Midas Dekkers: 'Begrijp het nou toch, mensen: poepen is scheppen'
© ANP

Midas Dekkers: 'Begrijp het nou toch, mensen: poepen is scheppen'

Poep is goud, zegt bioloog Midas Dekkers tegen Frénk van der Linden in zijn Volkskrant-theatertournee. Hij schreef een boek over ontlasting: 'Wij zijn onze darmen.'

 
De positieve uitleg is dat we slechts één toevluchtsoord op de godganse wereld hebben waar we helemaal alleen kunnen zijn.

Ruth, geliefde sinds-decennia van Midas Dekkers, doet haar behoefte steevast in de wc op de begane grond van hun huis. Haar echtgenoot gebruikt louter een toilet op de eerste etage, vlakbij zijn schrijfkamer. 'Ik kan mijn vriendin van harte bij je aanbevelen', zegt Dekkers. 'Ik heb hoekjes en gaatjes van haar verkend waar jij niet eens aan durft te denken. Binnenkort zijn wij veertig jaar bij elkaar, fijn. Maar als zij tijdens het kakken de wc-deur open laat staan, gooi ik 'm onmiddellijk dicht.

'De negatieve uitleg is dat het stinkt. Toch is dat het niet, ik zit er totaal niet mee. De positieve uitleg is dat we slechts één toevluchtsoord op de godganse wereld hebben waar we helemaal alleen kunnen zijn. Overal loop je mensen tegen het lijf, bij de bakker, op je werk, in winkelcentra... je wordt er stapelgek van.

En waar zeuren die lui over? Over eenzaamheid. Oh, wat is het verschrikkelijk om eenzaam te zijn. Terwijl de veelzaamheid in mijn ogen veel erger is. In zo'n overbevolkt land als het onze kun je geen seconde ontsnappen aan de anderen. Behalve op de wc. De wc is het aller-, aller-, allerlaatste plekje waar je je privacy kunt koesteren. Dat gun ik mijzelf. En dat gun ik mijn partner.'

Niet banaal
Anaal gefixeerd, maar nergens banaal, dat is De kleine verlossing - of de lust van ontlasten, het nieuwe boek van schrijver-bioloog Midas Dekkers. Als hij de bühne van de Haarlemse Philharmonie oploopt en zijn rechterhand uitsteekt, is de eerste vraag die opwelt of hij die na zijn meest recente kleine/grote boodschap heeft gewassen.

'Ik was mijn handen het liefst vóór ik naar de wc ga', doceert hij minzaam. 'Anders kunnen zich allerlei nare infecties voordoen - bij anderen. Mensen denken dat poepen heel smerig is. Maar de waarheid is dat je op een wc voornamelijk besmet kunt raken met ziekten wanneer je met een vinger op het knopje drukt om door te spoelen. Of wanneer je na gedane arbeid de kraan opendraait.'

Beweert Dekkers met zoveel woorden dat je nog beter een wc-bril kunt aflikken?
'Zeker, en ik zal het je nog sterker vertellen', lacht hij. 'Als hier straks een marsmannetje landt en je wilt hem uitleggen hoe hij het best kan leven, zeg dan dat hij moet pissen in de gootsteen en moet eten uit de wc-pot. Iets smerigers dan een aanrecht bestaat niet. Met dank aan het duizenddingendoekje. Daarmee wordt niks schoongemaakt, integendeel: je verspreidt vuiligheid en vergroot gezondheidsrisico's.'

 
Vermanend heft Dekkers een vinger richting het publiek. 'Dus niet van het poepgat naar voren vegen, dames!'

Feestzaal en uitgang
Op tafel ligt een pak Wetties, het moderne, vochtige toiletpapier. Dekkers is er wars van, het bezorgt hem het gevoel te poepen in een bad eau de cologne. 'Ik doe het droog', zegt hij, 'maar ik beheers dan ook de techniek. Nu is dat bij mannen niet zo ingewikkeld. Vrouwen zitten met een probleem: de bacteriën die in hun darmen wonen, kunnen nogal wat kwaad in hun geslachtsorgaan. En helaas liggen de feestzaal en de uitgang vlak bij elkaar in dat kleine broekje.' Vermanend heft Dekkers een vinger richting het publiek. 'Dus niet van het poepgat naar voren vegen, dames!'

