Werknemers van de Babylon Group.
Werknemers van de Babylon Group. © Foto: Pieter van den Boogert

Dit zijn de jongens en meisjes in de textieljungle van Bangladesh

Het kabinet en tien maatschappelijke organisaties presenteren vandaag een witte lijst van zestig bedrijven die 'eerlijke kleding' verkopen of dat binnen vijf jaar willen gaan doen. Verslaggeefster Ana van Es nam drie jaar geleden polshoogte bij fabrieken in Bangladesh waar kleding voor H&M en Zara wordt gemaakt en sprak er met de jonge arbeiders. Lees het verhaal hieronder terug.

Precies zoals het hoort

Fabriek en spinnerij

Als kledingmerken proberen om werkomstandigheden te verbeteren, gaat hun aandacht vooral uit naar de fabrieken uit dit artikel: de labeltjes van H&M en C&A worden namelijk door deze eindfabrikanten in de kleding genaaid. Maar de productieketen begint veel eerder: na het katoenplukken gaat deze via de spinnerij (en soms nog meer tussenstappen) uiteindelijk naar de kledingfabriek. In de spinnerijen zijn misstanden nog steeds vigerend, constateert de SOMO.

Parveen Akhter heeft geluk gehad en dat weet ze. Duizenden meisjes ambiëren een baan zoals de hare. Als naaister in Bangladesh had ze het niet beter kunnen treffen.

Hoe bevalt je werk? 'Goed', zegt Parveen (23) glunderend. Tien uur per dag, zes dagen per week, naait ze voorpanden van T-shirts. Daarmee verdient ze ongeveer 60 euro per maand. Met dit salaris kan haar familie de huur betalen van één kamer in een raamloze hut van golfplaten, verstopt aan een modderige steeg tussen de hoogbouw van de Bengalese hoofdstad Dhaka.

Bangladesh is na China de grootste kledingexporteur ter wereld. Hoeveel kledingfabrieken het land telt, weet niemand - schattingen variëren van drieduizend tot wel zesduizend. Ze zijn gevestigd in afbraakpanden in de binnenstad, maar ook in ruime gebouwen op pas verrezen industriegebieden. Het land eromheen wordt bezet door de stoffige hutjes van de duizenden arbeiders die naaien voor de Europese en Amerikaanse markt.

In deze textieljungle wist Parveen een baan boven aan de ladder te verwerven. De fabriek waar ze werkt, Babylon, behoort tot de beste van het land. Hier wordt haar salaris elke maand op tijd betaald. Op officiële vakantiedagen mag ze gewoon doorwerken, zodat ze extra geld kan verdienen. En, heel belangrijk: 'De opzichters schelden niet.' Elke paar weken organiseert Babylon een ontruimingsoefening. Na de ineenstorting van het Rana Plaza, een gebouw vol textielfabrieken even buiten Dhaka, waarbij eind april ruim 1.100 mensen omkwamen, is het hele gebouw nog eens opnieuw geïnspecteerd en gekeurd. Brandblussers en nooduitgangen zijn er te over. Parveen voelt zich veilig.

Onlangs werd Babylon opgeschrikt door rookwolken voor het raam. Grote consternatie: brand bij de buren, bij kledingfabriek Tung Hai. Met acht doden, onder wie de directeur, was dit na Rana Plaza een nieuwe tragedie die de internationale pers haalde. Medewerkers van Babylon hielpen met blussen. De nooduitgangen zaten op slot, zeggen ze. Heel triest. Anders had iedereen gered kunnen worden.

'No more Rana Plaza', zegt Mohammed Hasan, de charismatische directeur van Babylon. 'Voor goede fabrieken is dit een kans om scherper te onderhandelen met kopers.' Veiligheid, verwacht hij, kan een breekijzer worden om meer geld los te peuteren. En is meteen een mogelijkheid om de goedkope naaiataliers aan te pakken die zijn markt wegsnoepen.

Babylon produceert kleding voor onder meer H&M en de kinderlijn van Zara. Certificaten van C&A hangen aan de muur van het trappenhuis. Dit is een bedrijf dat aan alle eisen van westerse klanten voldoet. Bedrijven weten dat hun kleding hier wordt geproduceerd, bij Babylon in Dhaka, en niet stiekem ergens anders. Want dat komt voor in Bangladesh: een modelfabriek als lokkertje voor westerse inkopers, terwijl het echte werk elders onder erbarmelijke omstandigheden gebeurt.

In Bangladesh is Babylon een ideaalplaatje, heel anders dan de taferelen die je tegenkomt naarmate je verder afdaalt in de kledingindustrie. 'Wij zien onze arbeiders als collega's', zegt Hasan. Het salaris dat hij aan zijn arbeiders betaalt - meestal iets meer dan 50 euro in de maand - voldoet natuurlijk aan alle wettelijke normen.

