'Emile Ratelband was een soort Hadjememaar'

Kleine politieke partijen met schreeuwerige types had je tussen de twee wereldoorlogen ook. Maar slechts enkele partijtjes hielden stand en braken door, stelde de historicus Koen Vossen vast....

ALS HIJ de LPF met een kleine politieke partij uit het interbellum moet vergelijken, dan is het de Economische Bond. De wat? 'De partij van de flamboyante Willem Treub, opgericht in 1918', zegt historicus Koen Vossen uit zijn hoofd. De populistische, liberale oud-minister Treub 'uitte net als Pim Fortuyn zijn onvrede met de ''achterkamertjespolitiek'' van de politieke elite. En ook Treub werd gesteund door de nouveaux riches.'Een voorloper van Fortuyn uit 1918: Vossen is waarschijnlijk de enige in Nederland die hem had kunnen vinden. Bijna vijfenhalf jaar deed de historicus onderzoek bij het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in Den Haag naar de ongeveer 140 kleine, soms minuscule partijen die tussen 1918 en 1940 een aanval deden op de gevestigde politiek. Dinsdag promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Vrij vissen in het Vondelpark, naar de leus van de Rapaille-partij uit 1921, van de Amsterdamse zwerver Hadjememaar.Kleine partijen vormen een onderwerp dat een paar jaar geleden nog behoorlijk obscuur werd gevonden, vertelt Vossen. Inmiddels is dat veranderd. De opkomst van de Leefbaar-partijen en daarna de Lijst Pim Fortuyn, hebben het fenomeen van de nieuwe politieke partij in het centrum van de belangstelling geplaatst. En daarom waarschuwt Vossen maar meteen: elke vergelijking tussen het interbellum en 2002 is 'ontzettend moeilijk'.De verzuiling is immers al jaren voorbij. De tv is een nieuwe, invloedrijke factor. De media zijn niet meer partijgebonden ('Demonisering? Je moet eens lezen hoe de Volkskrant in die tijd over sommige politici schreef'). En er is een lijsttrekker doodgeschoten, een gebeurtenis waarvoor in de moderne Nederlandse geschiedenis geen enkel vergelijkingsmateriaal bestaat.Tegelijkertijd zijn er volgens Vossen ook enkele constanten aan te wijzen. Het populisme is geen nieuw verschijnsel, maar bestaat als onderstroom al sinds de invoering van het algemeen kiesrecht en de evenredige vertegenwoordiging in 1917. 'Je had Treub in 1918. De Boerenpartij in de jaren zestig was ook meer dan een plattelandsclub; die partij haalde in Amsterdam bijna 10 procent. Het populisme lijkt wel om de vijftig jaar weer op te duiken.'En dan is er nog - vager - het gevoel van onrust en onbehagen. Het heerst nu, en het heerste ook tussen de twee wereldoorlogen. Dat sentiment vormde het uitgangspunt van zijn onderzoek. 'In het interbellum was er ontzettend veel onvrede. Er zijn nog nooit zoveel brochures tegen ''de politiek'' verschenen als in die tijd.'Het dominante beeld van een stabiele tijd waarin de zuilen via een ingewikkeld stelsel van regels alles aardig regelden, klopt op dat punt niet, zegt Vossen. Wie zich op de grote partijen richt, de protestante ARP en CHU, de katholieke RKSP, de sociaal-democratische SDAP en de liberale VSB en Vrijheidsbond, 'verliest het verzet daartegen uit het oog'. De geschiedenis krijgt daardoor een logica die er toen niet was.Door zich te concentreren op de kleine partijen, probeerde Vossen inzicht te krijgen in de aard van de onlustgevoelens die leefden in de jaren twintig en dertig. 'Vele partijen waren op zoek naar onvrede, om stemmen te trekken. Ze kwamen er als strontvliegen op af om te kijken waar de rottigheid zat. Ze probeerden te verwoorden wat men dacht dat er aan onvrede leefde.'Tientallen partijen probeerden het, slechts enkele slaagden. De helft van de 140 partijen die Vossen tijdens zijn archiefonderzoek aantrof, bekeek hij verder niet. 'Dat waren eenlingen waarover niet veel te zeggen bleek, hoewel er soms leuke verhalen achter scholen over bijvoorbeeld regionalisten. De kieswet was heel soepel; met 25 handtekeningen per district kwam je al op de lijst.'Vossen deelt de kleine partijen in vier groepen in: die van de eminente personen, de beginselpartijen, de belangenpartijen en de revolutionaire partijen. Elke categorie benoemt een bepaald soort onvrede.De eminente personen 'waren er niet blij mee dat de nieuwe democratie een partijdemocratie geworden was. De kiezers moesten volgens hen stemmen op deskundige personen, dat waren ze gewend uit de vorige eeuw'.Vooral liberalen en katholieken begonnen een eigen lijst. Lijst Treub, Lijst Van Houten, Lijst Van Berensteyn, Lijst Arts - ze leidden uiteindelijk nergens toe. Ze moesten het allemaal afleggen tegen de partijorganisaties.De belangenpartijen richtten zich op kiezers die zich niet vertegenwoordigd voelden in het nieuwe systeem. Dat waren vooral de vrijzinnige boeren en de middenstanders. De Plattelandsbond, de Politiepartij, de Middenstandpartij en het Neutraal Blok aller Middenstanders, allemaal probeerden ze het belang van hun achterban in het parlement op de agenda te zetten.Tevergeefs, ze haalden slechts enkele zetels. 