Dekkers heeft een missie: de mensheid stichten als het om de stoelgang gaat. 'Als bioloog weet je dat je nooit moet neerkijken op een drol. Een drol is een studieobject, iets waarvan je kunt leren. Wij biologen trappen er niet in, we kijken wel uit. Zonde. Vogelaars, die trappen in drollen.

'Wat ik ook fout vind: denken dat schijten vies is. Het probleem is ontstaan in de victoriaanse tijd, toen werd plots een punt gemaakt van seks en poep en wat al niet. In mijn jeugd was seks nog beladen, als ik het deed maakten zich lekkere sensaties van mij meester, maar voelde ik me ook schuldig. In dat stadium verkeren wij nog steeds een beetje met poepen. Terwijl het uiterst aangenaam kan zijn. Daar zit je dan, op je bloedeigen wc en de omstandigheden zijn ideaal: niemand thuis, je verwacht geen telefoontje, krant bij de hand...

'En niet gaan bij de eerste aandrang, hè. Uitstellen van het genot is een verfijnd genoegen. In dat opzicht lijkt het op het orgasme. Ik moet toegeven: vergeleken met het orgasme valt het soms tegen. Een paar keuteltjes, goh, heb je je daar nou op zitten verheugen, heb je daar het toilet nou voor schoongemaakt, heb je daar die nieuwe rol nou voor klaargehangen?

Maar andere keren is het een geweldige ervaring. 'Je hebt drie dagen volkorenbrood gegeten, je zit stevig te persen, komt-ie wel, komt-ie niet, ja, nee, misschien toch en dan, ah, jawel, oef, wrááágh. Je kijkt achterom, en je ziet dat er nog meer ligt dan je langs had voelen komen.'
 
Koken en eten
Hij is niet te beroerd om af en toe beleefdheidshalve aan deze en gene te vragen wat zij de vorige avond hebben gedaan. 'Dan zeggen ze niet dat ze een mooie roman hebben gelezen, naar het theater zijn geweest of zich in een filosoof hebben verdiept, nee, beschaafde mensen antwoorden tegenwoordig dat zij gezellig hebben gegeten met vrienden.

'Koken en eten, daar gaat het vandaag de dag over. In boeken, in televisieprogramma's, in gesprekken.

'Maar sorry dat ik het zeg, eten is ­destructie. Je koopt bij de groenteboer en de slager iets moois, in de keuken maak je er iets nóg mooiers van en het kapotmaken van dat kunstwerkje, het vermalen ervan, heet een gezellig etentje. En dan schaam je je vervolgens voor wat je één of twee dagen later van dat voedsel bakt.

'Begrijp het nou toch, mensen: poepen is scheppen. Als kind beseften we dat. We liepen trots met onze po naar papa en mama om te laten zien wat voor prachtigs we hadden voortgebracht. In die jonge jaren wisten we nog: wij zijn grote kunstenaars.'

 
Het is allemaal verkeerd gegaan vanaf het moment dat zij de watercloset uitvonden. Daarvóór moest je je behoefte doen in een ton of een doos, waardoor het uiteraard stevig bleef stinken.

Gewicht in goud
Als auteur van De kleine verlossing is Dekkers niet de eerste die probeert stront om te zetten in geld. Die artistieke alchemie werd in 1961 al toegepast door beeldend kunstenaar Piero Manzoni. Op het scherm verschijnt een werk van zijn hand. Merda d'artista: negentig blikjes met 30 gram van zijn hoogsteigen poep. Ze konden worden gekocht voor hetzelfde gewicht in goud.

