De eeuwige strijd tussen geloof en wetenschap

DENKEN EN GELOVEN gaan niet samen. Gelovigen zijn geestelijk lui. Op gezag van derden nemen zij aan dat iets waar is....

Hoe anders is de denker! Voor wie maar lang genoeg nadenkt valt er op den duur helemaal niets meer te geloven. Wie nadenkt weet na verloop van tijd of iets wel of niet waar is.

Geen wonder dat denken lange tijd verdacht was. Kerkelijke leiders die zelf de waarheid in pacht dachten te hebben, hadden het niet zo op het particuliere denken. Zij zagen met lede ogen toe hoe ontketende denkers zelf op onderzoek uitgingen om daarna met overtuigingen thuis te komen die niet strookten met de dogma's die door het letterlijk nemen van de Bijbel waren ontstaan. Tegen deze pioniers van de moderne wetenschap werd van kerkelijke zijde dan ook met harde hand opgetreden.

Na eeuwenlang geharrewar tussen de apologeten van het geloof en de adepten van het denken lijken de rollen omgedraaid. Tegenwoordig is geloven verdacht. Nu is het, althans in het geciviliseerde deel van West-Europa, bon ton de gelovige, liefst publiekelijk, ter verantwoording te roepen voor zijn particuliere afwijking van het algemeen gangbare, wetenschappelijk gewaarmerkte wereldbeeld.

Het vreemde is dat juist de meest halsstarrige gelovige van de weeromstuit zichzelf begint voor te doen als een echte denker door zijn mens- en levensvisie crypto-wetenschappelijk verpakt te presenteren. Hij zegt, bij wijze van spreken, het empirisch bewijs in handen te hebben dat God de wereld heeft geschapen in, op de kop af, zes dagen. Dat gelooft hij niet, nee, dat is zo.

Grootinquisiteurs van het wetenschappelijke denken doen graag mee aan dit merkwaardige rollenspel. Zij deinzen er op hun beurt niet voor terug hun wetenschappelijke inzichten van een religieuze resonans te voorzien. Zo zijn er wetenschappers die oprecht menen dat zij aan de hand van die ene universele theorie van alles waarnaar zij net zo reikhalzend uitzien als de gelovige naar Christus' wederkomst, ooit onomstotelijk zullen bewijzen dat God niet bestaat.

Ergens halverwege de reis die de mens voerde van het religieuze obscurantisme naar het tijdperk van de ultiem verlichte geest, hebben de wegen van de gelovige en de denker elkaar gekruist. Zij vliegen elkaar echter nog steeds in de haren en doen in dweepzucht en fanatisme niet voor elkaar onder.

Er zijn wel mensen die stellig menen dat de strijd tussen geloof en wetenschap beslecht is. Zoals fysicus en columnist Ad Lagendijk, die begin vorig jaar in de Volkskrant een stukje schreef met als onthutsende slotsom: 'De oorlog is allang en definitief gewonnen door de wetenschap.' De apodictische titel, 'Het geloof voorbij', onderstreept wie volgens hem de winnaar is en wie de verliezer.

Met het ondubbelzinnige triomfalisme van de ware sciëntist bevestigt Lagendijk het tegendeel van wat hij wil beweren: het vermoeden namelijk dat de strijd tussen geloof en wetenschap nog allerminst gestreden is. Hij sluit hiermee verrassend aan bij het standpunt van zijn felste tegenstander: de christen-fundamentalist.

Deze aartsconservatief doet in zijn quasi-wetenschappelijke rol van creationist de moderne natuurwetenschappelijke inzichten omtrent mens en kosmos af als waan van de dag om onverkort te kunnen vasthouden aan Gods onversneden Woord. Zoals de extreem-rechtse christenen deden in Kansas, USA, die zo de evolutieleer uit het lesprogramma van middelbare scholen wisten te laten schrappen. Ook zij beschouwen de oorlog als beslecht, in hún voordeel, wel te verstaan.

Boeiender dan dit soort karikaturale opvattingen zijn visies op de controverse tussen geloof en wetenschap, waarin de schermutselingen niet primair gericht zijn op het aanwijzen van winnaars en verliezers. En dat zijn visies die vooral in zwang zijn bij mensen die het verschil nog zien tussen 'hoe' (de vraag hoe de werkelijkheid in elkaar zit, waarop de wetenschap een antwoord poogt te geven) en 'waarom' (vragen als 'waartoe zijn wij op aarde?', die vanouds tot het domein van de levensbeschouwing behoren).

Dat er een spanningsvolle relatie is tussen 'hoe' en 'waarom' valt niet te ontkennen. Maar het is een illusie te denken dat die spanning bevredigend kan worden opgeheven door een van de twee vraagtypen simpel buiten de orde te stellen. Die spanning blijft voortbestaan zolang er intelligente wezens zijn die zich verwonderen over bijvoorbeeld het eigen talent tot nadenken. Juist in het licht van de evolutie ligt de suggestie immers voor de hand dat de mens zijn bewustzijn en de mogelijkheid zichzelf al denkende te overstijgen, niet voor niks ontwikkelde.

