Dat blijkt uit model-computerberekeningen van de van origine Nederlandse geofysicus Wouter Schellart, die tegenwoordig werkt in Melbourne, Australië. Nature publiceert deze week zijn resultaten.
Schellart doet computerberekeningen aan zogeheten subductiezones, gebieden waar de ene aardschol over de andere schuift. De wegduikende schol reikt daarbij diep in de aardmantel en beinvloedt er de bewegingen van vloeibare gesteenten. Het wegduiken van de schol trekt daarnaast de aardschol mee, waardoor de schollen allemaal bewegen.
In modelberekeningen van subductiesituatie werd tot nog toe slecht in twee richtingen gekeken, dwars op het gebied en in de diepte. Schellart en zijn team doen voor het eerst berekeningen waarin de eindige overlap van aardschollen in de breedte ook wordt meegenomen.
Die eindige overlap blijkt volgens de berekeningen cruciaal voor de vormen waarin de botsende aardschollen worden gewrongen. Vooral ver van de eigenlijke zone waar de onderste schol wegzinkt, gebeurt meer dan verwacht, zeker bij zeer brede schollen.
Dat is het geval in Zuid-Amerika, waar tot nog toe het Andesgebergte een onbegrepen fenomeen was. Gewoonlijk worden plateaugebergtes gevormd door het opstuwen van de rand van een aardschol door een schol die daaronder duikt. De Andes ligt voor die theorie echter op de verkeerde schol: op de aardschol die onder de bodem van de Pacafic wegduikt.
Schellarts modelberekeningen laten nu zien dat ook op zo’n weggetrokken plaat gebergteplateau’s kunnen ontstaan, als de breedte van de wegzakkende aardschol groot genoeg is. Dan ontstaan stagnatiegebieden die door de omringende bewegingen worden opgestuwd.