Elektriciteit zonder batterijen

Boem! Een harde knal klinkt vanuit het houten miniatuur-kerkje op de demonstratietafel. Op hetzelfde moment vliegt het speelgoedgebouwtje in brand en stort het in....

Het is eind achttiende eeuw. Op gezellige avonden demonstreren geleerden voor deftig publiek de nieuwste snufjes van de ontluikende wetenschap. Zo ook de werking van elektriciteit. Op menige demonstratie in Nederland is de verwoesting van het kerkje letterlijk en figuurlijk het klapstuk van de avond.

Een kunstmatig bliksempje raakt het mini-gebouwtje en wordt daarín gevoerd via twee geleiders. Die zijn op twee plaatsen onderbroken, zodat daar een vonk overspringt. De ene keer flitst die door een bakje alcohol, waardoor de brand ontstaat. Op de andere plek springt de vonk over in alcoholdamp, opgesloten in een fles. Een explosie volgt - de kurk van de fles vliegt tegen de achterwand van het kerkje. Het gebouwtje - exclusief toren zo'n decimeter hoog - begeeft het.

Rond 1790 is elektriciteit nog voornamelijk geschikt voor dit soort variété-achtige demonstraties, zo maakt de tentoonstelling Hoogspanning in het Museum Boerhaave in Leiden duidelijk. Daar staat zo'n 'donderkerkje' in een van de vitrines - het wordt niet gedemonstreerd - samen met nog meer voorwerpen uit die tijd. Maar vooral toont de expositie hoe elektriciteit ná die theaterperiode steeds breder wordt toegepast en zich ontwikkelt tot een onontbeerlijke energiebron.

De 'bliksem' voor het donderkerkje werd opgewekt met een elektriseermachine: vaak een glazen wiel dat langs rubber draait en zo door wrijving elektriciteit opwekt. Feitelijk is zo'n machine niet veel meer dan de toepassing van een verschijnsel dat al sinds de Oudheid bekend is: barnsteen (Grieks: elektron) kan lichte voorwerpen aantrekken als het wordt opgewreven. Als begin achttiende eeuw wordt ontdekt dat ook andere materialen dit kunnen, is de weg vrij voor de elektriseermachine.

Pas in 1820 volgt de vondst die elektriciteit alom nuttig zal maken. De Deen Hans Christian rsted laat een sterke stroom lopen door een draad die boven een kompasnaald hangt. De naald beweegt. Het verband tussen elektriciteit en magnetisme is aangetoond: stroom kan magnetisme opwekken.

Het omgekeerde laat nog even op zich wachten. Maar in 1832 ontdekt rsteds Britse collega Michael Faraday dat je daarvoor de magneet moet bewegen. Stroom wordt alleen opgewekt met een magnetisch veld dat verandert. Het principe van de generator is daarmee bekend, maar het duurt nog tot 1869 voordat er een goed exemplaar is.

Dan is het hek van de dam. Thomas Alva Edison vindt de gloeilamp uit, gaat die op grote schaal maken, levert er de complete apparatuur bij - van generator tot bedrading - en legt zo de basis voor het elektrisch licht als voorziening voor de massa. Dat wordt het overigens pas nadat in de Eerste Wereldoorlog gas en steenkool op rantsoen gaan.

De stofzuiger is - al in 1904 - het eerste belangrijke huishoudelijk apparaat dat op stroom werkt. Vanaf 1920 komt de wasmachine en wat later de koelkast. Fabrieken schakelen over op elektrische machines, die makkelijk te onderhouden en te bedienen zijn. Zij hoeven zich niet meer te vestigen op de plaats waar de kolen worden aangevoerd, maar kunnen overal naar toe, want elektriciteit is betrekkelijk eenvoudig van ver aan te voeren. Dat is ook handig voor het spoor: de eerste elektrische trein in Nederland rijdt in 1908.

De expositie excelleert in het uitstallen van voorwerpen uit deze modernere periodes, vooral huishoudelijke apparatuur. Zo is er een bezienswaardige collectie audio-visuele toestellen, waaronder een prachtig audiomeubel van rond 1960, met radio, pick-up en (spoelen)bandrecorder, een helmvormig tv-toestel, type Discoverer, uit de jaren zeventig, en een ronde, draagbare pick-up, model hoedendoos, die in de jaren dertig werd gebruikt. Er staat een koelkast uit 1935 waarvan de motor is geplaatst in een bol bovenop. En er ligt een elektrische gum: een rubbertje aan een staafje dat vastzit aan het muisvormige omhulsel van de elektromotor.

Uit vroegere periodes zijn er de elektriseermachines, de Leidse flessen, de oude gloeilampen en de negentiende-eeuwse voorlopers van de huidige generatoren. Bezoekers die wat met hun handen willen doen, kunnen onder meer staven opwrijven om elektriciteit te maken of vonken laten overspringen.

Jammer is dat de mooi vormgegeven expositie weinig uitlegt; veel achtergrondinformatie moet komen uit de catalogus, die voor vijftien gulden te koop is. En er zijn enkele omissies. Zo had het kringloopkarakter van elektrische stroom wel uit de doeken mogen worden gedaan. En last but not least: er is zo goed als niets te zien over batterijen, toch geen onbelangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van de elektriciteit.