'Dit bevalt me wel', zegt Dekkers. 'Ik geef zo nu en dan een lezinkje, en dan zitten er na de pauze altijd belangstellenden klaar die als belangrijkste vraag hebben of ik het echt werkelijk meende. Op dat moment ben ik in mijn nopjes. Godzijdank, ik heb het niet voor niks gedaan! Voor zover ik weet, heeft Manzoni nooit verklapt wat hij met zijn werk wilde zeggen. Ik herken me in die houding. Naar mijn gevoel probeerde hij op een intelligente wijze duidelijk te maken dat je in kunst iets verhevens kunt zien, maar net zozeer iets lulligs. Hetzelfde drukte hij uit over onze bolussen: het is én een afvalproduct én het hoogste.'

Ooit deden we niet moeilijk over ontlasting, legt de bioloog uit. 'In de 15de, 16de, 17de eeuw waren poep en pis overal. In een middeleeuwse stad lieten mensen het openlijk lopen. Dat doen ze anno 2014 alleen nog op zaterdagavond tegen de Oude Kerk in Amsterdam.'

En daar zijn de vermaledijde victorianen weer: 'Het is allemaal verkeerd gegaan vanaf het moment dat zij de watercloset uitvonden. Daarvóór moest je je behoefte doen in een ton of een doos, waardoor het uiteraard stevig bleef stinken. De drol week niet van je zijde. Maar opeens is er dus die uitvinding, de wc, zodat je kunt doortrekken en met een quasi onschuldige glimlach kunt zeggen: 'Poep? Ik? Hoe bedoelt u? Nee hoor.' Zo zijn we beland in deze tragische ontkenningssituatie.'

Nee, dan de derde wereld, betoogt Dekkers. In Birma, Bolivia en Burkina Faso 'poepen ze veel beter dan wij'. 'Ze hurken, dat is de truc. Kijk, die witte pot van ons is alleen al fout omdat je eigenlijk niet moet zitten. Op een plee worden je billen tegen elkaar aangedrukt, wat een afsluitend effect heeft. De meeste volkeren op aarde - denk aan de archetypische Aziaat in een rijstveld - begrijpen intuïtief dat het zo niet moet. Je zakt door je benen, waardoor het zaakje wijd open gaat staan, en hup, prrrrrrrrt.'

Vanuit de zaal komt de vraag of onze afkeer van alles omtrent de aars wellicht simpelweg is ingegeven door de ­natuur.

Tot op geringe hoogte, meent Dekkers. 'Er is een biologische theorie die zegt: wij móéten poep wel goor vinden - in ieder geval elkanders poep - want als we daar met een boog omheen lopen, voorkomen we dat we cholera of iets dergelijks krijgen. Maar ik denk dat sociologen het minstens zo goed zien. Die school onderstreept dat wij mensen het idee hebben dat we schoon en onbezoedeld ter wereld komen en dat we iedere bedreiging daarvan moeten tegengaan.

'Van dit sentiment is in de loop der eeuwen maximaal geprofiteerd door de kerkjongens. Priesters en prelaten hebben hun gedachten over geestelijke viezigheid handig verknoopt met onze biologisch geprogrammeerde angsten. Met als kampioen Maarten Luther, die buitengewoon geïnteresseerd was in zijn darmen. Geen metafoor ging hem te ver, hij gooide het kwaad en de duivel letterlijk en figuurlijk op één grote hoop met poep.'

Onverhoeds staat Dekkers op, om te verdwijnen in de coulissen.

Als hem na terugkeer wordt gevraagd of het een grote of kleine boodschap betrof, steekt hij zijn duim op en tekent hij met beide handen de contouren van een olifantendrol.

Kakkerlak
In afwezigheid van de bioloog heeft muzikant Tom America op het podium zijn digitale toverdoos bespeeld. Zijn compositie is doorspekt met uitspraken van Midas Dekkers over het insect dat zich bij voorkeur ophoudt in badkamers en toiletten: de kakkerlak, 'de Volkswagen onder de insecten'.

'Schitterend beest', zegt Dekkers. 'Heel efficiënt. Ik begrijp niet waarom mensen er zo bang voor zijn. We zitten hier zelf nota bene als een stelletje lijken.'

