De huisvrouw komt tegenwoordig alleen nog voor op pornosites, ontdekte historica Els Kloek. 'Overdag poetsen ze thuis en vervelen ze zich, maar deze vrouwen hebben ook een grote kans om geil te worden!' Er zijn nog wel vrouwen die niet werken, 7 procent van het totaal, maar die noemen zich liever zorg- of thuisblijfmoeder.
Toch blijft de huisvrouw een onverslijtbaar referentiepunt. De moeder die de kinderen 's middags opwacht met een kopje thee is een krachtig ideaalbeeld, een herinnering aan een tijd die achteraf warm en overzichtelijk lijkt, waarin vrouwen zich nog niet in bochten hoefden te wringen om carrière en zorg te combineren.
Interessant genoeg heeft die klassieke huisvrouw maar heel kort bestaan, pakweg van 1900 tot 1970, schrijft Els Kloek in haar interessante, fraai geïllustreerde studie Vrouw des huizes - een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw. Voor 1900 lieten deftige vrouwen, goed voor zo'n 15 procent van de huishoudens, het poetswerk over aan het personeel. De meeste andere vrouwen waren zo arm dat ze wel moesten werken, vaak als poets- of wasvrouw voor de bovenlaag. Pas in de 20ste eeuw kon het gros van de vrouwen zich permitteren om thuis te blijven. De huisvrouw beleefde haar hoogtijdagen in de jaren vijftig, om vervolgens kopje onder te gaan in de tweede feministische golf van de jaren zestig en zeventig.
De huisvrouw was allerminst het beklagenswaardige sloofje dat feministen er later van maakten. Huisvrouwen werden hogelijk gewaardeerd, waren onbetwist de baas in huis en genoten een ruime mate van vrijheid. Bovendien werd het huisvrouwenbestaan als een luxe beschouwd. De man verdiende zo veel dat hij zijn vrouw kon vrijstellen van betaalde arbeid.
Nederlandse vrouwen geven de voordelige kanten van het huisvrouwenbestaan dan ook niet graag op, constateert Kloek. Een feministische auteur als Heleen Mees portretteert de Nederlandse vrouw graag als een muts zonder ambitie, die een comfortabel deeltijdbaantje prefereert boven de frontale aanval op het glazen plafond. Kloek laat zien dat deze voorkeur een historische achtergrond heeft. De Nederlandse vrouw laat zich niet koeioneren door het feminisme of emancipatienota's van de overheid. Huishoudelijk werk is vervelend, aldus Kloek, maar het huisvrouwenbestaan heeft ook voordelen boven de rat race van de arbeidsmarkt: een zekere mate van vrijheid en vooral tijd voor de kinderen.
Vaak wordt de traditioneel lage arbeidsparticipatie van Nederlandse vrouwen verklaard door de neutraliteit in de Eerste Wereldoorlog. In de oorlogvoerende landen namen vrouwen de plaats in van mannen die naar het front gestuurd werden. Kloek ontkracht deze verklaring grotendeels. Al voor 1914 werkten in Duitsland en vooral in Frankrijk veel meer vrouwen dan in Nederland.
Kloek gaat verder terug in de tijd. In een traditionele boerensamenleving lopen betaalde en onbetaalde arbeid vaak door elkaar. Gezinnen zijn zelfvoorzienend en verkopen alleen hun overschot op de markt. In Nederland ontstond al heel vroeg een embryonale kapitalistische samenleving, waarin boerenbedrijven zich specialiseerden en voor de markt produceerden. Daardoor ging het oude verschil tussen mannen- en vrouwenwerk parallel lopen met betaald en onbetaald werk. De man werkte voor de markt, de vrouw bestierde de zaken thuis.
Die verschillen werden versterkt in de stedelijke cultuur van de 16de en 17de eeuw. Van huisvrouwen in moderne zin was nog geen sprake. Veel vrouwen moesten aan het gezinsinkomen bijdragen: ze dreven bijvoorbeeld een kleine handel in groente en fruit, werkten op het veld, of verhuurden zich als wasvrouw of naaister. Ook de vrouwen uit de elite waren actief. Michiel de Ruyter dankte zijn fortuin niet in de laatste plaats aan zijn vrouw, die op uitgekiende wijze de inkoop van proviand en scheepsbenodigdheden voor haar rekening nam.
Buitenlandse reizigers noemden de Nederlandse vrouw stoer, ondernemend en bazig. Al in de 16de en 17de eeuw werd sterk de nadruk gelegd op de Hollandse huiselijkheid en properheid. 'Hun huizen zijn zo keurig dat men er ongemakkelijk van wordt: men durft zich nauwelijks te verroeren of te spugen, uit angst de vrouw des huizes te ontrieven', schreef de Engelsman John Reresby in 1657.
Volgens deze buitenlanders had de Nederlandse vrouw een hoge status. Zij was weliswaar ondergeschikt aan de man, maar werd in belangrijke beslissingen betrokken en deelde binnenshuis op welhaast tirannieke wijze de lakens uit. Bovendien, en dat vonden buitenlanders nogal opmerkelijk, liet zij zich niet door haar echtgenoot slaan.
Rond 1800 kon slechts een minderheid van de vrouwen het zich permitteren om niet te werken. Zij belichaamden echter een krachtig ideaal: de vrouw die thuis bleef om de kinderen op te voeden, haar man te verzorgen en 'gezelligheid' te brengen.