Tot die intelligente wezens behoren dan ook tal van mensen die best kunnen leven met de gedachte dat zij stof zijn en tot stof zullen wederkeren, die het idee aanvaarden dat zij, naar gemakshalve valt aan te nemen, een tamelijk uitzonderlijk maar toevallig verschijnsel zijn in een duizelingwekkend groot en volstrekt onverschillig heelal, maar die desondanks vinden dat er meer over een mensenleven te zeggen is dan de wetenschap met haar reductionistische methoden ons tellend, wegend en metend kan voorrekenen.

Voor dat soort mensen schreef Alister E. McGrath Science & Religion - An Introduction. Het is een heldere inleiding in de materie, die zowel een adequaat overzicht biedt van de belangrijkste historische ontwikkelingen in de verhouding tussen godsdienst en wetenschap, als een uiteenzetting over actuele standpunten in dezen.

McGrath is thuis in beide kampen. Natuurwetenschappelijk geschoold in chemie en kwantummechanica studeerde hij af in de moleculaire biofysica om vervolgens een theologische opleiding in Oxford en Cambridge te volgen. McGrath' eigen christelijke geloofsovertuiging is tussen de regels door traceerbaar, maar is in dit boek niet dusdanig hinderlijk aanwezig dat de betrouwbaarheid van de weergegeven feiten erdoor in gevaar komt.

De auteur voert zijn lezers langs een drietal mijlpalen in de geschiedenis waarbij de verhouding tussen godsdienst en wetenschap op scherp werd gesteld. De eerste was de heliocentrische revolutie, waarbij de aarde haar centrale positie in het zonnestelsel verloor, en waaraan de namen van Copernicus, Brahe, Kepler en Galilei zijn verbonden. Voor het eerst bleek toen hoe onverstandig het was de Bijbel letterlijk te nemen en als natuurkundig handboek te misbruiken.

Het mechanistische wereldbeeld, waarvoor Isaac Newton met de door hem ontdekte wetmatigheden in de natuurlijke werkelijkheid de weg effende, was het tweede hoogtepunt in de ontwikkeling van de moderne wetenschap. Bij deze gelegenheid hield God op de rol van alomtegenwoordige en ingrijpende Voorzienigheid te spelen. Behalve wellicht nog als de horlogemaker die het hele proces in gang had gezet, was Hij niet langer nodig om de kosmos te bestieren, omdat aannemelijk was gemaakt dat de zaak dankzij voorspelbare natuurwetten ook zonder Hem wel in gang werd gehouden.

D E DERDE grote aanvaring waarbij de traditionele godsdienst ernstige averij opliep was Darwins evolutiethese. De naschokken van deze negentiende-eeuwse revolutie worden nog steeds gevoeld, al twijfelt geen weldenkend mens meer aan de waarschijnlijkheid van de geformuleerde basisprincipes. Darwin haalde niet alleen het bijbelse idee van een 'soortgewijze' Schepping onderuit, maar ook de gedachte dat de mens de kroon der Schepping was, geschapen naar Gods beeld. Tot overmaat van ramp introduceerde Darwin bovendien het blinde toeval als grondpatroon in de evolutie en het onevangelische recht van de sterkste als belangrijke overlevingsstrategie.

Uiteraard snijdt McGrath ook de belangrijkste issues in de controverse tussen geloof en wetenschap aan. Behalve de geologisch, maar vooral biologisch interessante kwestie van Schepping en evolutie komen de kosmologie (de oerknal en wat daar mogelijk aan voorafging) en de psychologie (met denkers als Feuerbach en Freud, die godsdienst als projectie casu quo kinderlijke zelfmisleiding beschouwden) aan bod.

In een afzonderlijk hoofdstuk bespreekt McGrath de natuurlijke theologie; dat is een variant van de godgeleerdheid waarbij de gedachte dat God via bestudering van de natuur kan worden gekend, het uitgangspunt is. En hij besluit het boek met een korte schets van een zevental wetenschappers die vanuit uiteenlopende disciplines pogingen ondernamen om de zachte krachten van het christelijk geloof met de harde wetten van de wetenschap in het reine te brengen. Tot dit gezelschap behoren de fysicus Barbour, theoretisch scheikundige Coulson, moleculair bioloog Peacocke en, de bekendste 'synthesist' van allemaal, paleontoloog Teilhard de Chardin.

Die pogingen zijn allerminst onvruchtbaar gebleken, is de overtuiging van McGrath. Want de gedachte dat de godsdienst (hoe dan ook ingevuld) door de eeuwen heen alleen maar hindernissen heeft opgeworpen om de ontwikkeling van de wetenschap te frustreren, is te simpel. Daar is de godsdienst te veelvormig en te divers voor.

G ERARD DIERICK, die de verhouding tussen wetenschap en geloof onderzocht aan de hand van eigentijdse auteurs uit het Nederlandse taalgebied, deelt deze overtuiging. Dierick, hoofd van het Katholiek Documentatiecentrum (dat weer onderdeel is van de Katholieke Universiteit Nijmegen), promoveerde op dit onderwerp en doet verslag van zijn onderzoek in het proefschrift Draait de aarde om de hemel?