Hasan zit al ruim twintig jaar in de textielexport, zag de sector groot worden. Tot midden jaren '90 waren westerse afnemers zo blij met de lage prijzen in Bangladesh dat ze geen eisen stelden aan arbeidsomstandigheden. Tegenwoordig speelt hij in op de hang van klanten naar 'ethisch produceren'. Babylon heeft een brochure met 'studiebeurzen' voor medewerkers. Vertaald in het Engels, zodat de inkopers van H&M en Zara het kunnen lezen. Dat lijkt prachtig, al volgen de naaisters in de golfplatenwijk achter de fabriek geen van allen zo'n opleiding.

Directeur Hasan weet dat hij extra geld kan vragen als hij de goede werkomstandigheden bij Babylon handig uitvent. Voor zijn Europese en Amerikaanse klanten organiseerde Hasan eens een modeshow waarbij een echte arbeidster meeliep, gewoon eentje uit de fabriek. Vonden ze prachtig. 'Wij zijn een klein beetje duurder dan andere fabrieken.'

Ze moeten dus geweten hebben dat er iets mis was. Maar waarom kochten ze daar dan?

Het verbaast hem dat de dodelijke drama's van de afgelopen maanden plaatsvonden bij andere fabrieken van naam en niet in de kleine naaiateliers die hij verafschuwt. Babylon krijgt elke paar maanden inspecteurs over de vloer van merken als H&M. 'Rana Plaza en Tung Hai leverden ook voor zulke dure merken. Die hebben hun eigen inspectieteams. Ze moeten dus geweten hebben dat er iets mis was. Maar waarom kochten ze daar dan?'

In de fabriekszalen zitten Parveen en haar collega's van 's ochtends acht tot 's avonds zeven met honderden tegelijk achter lange rijen naaimachines. Praten is niet toegestaan in de lange uren dat ze kleding produceren voor de westerse markt. Op een schoolbord staan de streefcijfers voor de productie vandaag: 1.920 blouses voor het Amerikaanse Tesco.

Veel fabrieksmeisjes zijn onlangs van het platteland naar de stad getrokken om een nieuw leven te beginnen. De 19-jarige Laboni Akhter waagde de sprong een half jaar geleden, aan het eind van de regentijd, met haar ouders, jongere zusjes en haar eigen dochtertje van nog geen jaar. Hier verdient ze als naaister-in-opleiding 30 euro per maand, daar had ze niets. 'We konden het leven daar niet meer betalen.'

Maar haar echtgenoot bleef achter in haar geboortedorp, om het land te bewerken. Ze stuurt hem 10 euro per maand. Af en toe bellen ze. Een keer per jaar hoopt ze hem te kunnen bezoeken, maar ze weet nog niet zeker of ze dat kan betalen.

Voor de 23-jarige Parveen begint in het conservatieve Bangladesh de tijd te dringen voor een huwelijk. Maar haar vader, een arbeidsongeschikte riksjarijder, heeft geen geld voor een bruidsschat. Als kostwinner van het gezin kan ze zelf ook niets opzijleggen. 'Ik denk dat ik altijd zal blijven werken en geld verdienen.' Haar toekomst ligt in de fabriek.

Race naar beneden

De ijskoffie op tafel kost bijna 3 euro per glas, een paar dagen loon voor veel textielarbeiders. De twee kledingfabrikanten kijken tijdens het gesprek met een westerse journalist nerveus het restaurant rond. Het gevaar kan overal vandaan komen. Van de mevrouw in die opzichtige, gele shalwar kameez. En die jongeman daar, waarom houdt die zijn iPhone op ons gericht? 'De overheid heeft spionnen in dienst. Grote kledingmerken trouwens ook.'

De twee fabrieksdirecteuren willen niet met hun naam in de krant. Dat kan hun handel schaden. In Bangladesh geldt het behoud van de kledingindustrie als een zaak van nationaal belang. 'Alles wat je laat zien, kan Bangladesh een slecht imago geven in het buitenland' - zo'n soort waarschuwing heeft de bond van kledingfabrikanten BGMEA na de instorting van Rana Plaza aan zijn leden gegeven.

Toch willen deze fabrikanten hun verhaal kwijt. Ze zagen op televisie dat de paus het leven van naaisters in Bangladesh omschreef als 'slavenarbeid'. Dat klanten in het westen protesteren tegen kledingmerken die hier produceren. Het raakte hen. 'Normaal hebben ze nooit oog voor de fabriek waar hun kleding uit komt. Als klanten iets meer zouden betalen, zouden wij ons aan meer regels kunnen houden.'

Sommige grote modemerken zouden dit bedrijf afkeuren, het staat te dicht bij de illegale onderkant van de Bengalese kledingindustrie

Op dit moment houdt de fabriek zich niet altijd aan de regels. Dat is te zien als een van de directeuren later een rondleiding geeft. Hier hangen geen certificaten van C&A aan de muur, zoals bij Babylon. Deze fabriek is niet compliant, zoals dat in de industrie heet. Sommige grote modemerken zouden dit bedrijf afkeuren. Het staat te dicht bij de illegale onderkant van de Bengalese kledingindustrie. Toch laat warenhuis Wibra in dit schemergebied kleding maken.