Aan het einde van de 19de eeuw kwamen dames uit de betere kringen in opstand tegen de verveling en de ledigheid van het huiselijk vrouwenleven, dat in menige roman zo indringend werd beschreven. Maar terwijl de vrouwen van de eerste feministische golf zich buitenshuis wilden ontplooien, keken hun armere seksegenoten juist jaloers naar de deftige dames die thuis mochten blijven.
Zo ontstond een coalitie die de opmars van de huisvrouw krachtig bevorderde. Veel vrouwen vonden het huisvrouwenbestaan aanzienlijk aantrekkelijker dan sloven in andermans dienst. Voor mannen was de huisvrouw een statussymbool, waarmee hij liet zien dat hij genoeg verdiende om zijn vrouw vrij te stellen. Bovendien werd vooral fabrieksarbeid als een bedreiging voor de vrouwelijke zedigheid beschouwd. Christelijke en sociaaldemocratische politici geloofden dat de 'natuurlijke' positie van de vrouw in huis was.
In de 20ste eeuw weerde de overheid vrouwen dan ook actief van de arbeidsmarkt. Vanaf de jaren twintig werden vrouwelijke ambtenaren en onderwijzeressen ontslagen, een maatregel die pas in 1955 werd afgeschaft. Op dat moment was zij overigens ook nauwelijks meer nodig: 98 procent van de getrouwde vrouwen was huisvrouw.
De jaren vijftig waren de onbetwiste hoogtijdagen van de huisvrouw. De barbarij en de ontwrichting van de bezettingen moesten overwonnen door worden door herstel van traditionele waarden. 'Gezinsherstel is volksherstel', luidde een gevleugelde kreet uit die dagen. De huisvrouw werkte gemiddeld 12 tot 14 uur per dag, blijkens een enquête van uit 1956. Zij nam elke dag stof af en gaf het huis eens per week een flinke beurt. Bezigheden buitenshuis kwamen er bekaaider vanaf: in 1966 kon slechts 47 procent van de huisvrouwen zwemmen en 12 procent autorijden.
Vrouwen waren hier lange tijd tevreden over. In een onderzoek van Philips uit 1966 noemde 80 procent van de huisvrouwen zichzelf gelukkig. Een jaar later sprak Joke Smit in haar befaamde artikel 'Het onbehagen bij de vrouw' van 'een kudde stofzuigervee' en brak in Nederland de tweede feministische golf uit. Waarschijnlijk hebben veel vrouwen tegenover de Philips-enquêteurs sociaal wenselijke antwoorden gegeven, denkt Kloek. Het is echter ook aannemelijk dat beeldvorming een belangrijke rol heeft gespeeld. Het maatschappelijk ideaal verschoof van huisvrouw naar werkende vrouw, en vrouwen schoven mee. In de jaren zeventig werd gesproken van een nieuwe ziekte, 'het huisvrouwensyndroom': de 'groene weduwen' in de destijds nieuwe slaapsteden werden depressief van ledigheid, net als Eline Vere in de 19de eeuw.
Els Kloek heeft een belangwekkend boek geschreven, dat uiterst relevant is voor het actuele debat over werk en zorg. Voor hedendaagse vrouwen is een betaalde baan vanzelfsprekend. Toch zijn zij minder carrièregericht dan de voorvechters van emancipatie zouden willen. Nederlandse vrouwen zijn massaal aan het werk gegaan, maar ze werken veel vaker in deeltijd dan andere Europese vrouwen: 75 tegenover 31 procent.
Culturele conventies zijn taai, concludeert
Overal ter wereld zorgen vrouwen voor het huishouden, maar nergens is de huisvrouw zo n begrip als in Nederland. De Hollandse huisvrouw heeft naam gemaakt met haar bazigheid, ondernemingszin, bewegingsvrijheid, huiselijkheid en vooral haar overdreven properheid. Op dit moment werken in Nederland veel meer vrouwen in deeltijd dan elders; zij...
Overal ter wereld zorgen vrouwen voor het huishouden, maar nergens is de huisvrouw zo n begrip als in Nederland. De Hollandse huisvrouw heeft naam gemaakt met haar bazigheid, ondernemingszin, bewegingsvrijheid, huiselijkheid en vooral haar overdreven properheid. Op dit moment werken in Nederland veel meer vrouwen in deeltijd dan elders; zij combineren hun baan met de zorg voor kinderen. Houdt dat soms verband met de sterke traditie van de Hollandse huisvrouw? De Nederlandse samenleving was al vroeg georganiseerd in kleine wooneenheden: jonge mensen vormden een huishouden, zodra ze een eigen woning hadden. Voor het houden van zo n eigen huis was de huisvrouw cruciaal. Van oudsher had zij geen tijd om dagenlang in de keuken te staan, maar besteedde wel veel aandacht aan het schoonhouden van huis en omgeving. Ze was niet belezen of erudiet, maar kon wel goed rekenen en organiseren. Ze had weinig talent voor ondergeschiktheid, maar was niet te beroerd om huishoudelijk werk te doen. Historica Els Kloek laat zien hoe de rol van de huisvrouw zich in de Nederlandse geschiedenis steeds heeft gevoegd naar de omstandigheden van de tijd. Daarmee verklaart zij hoe de ondernemende huisbestierster van toen zich ontwikkelde tot de in deeltijd werkende zorgmoeder van nu.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Cultuur & Media:
kunst & literatuur,
showbizz,
film,
tv.