editiespecial

Uw furieuze reactie op onze recensies vat precies samen wat popmuziek zo krachtig, prachtig en machtig maakt

null Beeld

Sommige ouderlijke anekdotes heb je als kind zo vaak gehoord dat je er elk detail van kent, zoals die over het nachtconcert van Leonard Cohen in het Amsterdamse Concertgebouw. 15 april 1972. In het Museum Hotel beleefden mijn ouders aansluitend hun eerste nacht samen. Hij was 21, zij 19. De kaartjes waren duur (30 gulden!) en (onvermijdelijke grimmige wending) Volkskrant-recensent Elly de Waard was veel te negatief.

Bijna een halve eeuw en een dementiediagnose later kan mijn vader er nóg verontwaardigd over zijn. De gewraakte recensie is snel gevonden via krantenarchief Delpher. ‘Cohen zorgt voor perfect concert’, staat erboven, maar het stuk is kritischer dan de kop doet vermoeden: ‘Muzikaal gezien zijn de songs nogal zwak.’ En: ‘Het geheel maakt vaak een krachteloze indruk.’

De meeste popjournalisten hebben genoeg zelfspot om te erkennen dat ze over onbelangrijke zaken schrijven, maar kennelijk is er toch iets raars aan de hand met die stukjes. Ze kunnen opmerkelijk gevoelige snaren raken. Vooral oudere lezers kunnen furieus op poprecensies reageren: te negatief óf te enthousiast over muziek waarvan elke idioot toch kan horen dat het bagger is.

Het vat precies samen wat popmuziek zo krachtig, prachtig en machtig maakt: het geloof, de vereenzelviging.

Elly de Waard was vanaf 1968 de tweede popjournalist van de Volkskrant. Pionier Jan Donkers (vanaf 1966) ging haar nog voor. In een interview met beiden in deze speciale Editie kunt u teruglezen hoe zij die tijd – waarin, zoals Donkers opmerkt, ‘ontzettend op popmuziek werd neergekeken’ – hebben ervaren.

Na Donkers en De Waard kwamen figuren als wijlen Peter Koops, Nicoline Baartman, Gert van Veen, Henrico Prins en Alex Burghoorn. Daarna wij: Gijsbert Kamer in 1992, ikzelf in 1998. Pablo Cabenda en Robert van Gijssel voegden zich bij ons.

Al deze mensen hadden zo hun ideeën over popjournalistiek. Ook de wind ‘van boven’ draaide weleens. Donkers en De Waard streden de strijd die wij niet meer hoeven te strijden: ze moesten bewijzen dat pop überhaupt een onderwerp was, meer dan vluchtig wegwerpvertier voor en door jongelui.

In juni 1964 stuurde de krant nog een anonieme verslaggever naar Blokker om over de Nederlandse concerten van het lawaaiige fenomeen The Beatles te berichten. Hij schreef verbijsterd over het gedrang, het gegil, de aanwezige politie en de helse herrie, geproduceerd door vier Engelsen met kapsels als bivakmutsen. Het publiek bestond uit ‘kinderen’. Over de muziek nauwelijks een inhoudelijke gedachte, een terloopse kwalificatie als ‘verschrikkelijke Liverpoolsound’ daargelaten.

Donkers en De Waard waren zowel exponenten als aanjagers van een veranderende kijk op pop. Hun chefs beseften dat er pop in de krant moest, maar hadden er zelf nog weinig mee en lieten de popmedewerkers dus maar hun gang gaan. Ze schreven over muziek die ze goed vonden. Wat ze niks vonden, negeerden ze. Dat zou lang, eigenlijk ruim dertig jaar, tot diep in onze tijd, het adagium van de gemiddelde Nederlandse popjournalist blijven.

Al die jaren zochten popjournalisten hun muziek ruwweg in dezelfde hoek, of je het nou de underground, de ‘scherpe rand van platenland’ of de ‘alternatieve’, ‘serieuze’ pop wilt noemen. Populariteit en commercieel succes waren reden tot wantrouwen. Zo kreeg de popverslaggeving in de jaren zeventig, tachtig en negentig iets wonderlijk elitairs, met de zittende popcritici als smaakpolitie.

