'Fiets met plezier, zelfs bij tegenwind'

Aan de dichter Peter van Lier (Eindhoven, 1960) wordt volgende week de Jan Campertprijs uitgereikt. Hij krijgt die voor zijn tweede bundel: Gegroet o....

TIJDENS het gesprek raadpleegt Peter van Lier regelmatig zijn eigen bundel. Hij is geen lezer van zijn eigen werk. Geen van zijn gedichten kent hij uit zijn hoofd. Hij heeft daarvoor een eenvoudige verklaring: 'Je moet een soort leegte in je geest bereiken, omdat van daaruit weer nieuwe poëzie ontstaat. Dat lukt niet als je nog allemaal bestaande poëzie in je hoofd hebt zitten.'Gedichten die hem worden voorgelegd, bekijkt hij alsof hij ze voor het eerst ziet. Hij is er tevreden over.Ook in zijn kijk op de wereld toont hij die bereidheid zich blij te laten verrassen door het bekende. In zijn werk zet hij de allergewoonste dingen in een nieuw en warm licht. Wat vanzelfsprekend is, een park, een weg, een duif, wordt opnieuw gedefinieerd. In 'Omtrent huizen' staat: 'Huizen zijn om in te wonen (liefst knus).// Soms is een huis ondergebracht in een flat (wat mensen leuk, eng of duf vinden,/ bijvoorbeeld)'.In Van Liers korte, soms heel korte, gedichtjes is de wereld zo concreet mogelijk. De dingen springen door simpele, losse woorden, omringd met veel bladwit, haast tastbaar van de pagina. De dichter gebruikt zo min mogelijk woorden, alsof taal voor hem eerder een hindernis dan een uitdrukkingsmiddel is: 'Als dichter ontkom je daar niet aan natuurlijk', zegt hij, 'dat het toch met taal moet gebeuren.' Maar om de taal zo min mogelijk tussen de lezer en de dingen te laten komen, houdt Van Lier het gedicht heel eenvoudig. Als zijn taalgebruik soms wat ingewikkelder wordt, citeert hij meteen de bijbehorende woordenboeklemma's erbij. Hij wil de dingen niet achter hun namen verbergen.Uit zijn werk spreekt een liefdevolle aandacht voor de gehele schepping, die soms bijna religieus aandoet. In zijn gedichten kan makkelijk een woord als 'gebed' vallen: 'de/ regenbui wordt/ herdacht, al dan niet voltrokken in het gebed,// de regenbui die voorbij trok.'Van Lier reageert verbaasd op het citaat: 'Heb ik dat woord gebruikt?' Hij heeft zich immers 'ontworsteld' aan zijn katholieke kindertijd, maar, voegt hij eraan toe: 'De rituelen om het geloof heen zijn indrukwekkend, en het gebed is daar een element van. Poëzie zou ook als een soort gebed gezien kunnen worden. Met het wegvallen van allerlei geïnstitutionaliseerde religies kan poëzie misschien die leemte vullen. Zolang het een vorm is die ver van de traditionele religies afstaat, vind ik het ook wel wat hebben. Ik lees ook heel graag de grote mystici.'Ook de dankbaarheid in deze gedichten, dankbaarheid voor het bestaan zelf, doet religieus aan. Of regels als deze moeten ironisch bedoeld zijn: 'Dankbaarheid. Zeg: dankbaarheid./ Huil.// De bloemen,/ die daar zomaar staan. Zomaar.'Huilen om een bos bloemen, is dat serieus?'Het is niet ironisch bedoeld. Ik houd wel van oprechtheid in mijn poëzie. Het is echt dankbaarheid. Ik probeer mezelf en de mensen lichtelijk daartoe aan te zetten. Het gedicht geeft een soort aanwijzing waardoor je misschien dankbaar wordt, of kwetsbaar.'Het gedicht moet dus gelezen worden als aansporing tot een positievere, sensitievere levenshouding?'Dat klinkt te belerend en te dwingend. In poëzie moet het wat voorzichtiger gezegd worden. Je klampt je vast aan heel simpele waarnemingen. Mijn eerste bundel heet niet voor niets Miniem gebaar; ik houd het het liefst bij kleine dingen die wel in die richting gaan, maar die ook veel aarzelender zijn.'Dat aarzelende kenmerkt ook van Liers manier van spreken over zijn eigen poëzie. Zo laconiek als hij in eerste instantie is over zijn gedichten, zo behoedzaam formuleert hij zijn uitspraken erover. Alsof de argeloze dichter en de alwetende filosoof steeds in hem om de voorrang strijden, zonder dat een van beiden wint. In dit gesprek is Van Liers houding van een weloverwogen onbevangenheid.Dezelfde paradox kenmerkt zijn gedichten. Zijn verwondering over het alledaagse berust op een rationele keuze. De naïeve blik, die volgens hem kenmerkend is voor een hele dichtersgeneratie (hij ziet het ook bij dichters als K. Michel of Arjen Duinker) is niet vanzelfsprekend: 'Het is een filosofische beslissing om de wereld zo te zien, het is niet natuurlijk. Je moet je er echt toe zetten.'Dat het positieve gevoel niet altijd zo spontaan is, blijkt ook uit de krampachtigheid waarmee in sommige gedichten van Gegroet o. . . de blije sfeer in stand moet worden gehouden. We moeten koste wat het kost goedgeluimd zijn: 'Niet getreurd', luidt de opdracht, of: 'fiets// met plezier, zelfs bij tegenwind'.In hoeverre houdt Van Lier zichzelf en de lezer voor de gek?'Het is proberen tegen beter weten in: dat is sowieso de essentie van poëzie. Voor de duur van deze bundel is me dat gelukt, denk ik. Maar het is vrij precair allemaal.'De laatste paar gedichten van de bundel klinken ronduit onheilspellend; er steekt een kille wind op in het zomerse decor. Komt er dan toch de klad in het knusse wereldje? 