want hoe beoordeel je of een lichtontwerp is geslaagd? Henk van der Geest vindt dat de kwaliteit van licht in een theatervoorstelling herkenbaar is aan zijn onherkenbaarheid. ‘Het licht is goed wanneer je je er als toeschouwer niet bewust van bent geweest dat het je heeft beïnvloed. Als je licht als apart onderdeel herinnert, was er geen magie.’ Jones is het met die opvatting ‘uit het boekje’ niet helemaal eens. Ze vindt het best leuk om het publiek bijvoorbeeld te verblinden met wit licht, waardoor ze de scène erna nog een beetje sterretjes zien. ‘Soms vind ik het wel kunnen om het publiek te overvallen met zo’n groots effect. Als het maar een functie heeft binnen de voorstelling. Het licht hoeft niet onzichtbaar te zijn. Voor mij is het perfect wanneer je je niet meer voor kunt stellen dat het licht anders zou kunnen zijn.’