Pardon?
'Ja, lijken! En dat geldt ook voor u, lieve toeschouwers. Als wij in de spiegel kijken, zien we onze buitenkant, de huid, nog niet 1 procent van ons lichaam en wat we daarvan waarnemen is al dood. Schilfers, niks meer, niks minder. Wat we wérkelijk zijn, wat leeft en leven voortbrengt, dat zit in ons. Maar daar willen we niets van weten. Terwijl het oneindig veel interessanter is.

'Al heeft een kok honderd Michelin-sterren, zijn kunsten halen het niet bij wat onze darmen voor elkaar krijgen. Zelfs wanneer je daar iets eenvoudigs in laat afdalen - zeg gebakken aardappelen, andijvie en een kotelet -dan maken ze daar, bwrbwrbwr, bopbopbop, niet alleen die fantastische drol van, nee, ze gaan met de eiwitten en aminozuren aan de gang om er levenslust uit te brouwen, ze veranderen dat spul in de bouwstenen waaruit jouw oor en mijn penis zijn opgetrokken. Dat is een wonder. Daarmee vergeleken is wat ze in de katholieke kerk doen, brood en wijn veranderen in het vlees en bloed van de heiland, een kinderpartijtje.'

Een nieuwe vraag vanuit het publiek: waarom eten honden paardendrollen?
'U denkt dat honden dom zijn', antwoordt Dekkers. 'Als verklaard kattenman zeg ik: ja. Maar overdreven dom zijn ze nou ook weer niet. In paardendrollen zit ontzettend veel eetbaars. Het darmenstelsel van een paard is tamelijk simpel, waardoor bijna de helft van het voedsel onverteerd naar buiten komt. Kortom, een lekker maaltje.'

Dat kan moeilijk worden gezegd van de spijs waaraan coprofagen zich te goed doen: mensenpoep. 'Ach, is dat nou echt zo walgelijk?', vraagt Dekkers zich af. 'Als ik de culinaire tijdschriften moet geloven, is rottevissaus een delicatesse. In het Romeinse rijk aten ze tijdens bacchanalen naast pauwentongen ook weleens stront. Maar ik geef toe: je kunt maar beter voorzichtig zijn. In vluchtelingenkampen verspreiden zich door de vermenging van diarreevocht en drinkwater de meest ellendige kwalen.

'Overigens laat een mensendrol zich makkelijk temmen. Je werpt 'm op een mesthoop, met wat hooi of stro ertussen en dan ontstaat al snel zo'n hoge temperatuur dat de ziektekiemen de moord steken. De oude Chinese en ­Japanse beschavingen die wij zo bewonderen, werden voor een groot deel gebouwd op mensenpoep. Men haalde er de neus echt niet voor op. Tot op de dag van vandaag koesteren ze bijna ieder keuteltje. Er zitten mineralen in waarmee boeren hun voordeel kunnen doen. En wij alles maar weggooien. Het idee! Ik zou zeggen: ezeltje, strek je.'

Hersens?
Eén ding moet Dekkers nog van het hart: Nederland heeft zich door neuroloog Dick Swaab en diens bestseller Wij zijn ons brein compleet in de maling laten nemen.

'Tjongejongejonge, wat zijn jullie erin gestonken. On-ge-lo-fe-lijk. Het leven is in essentie niks anders dan stoffen uit de buitenwereld die onze ingewanden ingaan en transformeren tot energie, waarna we het restant afscheiden.

'Overal in onze darmen zitten zenuwcellen die precies weten hoe zij het beste kunnen omgaan met binnenkomend voedsel en die direct in de gaten hebben wanneer iets bedorven is. Dan wordt dat hatsekiedee door middel van diarree geloosd.

'Van de hersens gaan verschillende grote en lange zenuwen je lichaam in om bevelen te geven aan onze darmen. Maar wanneer die worden doorgeknipt, blijven de ingewanden het keurig netjes doen. Volautomatisch. De darmen hebben onze hersens absoluut niet nodig. Het is precies andersom: onze hersens kunnen onmogelijk zonder de darmen. Regelen die de voortdurende energietoevoer niet, dan kan ons brein het schudden. Ik zeg: wij zijn onze darmen.

Die hersens... ach, een heleboel mensen schijnen prima zónder te kunnen.'