Wie in de Volkskrant-archieven zoekt naar serieuze verhalen over ABBA, disco, Doe Maar, Whitney Houston of 2Unlimited, zal vooral rehabiliterende stukken uit veel later jaren tegenkomen, vaak bij een reünie, deluxe box-set, documentaire of biografie.

Het denken over wat de taak van een popjournalist van de Volkskrant is, veranderde gaandeweg. Nieuwe generaties journalisten dachten anders. Hun chefs ook: een chef die zélf groot werd met popmuziek, dat maakt nogal een verschil.

De popjournalist van nu heeft van doen met Lil Nas X, Froukje en Snelle, maar óók met de Bob Dylans en Paul McCartneys over wie Donkers en De Waard al schreven. Toen mijn ouders in 2008 eindelijk weer naar een concert van Leonard Cohen gingen, stond de dienstdoende Volkskrant-recensent naast hen. Hij gaf vijf sterren.

Natuurlijk waren er Volkskrant-popjournalisten die aandacht hadden voor muziek die ze uit niet-particuliere overwegingen journalistiek van belang vonden: Nicoline Baartman schreef weleens over de snoeiharde metal die – tot Robert van Gijssel ten tonele verscheen – doorgaans uit weerzin genegeerd werd. Gert van Veen schreef al jaren over andere popmuziek toen hij in de ban raakte van het nieuwe fenomeen house en er bevlogen pleitbezorger van werd, ook al reageerden veel collega’s en lezers vijandig: computermuziek (of nee, gewoon géén muziek!) voor pillenslikkers.

Toch is eigenlijk pas sinds de opkomst van internet de overtuiging doorgedrongen dat een popjournalist niet louter zijn particuliere, relatief obscure voorkeurtjes moet uitventen. Toen Gijsbert Kamer halverwege de jaren negentig over de immens populaire ‘boy band’ Take That wilde schrijven, ondervond hij weerstand tijdens de redactievergadering: moest die pulp echt in de krant?

Toen ik in 1999 de Backstreet Boys live ging bekijken, vond de krant inmiddels wel dat we die groep ‘moesten hebben’, maar het stuk moest een ‘sfeerreportage’ zijn, over de gillende meisjes in het stadion en hun wachtende ouders erbuiten. Nog niet veel opgeschoten in die zin, 35 jaar na The Beatles in Blokker.

Metal? Borsato? Het gros van de hitparadepop? Hadden we niks mee, schreven we niet over. We deden vaak alsof het niet bestond, zoals onze voorgangers.

Hoe anders is dat nu, omdat krant en tijdgeest het van ons eisen, maar ook omdat we het zélf anders zijn gaan zien. We bespreken in de Volkskrant veel muziek die vooral beluisterd wordt door publiek dat de krant niet leest. Toch moet het, vindt de krant, vinden wij. Als het louter om waarderende lezerspost en zo veel mogelijk online clicks te doen is, kunnen we beter over elke scheet van Nick Cave of Patti Smith schrijven. Maar we doen het anders.

Popartiesten verschijnen allang niet meer alleen via de popredactie in de krant, maar her en der, vaak opgevoerd door collega’s met andere specialisaties. Het heeft geleid tot misschien wel de wonderlijkste omkering in de werkelijkheid van de popjournalist bij de Volkskrant: waar onze voorgangers soms moesten vechten om popmuziek de krant in te krijgen, vechten wij soms om er iets uit te houden. Collega’s (doorgaans tevergeefs) op het hart drukken dat ook weer niet élke debuterende rapper, zangeres of jeugdheld nú in de krant moet; wie had gedacht dat we het ooit onze journalistieke plicht zouden gaan vinden?

Het kan alleen bij een krant die popcultuur oprecht belangrijk vindt en serieus neemt. Zo is het ook weer.

Daarover gesproken: in deze Jubileumeditie over de liefde van de 100-jarige Volkskrant voor muziek komen lang niet alle muziekgenres voorbij waarover de krant op regelmatige basis bericht. We scheren even langs de jazz, met Sonny Rollins en Wynton Marsalis, en u kunt een aantal verhalen uit de boeiende wereld van de klassieke muziek teruglezen. Voor het overige is het in deze Editiespecial pop wat de klok slaat, al werd juist popjournalistiek pas halverwege de Volkskrant-eeuw geboren.

Menno Pot, popjournalist van de Volkskrant

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden