Waar was Osama bin Laden?

Beschouwing: Osama in kunst & (pop)cultuur

Via South Park en Kopspijkers werd de abstracte vijand Osama Bin Laden komisch en onschadelijk. Media, film en kunst waagden zich nauwelijks aan een menselijker beeld. Op een paar kunstenaars na.

Arme Kathryn Bigelow. Ben je net een nieuw megaproject begonnen, en iedereen weet hoe moeilijk het is om na een Oscar iets goeds neer te zetten, wordt het gras voor je voeten weggemaaid door de realiteit. Kill Bin Laden heette de film-in-wording van regisseur Bigelow, die in 2009 gelauwerd werd met een Oscar voor haar film The Hurt Locker.

Kill Bin Laden, de naam zegt het al, ging over de zoektocht naar de onzichtbare man die al tien jaar lang het Kwaad representeert voor het westen. De man met de baard die ergens in een grot schuilt, en ons allemaal uitlacht. Maar toen kreeg Bigelow zondagnacht dus een paar scriptaanwijzingen van de echte wereld: Bin Laden werd gevonden, en gedood. Een echt filmeinde volgde: met opluchting, tranen en een uitzinnig juichende menigte op straat. En al haasten de woordvoerders van Bigelow zich te roepen dat de film niet alléén over Bin Laden zou gaan, het is eigenlijk tijd voor de aftiteling.

De wereld heeft al tien jaar gekeken naar de film: Kill Bin Laden, the real story. In de media verschenen steeds weer nieuwe scènes. We zaten met z'n allen op de bank met popcorn. Elke gevechtsscène, elke videoboodschap van de bad guy en reactie daarop van de good guys, elke nieuwe oorlog vormde een hoofdstuk. De taal werd prettig simpel gehouden, de vijand was eenvoudiger dan ooit: een man met een baard die boos is op ons, omdat wij het goed hebben.

Satire

Dat er van zulke western-taal nog satire gemaakt kon worden, is best knap. Het is dat we het met z'n allen George Bush zo vaak hebben horen zeggen: 'we're gonna smoke them out of their caves, and hunt them'. Maar we hadden het ook zo geloofd als hij gezegd zou hebben: 'Guess what amigo, I'm coming to getcha.' Maar dat zei de Amerikaanse komiek Will Ferrell, als persiflage op Bush in de televisiehit Saturday Night Live.

Terwijl hij koud de grootste aanslag op Amerikaans grondgebied had afgeleverd, sloop Osama Bin Laden al de beeldcultuur in. Als grapjas. Hij werd meteen vaste gast in MTV's cartoonserie South Park, kreeg een eigen tekenfilm bij Saturday Night Live, met Saddam Hussein, Saddam & Osama. Zelfs het conservatieve Fox News zendt Osama als komiek uit, in een van de meest hilarische voorbeelden: de tekenfilm Family Guy. Bin Laden bereidt in zijn grot een speech voor waarin hij de ongelovigen waarschuwt voor aanstaand onheil, maar verslikt zich in het woord 'Ramadan' en krijgt een lachbui waar hij niet meer uitkomt.

Nederland heeft zijn eigen favoriete Osama-personages, aangevoerd door die van het programma Kopspijkers waarin Paul Groot Willibrord Fréquin persifleert, die in Amsterdam-Zuid hijgerig op zoek gaat naar Bin Laden.

Wandelende parodie

Bin Laden was een graag geziene gast in satires, maar hij schittert vrijwel in afwezigheid in serieuze Hollywood-drama's

Waar Bin Laden verschijnt, is het lachen. Hij is in de jaren na 11/9 een wandelende parodie op ons vijandbeeld geworden, te absurd om serieus te nemen. Hij was bovendien een voorbeeldige bron, want er was al die tijd nauwelijks iets over hem bekend. Komedieschrijvers konden dat dankbaar invullen: Osama die scheten laat, Osama die zich verspreekt, Osama die de ijscoman mist omdat de Taliban muziek verbiedt. Kortom: Osama als mens, en dat kunnen we ons blijkbaar zo slecht voor te stellen, dat je er meteen van in de lach schiet.