'Ja, en dat vind ik ook wel goed aan de bundel. Er moet een zekere spanning in blijven zitten, zodat de lezer beseft dat het een hele opgave is geweest om zo'n positieve zienswijze aan te hangen. De naïviteit is zo moeilijk te bereiken dat zich in sommige gedichtjes, ondanks mezelf misschien, toch de keerzijde van die behaaglijkheid manifesteert.'Van Lier wijst op het laatste gedicht van Gegroet o. . . met de regels: 'juist voor het slapen gaan van het kind,/ nog om te kussen/ wakend'. 'Dat laatste gedichtje sluit misschien wel deze hele positieve visie af', licht hij toe: 'Ik heb me een tijdlang met een soort kinderwereld geïdentificeerd, en in het laatste gedicht mag het kind gaan slapen. Ook het kind in mij misschien.'In het eerste gedichtje van de bundel werd er juist een kind bij gehaald: 'Kastijd niet meer, integendeel: bleek// was. Vraag een kind om hulp bij het/ ophangen// ervan.'Van Lier legt uit wat hij daarmee wil zeggen: 'Dat ''bleek was'' suggereert iets van zuiverheid, van lichtheid. En dat je dan een kind vraagt bij het ophangen ervan: daarmee heb je meteen een geschikte compagnon. Het kind blijft in de hele bundel een rol spelen; die staat me als het ware terzijde in mijn zoektocht naar onschuld. Door de bundel te beginnen met ''Kastijd niet meer'' suggereer ik dat de pijnlijke alledaagse werkelijkheid hier even opzij wordt geschoven, dat ik een andere houding ten opzichte van de wereld zal aannemen. Het is al meteen een motto. De sfeer is gezet voor de hele bundel; daarvoor is zo'n fragment meer dan voldoende.'Vandaar dat deze eerste reeks, net als de laatste, 'voltooide fragmenten' heet. 'Sommige van de fragmenten waren eerst wel complete gedichten, die me niet meer bevielen. Ik heb toen gedeeltes ervan geschrapt, tot ik dacht: dit overtuigt. Mij althans. Dat fragmentarische hoort ook bij de tijdgeest. Kennelijk is dat het onderdeel van het veranderde, heersende wereldbeeld, waar ik onbewust in mee ben gegaan. Als je dat postmodern zou willen noemen, dan is het mij best, maar zelf gebruik ik dat woord heel weinig.'Het woord 'postmodernisme viel wel in het essay dat Van Lier dit voorjaar in De Gids publiceerde: 'Mooi, zo mooi.' Daarin probeerde hij niet alleen te definiëren wat hij zelf met zijn poëzie wil, maar wees hij ook op een heel nieuw elan in de literatuur. Het gaat om een hernieuwde waardering voor 'schoonheid en behagen', die misschien wel 'het postmoderne voorbij' is. Het feit dat de wereld onkenbaar is, stelde Van Lier in zijn essay, betekent nog niet dat we haar niet om haar schoonheid kunnen bewonderen. Het bondigst formuleerde de dichter die gedachte in een van zijn dichtregels: 'Wat bestaat, bestaat, en mooi.'Deze poëzie wil het antwoord zijn op de volstrekt talige, verbrokkelde wereld van het postmodernisme. 'Misschien krijgen we door die gefragmenteerde wereld behoefte aan het gewone, volledige en ongecompliceerde.' Hij ziet het tijdperk van de autonome poëzie als afgesloten: 'Dat je streeft naar een puur talige wereld, zonder te verwijzen naar de werkelijkheid buiten de taal. Dat heeft Kouwenaar bij ons gedaan, en Faverey. Dat is onderzocht, vind ik. Dat is voorbij. Als je de werkelijkheid zo onderdompelt in taal, kom je uiteindelijk uit bij het niets, en daar kun je niet blijven verkeren. Ik wil weer pleiten voor een aanwezigheid van de dingen, van de mensen en dieren om je heen.'Toch is er een onmiskenbare verwantschap met Faverey. 'Gelukkig wel, ja. Aan Faverey heb ik het meeste gehad, vooral aan de latere gedichten waarin hij heel heldere beelden gebruikt. Hij benoemt gewoon de dingen. Als je over een vlinder of een ijsvogel schrijft: concreet maken die zaak. En uiteindelijk gaat het bij hem toch ook over de schoonheid van de wereld.'Net als bij Faverey staat ook de mooie wereld van Van Lier bloot aan vernietiging. De onttakeling van dingen en mensen wordt niet uit de weg gegaan, maar met troostende woorden in kaart gebracht. Alles moet ten slotte sterven, 'maar erg is dat niet', schrijft Van Lier.Zijn deze gedichten bedoeld als pogingen om leven en dood te verzoenen?'Ja, ik wil de negativiteit en de dood enigzins aanvaardbaar maken. In poëzie kan je daar een poging toe doen. Als ik zo'n gedicht dan nu overlees, gebeurt het me inderdaad dat ik even verzoend ben met de sterfelijkheid.'