Dierick hanteert daarin een indeling die de Britse fysicus Ian G. Barbour (dezelfde die ook bij McGrath ter sprake komt) beschreef in zijn Religion in an Age of Science (1990). Als het om de verhouding tussen geloof en wetenschap gaat is een viertal opties denkbaar: conflict, boedelscheiding, dialoog en integratie.

In de conflictsituatie gunnen vertegenwoordigers van de wetenschap en die van het geloof elkaar het licht in de ogen niet. Het tragische is dat zij zichzelf blijvend tot elkaar veroordelen door elkaar de laatste waarheid te betwisten. Vaak verliezen de tegenstrevers in dit conflict de grenzen van de eigen competentie uit het oog en denken zij het eigen gelijk dichterbij te brengen door de tegenpartij zo karikaturaal mogelijk af te schilderen.

Dat niemand daar wijzer van wordt hebben de aanhangers van de boedelscheiding, het tweede model, goed begrepen. Zij zijn verre nazaten van de filosoof Kant, die ooit voor het eerst opperde wetenschappelijke aangelegenheden te scheiden van geloofszaken. Voorstanders van een boedelscheiding gaan ervan uit dat weten hoe iets in elkaar steekt nog geen antwoord geeft op de vraag waarom er iets is, en waartoe dat iets dan wel dient.

Deze houding verraadt wijsheid, maar loopt volgens sommigen stuk op het feit dat de meeste mensen niet in een gesegmenteerde wereld willen leven en steeds op zoek zijn naar één geïntegreerd beeld van de werkelijkheid. Ook vanuit de ethiek is er bezwaar tegen deze optie, omdat bij een strikt doorgevoerde scheiding de wetenschap volstrekt autonoom wordt, waardoor het niet langer mogelijk is vanuit een levensbeschouwelijke moraal kritiek daarop uit te oefenen.

Een derde positie is die van de dialoog. Wetenschap en geloof zijn gescheiden fenomenen, maar dienen wel met elkaar 'in gesprek' te blijven. Een dialoog veronderstelt echter een verdergelegen doel. Wetenschap en geloof, zo luidt de onuitgesproken gedachte, hebben iets gemeen, al was het maar een gemeenschappelijk streven. Maar op de vraag wat dat streven is, komt zelden een eenduidig antwoord.

Misschien geeft het vierde model wel antwoord op die vraag en is de dialoog niets anders dan een verkapte eerste stap op weg naar de integratie van geloof en wetenschap. Daarbij zouden geloof en wetenschap op den duur één geheel moeten vormen. Dit harmonieus klinkende idee vindt niet alleen binnen de kerken, maar ook in holistische kringen als de New Age-beweging veel aanhang. Een integratie waarbij de samenstellende delen hun gelijkwaardigheid niet verliezen, is niettemin een utopie, zoals eerdere pogingen in die richting hebben uitgewezen.

Dat gevaar signaleert ook de katholiek Dierick in zijn studieuze en omvangrijke boek. Bij een volledige integratie van geloof en wetenschap delft een van tweeën onvermijdelijk het onderspit. Doorgaans is dat de vrijheid van de wetenschappelijke rede, die ondergeschikt wordt gemaakt aan het vooropgestelde geloof dat zelf niet ter discussie staat.

Een aardige illustratie hiervan geeft de pauselijke encycliek Fides et ratio ('Geloof en rede') uit 1998, waarvan de Nederlandse vertaling enige tijd geleden is verschenen. De paus zegt daarin recht te willen doen aan beide componenten, maar stelt voorop dat de Waarheid, en daar is er nog altijd maar één van in het katholieke geloof, alleen via de goddelijke openbaring aan een enkeling kenbaar wordt gemaakt, waarna het gelovig volk haar in goed vertrouwen zal moeten aannemen.

De menselijke rede is van God gegeven, aldus de encycliek, maar alleen om daarmee al redenerend tot het geloof te komen. In Fides et ratio kritiseert de paus de filosofie die zich als wetenschap zou hebben neergelegd bij de postmoderne tijdgeest waarin alles betrekkelijk werd en bij gevolg het nihilisme hoogtij viert. De natuurwetenschappen geeft hij een pluim. Hij roemt de 'beduidende resultaten' en 'belangrijke vooruitgang voor de gehele mensheid'.

Maar tegelijkertijd beperkt hij hun belang door ze slechts van toepassing te verklaren op de 'eendimensionale werkelijkheid van de onmiddellijke evidentie'. Praktische weetjes en ervaringsfeiten leveren ze op, aldus de paus, die pas betekenis krijgen 'in het wijder perspectief van het geloof'.

Uit pure kwaadheid om zo'n neerbuigende houding jegens de autonome wetenschap zou men haast in de verleiding komen zich tot het aloude conflictmodel te bekeren. Maar dat werkt, zoals wij nu weten, averechts. Misschien is de kantiaanse boedelscheiding toch zo gek nog niet. Zo houdt de onafhankelijke denker zich in één moeite door de paus, de creationisten én de Lagendijks van het lijf.