Bin Laden is ons door westerse politici sinds 2001 gepresenteerd als Het Kwaad. Terwijl een deel van de wereld in hem een held zag, die zijn rijke jeugd achter zich liet voor een hoger doel, is in de westerse wereld het Kwaad van Osama ons zo eenvoudig toegediend, dat hij een flat character is geworden. En dat maakte hem in de beeldvorming dan ook een komisch, onschadelijk figuur.

Bin Laden was een graag geziene gast in satires, maar hij schittert vrijwel in afwezigheid in serieuze Hollywood-drama's. Goed, Kathryn Bigelow was net met een film bezig, maar verder weten we niet hoe het kan dat Hollywood tien jaar lang kennelijk geen heil heeft gezien in een film waarin hij menselijke trekken krijgt. Zou het publiek het niet willen? Vreemd, juist de alledaagsheid van het kwaad is een bron van inspiratie en geld in Hollywood - denk aan de menselijke trekken van de jongens die op Columbine High School hun schoolgenoten vermoordden (Elephant, Gus van Sant), denk aan de menselijke kant van drugsbaas Frank Lucas in American Gangster, en van Don Corleone. Is het publiek nog niet klaar voor een Bin Laden die twijfel zaait, die in de verte wel een punt heeft? De filmmakers dachten van niet. Of althans, de geldschieters van die filmmakers.

Ook in de beeldende kunst zijn opmerkelijk weinig pogingen gedaan te morrelen aan het erin gepompte idee van Osama Bin Laden als het absolute Kwaad. Als hij in de kunst voorkomt, is hij vaak geestig, al is die grappigheid schrijnender dan bij South Park of Kopspijkers.

Paul McCarthy voerde Osama als reusachtig Spitting Image-personage op in de installatie Piccadilly Circus in 2003 in Londen, net toen George Bush er een staatsbezoek bracht. In McCarthys werk vloeien wreed en geestig, ranzig en abject vaak door elkaar. Hij breekt datgene af waar we geacht worden respect voor te hebben en schaaft aan mythes. Zijn werk is gelaagd, toch blijft Osama een clown, al is het een grimmige.

De Rotterdamse Erik van Lieshout sleurt in zijn serie Bin Shopping op zijn eigen rauwe slam dunk-manier Osama uit zijn grot, en omhangt hem met alles wat de westerse wereld vereert: goud, seks en verleiding.

De mythevorming rond Osama krijgt een gelaagd commentaar in het werk The House of Osama Bin Laden van het Britse duo Langlands & Bell, dat in 2004 voor de Turner Prize werd genomineerd. In een video die opgezet is als een game, kon je met joystick langs plaatsen in Afghanistan waar Osama was geweest en had gewoond. Een stille game, onbevredigend voor het publiek dat graag mee wilt doen maar niet kan, want het Kwaad is een afwezige.

Het is Marlene Dumas geweest die het uiteindelijk aandurfde in 2006, om het gezicht van Osama, het abstracte masker van het Kwaad in haar kunst te dwingen. Geen portret, maar een commentaar. 'Here's to the popular culture of image suppliers, the embedded journalists, the media managers' schrijft ze in de catalogus van haar serie Man Kind. Voorzichtig nam ze Osama's gezicht en trok die naar zich toe. Dat engelachtige gezicht, dat eigenlijk veel minder duidelijk malicieus is dan altijd wordt gepresenteerd. Die ogen die, als je niet beter wist, soms zelfs vrede uit lijken te stralen. In The Pilgrim (2006) ontmaskert ze niet Osama, maar ons beeld van Osama. Osama als je buurman, niet ver en abstract maar hier, naast je. Ze wikt en wrikt met dat roestvaste imago dat zo zorgvuldig werd opgebouwd. Geeft het roze, dunne verf, noemt hem een pelgrim. Laat ons heel even om de hoek kijken naar dat andere deel van de wereld, dat misschien niet pal achter Bin Laden stond al die tijd, maar diens hoop en haat wel begrijpt.