De prehistorie van de Betuwelijn is af

Nederlands grootste archeologieproject, de opgravingen langs de Betuweroute, wordt maandag feestelijk afgesloten. Duidelijk is nu hoe aantrekkelijk het rivierengebied altijd is geweest voor bewoning....

WAT WAREN de archeologen blij toen ze Trijntje vonden in een diepe kuil aan de Merwede. Het was 1997 en de opgravingen op de Betuweroute in Hardinxveld-Giessendam waren nog maar een paar maanden aan de gang. Met trots kon een eerste resultaat aan de toegestroomde media worden getoond: Nederlands oudste grafveld met Nederlands oudste complete skelet.Nou ja, compleet, Trijntjes wervelkolom en ribbenkast waren zo goed als verdwenen en de andere botten waren in te slechte staat om er veel uit de kunnen concluderen. Maar toch, een min of meer gaaf gebeente van 7500 jaar oud, de onderzoekers tekenden er graag voor.Want het was mooie reclame voor het grootste archeologieproject dat Nederland ooit heeft gekend: de opgravingen op het tracé van de omstreden Betuwelijn. Negentien vindplaatsen zijn er blootgelegd op vijftien locaties langs de 170 kilometer lange route. Het hele onderzoek vergde bijna tien jaar. Maandag worden in Rotterdam de resultaten feestelijk gepresenteerd.Die resultaten zijn nogal verschillend. Want er is niet alleen gegraven in het tijdperk van Trijntjes dood, de overgang van Midden-Steentijd naar Jonge Steentijd. Ook de Bronstijd (pakweg drie-, vierduizend jaar geleden), de IJzertijd (800 tot 50 voor Christus), de Romeinse periode en de Middeleeuwen kwamen langs de Betuweroute aan bod. Wat deden mensen in die periodes op die plekken? Woonden ze er permanent? Leefden ze van de jacht, de landbouw of allebei? Hoe zag het landschap eruit? Dit soort vragen hoopten de onderzoekers te beantwoorden.Dus gingen ze bijvoorbeeld graven in de Papendrechtse Stroomrug, de meest westelijke vindplaats van het Betuweroute-project, waar een grafveld uit de IJzertijd werd vermoed. Dat lag er niet - geen enkel spoor van permanente bewoning trouwens, al waren er in die tijd overal in Nederland al boeren. Maar tussen 500 en 150 voor Christus kreeg de stroomrug wel af en toe bezoekers, die grote vuren stookten en maaltijden nuttigden, bleek uit de vondst van houtskool, aardewerk en bot.Tot hun verrassing vonden de onderzoekers wél sporen van een midden-IJzertijd-nederzetting op de meest oostelijke opgraving: Kesteren-de Woerd bij Ochten. De mensen boerden hier destijds. Ze hielden rundvee en ze teelden gerst en emmertarwe. Eigenlijk waren de archeologen hier op zoek naar resten uit de Romeinse tijd, die ze overigens óók vonden. Ze concludeerden eruit dat de inheemsen in hun dorp hier, ondanks de aanwezigheid van de Romeinen, vasthielden aan veel eigen tradities.Maar dé toplocatie van het project was Hardinxveld-Giessendam, de Polderweg, en niet bepaald alleen vanwege Trijntje. Op grond van eerder onderzoek hoopten de archeologen met deze opgraving iets meer te kunnen zeggen over wat velen van hen bezighoudt: de opkomst van landbouw en veeteelt in Nederland. Wanneer, kortom, waar, waarom en hoe de Midden-Steentijd overging in de Jonge?De archeologen groeven hier aan de Merwede een enorme put van tien meter diep, tegen het grondwater beschermd door damwanden. In de diepte stuitten zij op een donk: een rug van zand, die ooit in de laatste IJstijd door de wind was omhooggeblazen en later diende als grond om op te leven, omdat je er je voeten droog kon houden.Trijntje lag er, maar nog veel meer. Meer dan één persoon en meer dan één hond waren er ooit begraven, een sterke aanwijzing dat hier langere tijd werd gewoond. Er werd vaak op snoek gevist en wild - eenden, zwanen, otters, reeën - was er in overvloed.Wat hier lag, was een 6500 tot 7500 jaar oude tussenvorm tussen een snel verplaatsbaar kamp en een echt dorp. Bepaalde delen van het jaar - vaak de late winter - verbleven hier hele families om te fourageren. Maar landbouw of veeteelt bedreven zij niet, er was geen permanente bewoning. Aan de Polderweg, zeggen de deskundigen, is voor het eerst in Nederland een volledig beeld opgedolven van de levenswijze van de mensen in die tijd.Toch was niet alles rozengeur en maneschijn op de Betuweroute. Op veel vragen moesten de archeologen het antwoord schuldig blijven. Dan waren de vindplaatsen verstoord door latere bewoning, of de vondsten waren in te slechte staat voor veelzeggende analyses, of er lag te weinig.Zijn er desondanks conclusies te trekken uit al die verschillende opgravingen?'In ieder geval dat het rivierengebied altijd al aantrekkelijk is geweest voor bewoning', zegt drs. Cees Koot, projectleider Archeologie Betuweroute. 'Dus lang voordat de dijken kwamen, hebben de mensen hier goed gewoond op de droge gebieden.'Verder is nu nog duidelijker geworden dat de bewoners van het westen van het land veel langer joegen en verzamelden en veel later gingen boeren dan die in Zuid-Limburg, waar zevenduizend jaar geleden al landbouw werd bedreven. Niet omdat ze in het westen achterlijker waren, maar omdat ze het nut er niet van inzagen zich af te beulen op een akkertje.'Ten slotte zijn we veel meer te weten gekomen over de Bronstijd. Er waren wel een paar vindplaatsen van bekend in het gebied, maar nu weten we dat er toen veelvuldig werd gewoond, dat er systemen waren van velden en wegen.'En nu de resultaten binnen zijn, is het nu afgelopen met de archeologische bemoeienis met de Betuwelijn? 'Ook tijdens de bouw van de spoorweg blijven we aanwezig', vertelt Koot. 'Als de bouwers op iets stuiten dat de moeite van het opgraven waard is, zeg maar een Journaal-waardige vondst, dan kan uiteindelijk de staatssecretaris van OCW besluiten dat dit moet gebeuren.