Een grote groep krill ten zuiden van Nieuw-Zeeland.
Een grote groep krill ten zuiden van Nieuw-Zeeland. © Getty Images/National Geographic Creative

Periodieke uitstervingsgolven krill (kleine garnaaltjes) komen niet door klimaat, maar door te veel krill

Kleine garnaaltjes vormen de kern van het oceaanleven in de zuidelijke zeeën. Waarom ze nu en dan opeens bijna lijken te verdwijnen, werd lange tijd toegeschreven aan het klimaat. Onzin, blijkt nu.

Een internationaal team van biologen denkt eindelijk te begrijpen waarom de voedselrijkdom in de oceaan rond Antarctica om de vijf of zes jaar instort en zich vervolgens weer opbouwt. In een artikel in Nature Ecology & Evolution beschrijven zij hoe de garnaalachtige krill periodiek haast aan zijn eigen succes ten onder gaat. Tot nog toe werden daar vooral klimaatverschijnselen als El Niño en zeeijsbedekking verantwoordelijk voor gehouden.

Krill is een doorgeefluik in het voedselweb van de zuidelijke oceaan, zegt een van de auteurs van de studie, hoogleraar theoretische ecologie André M. de Roos van de Universiteit van Amsterdam. 'Krill eet fytoplankton en ijsalgen en wordt gegeten door hogere organismen', aldus de Roos. Meer dan honderd soorten vis leven van de garnaaltjes, net als baleinwalvissen, tientallen soorten inktvissen, vogels en zeerobben.

De Roos en zijn collega's zetten in de nieuwe studie vraagtekens bij de gangbare klimatologische verklaringen voor de variatie in het krill-aanbod, waarvan nu en dan opeens een factor tien minder in het zeewater voorkomt. Een tegendraadse opvatting die inmiddels stof heeft doen opwaaien; Nature weigerde het stuk en verwees het naar het gespecialiseerde zusterblad. 'Er zijn nogal wat alarmbellen afgegaan voordat we het erdoor hadden', weet De Roos.

Er zijn nogal wat alarmbellen afgegaan voordat we het erdoor hadden

Rekenwerk

De regelmatige variaties in de krillstand zijn rechtstreeks gemeten in de oceaan bij het Amerikaanse Palmer Station op Antarctica, en ook indirect in de maaginhoud van pinguïns. Maar een directe invloed van bijvoorbeeld El Niño of ijsbedekking is discutabel. 'De variatie in krill volgt overduidelijk een patroon dat iedere ecoloog aan het denken zou moeten zetten', zegt De Roos, die is gespecialiseerd in rekenwerk aan dierpopulaties en ecosystemen.

De onderzoekers laten in modelberekeningen zien dat in de eerste plaats concurrentie om algenvoedsel tussen de larven van de krill en de oudere exemplaren de omvang van de populaties beheerst. Beide groepen moeten in de herfst veel algen eten om genoeg vet op te slaan om de winter door te komen.

Natuurlijke vijanden

Overbevissing en walvisjacht nemen de begrazers weg

Dat begint te knellen als er veel volwassen krill is. Volwassen en jonge diertjes krijgen dan in de herfst nog wel voldoende vetzuren binnen om gedurende de winter op in te teren en het voorjaar op door te komen, maar de larven lukt dat niet meer. Gevolg is dat een grote krillpopulatie geen serieuze jonge aanwas meer kent, en na een jaar of vier helemaal instort.

Het interessante, zegt De Roos, is dat het dus van belang is dat de krillpopulatie voldoende wordt begraasd door walvissen, vissen en andere natuurlijke vijanden. Dat stabiliseert het hele ecosysteem. Overbevissing en walvisjacht nemen de begrazers weg en vergroten zo enorm de natuurlijke slingeringen in het voedselweb. 'Het ecosysteem wordt er onvoorspelbaarder door, uiteindelijk ook voor de mens', zegt De Roos. 'De complexiteit maakt dat het systeem heel onverwacht kan reageren op externe invloeden zoals het klimaat of bevissing.'

Simplistisch

Marien ecoloog Jaap van der Meer van de VU en het NIOZ noemt de studie, verplichte kost voor ecologen en klimaatonderzoekers. 'Volkomen terecht zetten De Roos en zijn collega's vraagtekens bij het simplistische idee dat synchrone fluctuaties in dierpopulaties vast aan het weer, of tegenwoordig: het klimaat, moeten liggen. De biologie van de krill geeft al een keurige verklaring.'