'Ze werden door de heersende partijen sterk bestreden in hun kranten, ze werden genegeerd in het parlement. Ze vormden een bedreiging voor het complexe stelsel van zuilen, met partijen die de belangen van hun groepen behartigden. De grens van de Nederlandse politieke cultuur werd zichtbaar: politiek wordt niet gevoerd op basis van een belang. Dat geldt tot vandaag.'De derde groep bestond uit 'ideologische scherpslijpers'. Zij riepen dat de oude partijen de beginselen niet zuiver meer aanhingen. 'ARP en SDAP hadden onder Kuyper en Troelstra veel beloofd. Maar eenmaal in de regering leerden ze ''de kunst van het bereikbare''. Sommigen waren daarin teleurgesteld, zij wilden de passie terug. Dat zag je vooral bij de jongere generatie.'Zo splitste de naar de tijd van Domela Nieuwenhuis verlangende OSP (Onafhankelijke Socialistische Partij) zich in 1932 af van de SDAP - zonder veel succes. De ARP werd lange tijd achtervolgd door de Christen-Democratische Partij (CDP, later CDU) van Andries Popke Staalman. Ook de Hervormde (Gereformeerde) Staatspartij en de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) vormden beginselvaste religieuze splinters.De revolutionaire partijen ten slotte wensten een radicaal einde aan het democratische systeem. Anarchisten, communisten en extreem-rechtse partijen deden mee aan de verkiezingen om ze te kunnen afschaffen. Overigens stonden ze daarin niet helemaal alleen. 'Ook de grote partijen speelden soms met anti-democratische gedachten. De NSB stond wat dat betreft minder geisoleerd dan vaak wordt gesteld.'Uiteindelijk werden alleen de SGP, de communistische CPN en de NSB vrij stabiele kleine partijen. 'Ze overleefden doordat ze vergeten minderheden mobiliseerden, maar ook een gemeenschap creƫerden waarin het hele leven zich afspeelde, als een eigen zuil.' De NSB had zich ook vier jaar lang goed georganiseerd voordat de partij aan de verkiezingen meedeed: in 1935 behaalde zij 8 procent - want 'ook hun fascistische stijl wist indruk te maken'.De andere kleine partijen braken om verschillende redenen niet door. 'Het waren er gewoon te veel, ze hadden vooral last van elkaar. Er zaten ook veel schreeuwerige types tussen. Dat was niet goed voor het imago - over al die partijtjes hing de geest van Hadjememaar.'Bovendien werden ze hard bestreden door de grote partijen, geconfronteerd met uitstoting uit de zuil en zwartgemaakt in de media. Daarnaast waren er volgens Vossen de 'structuurfactoren' die dergelijke kleine partijen in Nederland weinig ruimte verschaften, zoals het ontbreken van een Eerste Wereldoorlog-trauma, een vrij lange democratische traditie en 'geen nationaliteitenvraagstuk'.Na de Tweede Wereldoorlog was het een tijdje vrij stil rond de kleine partijen, schrijft hij in zijn epiloog. Pas in de jaren zestig kwamen ze weer op. Dit keer werden ze meer geaccepteerd, en partijen als DS'70, PPR en D'66 drongen zelfs tot de regering door. In 1971 deden 28 lijsten aan de verkiezingen mee. In de jaren tachtig werd het aan het front van de kleine partijen weer rustig.Aan die rust is inmiddels een einde gekomen, aanvankelijk door de ouderenpartijen, later door Leefbaar Nederland en de LPF. Vossen denkt dat de LPF het nog wel lang zou kunnen volhouden. 'De partij weet, net als vroeger de NSB en de Boerenpartij, uit meerdere soorten onvrede te putten. En dat ze ondanks het gedonder toch nog acht zetels kreeg, wil zeggen dat ze een groep aan zich heeft weten te binden.'Aan de andere kant zullen nieuwe partijen het weer net als vroeger moeilijk krijgen. 'Mensen met een reputatie zullen wel uitkijken zich erbij aan te sluiten: de val van Bomhoff is toch een schrikbeeld. En Winny de Jong en Emile Ratelband hebben het er niet beter op gemaakt. Dat waren toch een soort Hadjememaars.'