'Het is niet zo dat we veel regels overtreden', zegt de kledingfabrikant. Hij werkt al jaren in deze sector, hij weet ook wel dat je in Bangladesh nog veel dieper kunt zakken. Zijn bedrijf oogt nog ruim en schoon. In de naaizalen hangen brandblussers, maar de verplichte strepen op de vloer richting nooduitgang zijn vervaagd.

Werknemers onder de 18 worden hier niet aangenomen, staat op een groot plakkaat aan de muur. In het Engels, zodat westerse inkopers het goed kunnen lezen. Maar achter een tafel staat toch echt Rosina die voor 20 euro in de maand draadjes van broeken snijdt. Onlangs is ze met haar familie van een dorpje naar de grote stad verhuisd. Rosina is 15 jaar.

'We houden ons min of meer aan de regels', zegt de kledingfabrikant. 'En we hebben min of meer geen kinderarbeid.' De productie van T-shirts voor Wibra is in volle gang. Het patroon wordt van karton overgetekend op de stof, die daarna om tijd te besparen met 62 laagjes katoen tegelijk machinaal gesneden wordt. In september of oktober zullen de shirts te koop zijn in Nederland en België.

De fabrieksdirecteuren zouden zich graag aan alle regels houden, zeggen ze. Ze willen haarscherpe, felrode strepen richting de nooduitgang en geen minderjarigen aan het werk, ook niet af en toe eentje die op een leeftijd is waarop meisjes in dit land soms al trouwen. Maar dat kunnen ze niet betalen.

De twee fabrieksdirecteuren leggen hun dilemma voor. Westerse afnemers betalen, zeg maar, 2 dollar per T-shirt. 'Als we alle regels uitvoeren, wordt dat meer dan 3 dollar per T-shirt. Dat gaat niet.' Bezuinigen kan bijna niet, rekenen ze voor. De textiel en het garen moeten ze elders inkopen. Die prijs ligt vast. Zelf willen ze ook iets overhouden - 4 tot 5 procent winst, ook voor investeringen. Een van hen plukt aan zijn pantalon. 'Ik kan niet werken voor lege zakken.'

De demonstranten krijgen bijval van niemand minder dan Nobelprijswinnaar Mohammed Yunus, de bedenker van het microkrediet en het intellectuele geweten van Bangladesh. Westerse kledingmerken die hier komen, moeten zelf een hoog minimumloon afdwingen, schrijft hij in de Britse krant The Guardian. Dat zal een halt toeroepen aan de race naar de laagste prijs. Op deze manier kan de kledingindustrie zich richten op gezondere uitdagingen. Concurreren op kwaliteit bijvoorbeeld, en op veilige werkomstandigheden.

'Heel mooi om de salarissen te verhogen', zegt een van de fabrikanten die voor Wibra werkt. 'Maar wie gaat dat betalen? Krijgen wij dat geld dan terug van onze afnemers?' Nu het onrustig is in de stad, laat hij zijn naaisters niet meer tegelijk naar huis gaan. 'Vakbonden kunnen zo niet zien dat hier een fabriek zit. Het zijn meisjes. Ze willen hier niets mee te maken hebben.'

Bodem van de markt

In een schemerige hoek van het naaiatelier werkt Shilpi Akhter. Niet zo lang geleden is haar hele familie van het platteland verhuisd naar de grote stad, in de hoop op een beter leven. Sinds drie maanden leert Shilpi in dit naaiatelier knopen aan bermuda's zetten. Ze kan het al goed, lacht ze trots, kijk maar.

Hoe oud ben je? '12', zegt Shilpi.

Dit naaiatelier heet Tracker Fashion en zit verstopt achter een anonieme gevel in de binnenstad van Dhaka, in een volkswijk waar het wemelt van vergelijkbare ateliers. Samen vormen ze het dieptepunt van de kledingindustrie in Bangladesh. In grote fabrieken zoals Babylon moet je tegenwoordig meerderjarig zijn om te werken. Maar hier, op de onderste trede van de kledingmarkt, zien ze Shilpi graag komen. 'Wij voldoen niet aan de regels', zegt haar baas, Murad Hussain.

Dit eindstation van de textielindustrie wordt voor allerlei opdrachten ingezet. De bermuda's die deze week gemaakt worden, worden toevallig verscheept naar India. Vaak is de bestemming Europa. 'We hebben geproduceerd voor Primark', zegt Hussain, een forse man in een poloshirt. Na een graai in de bak proefmonsters naast zijn bureau, tussen de Duitse en Amerikaanse labels: 'En dit was voor de Nederlandse markt.'

Een bruine herenbermuda van Reject, het huismerk van postorderbedrijf Neckermann. De letters NL, een maataanduiding: 48 / 50.

Het is de vraag of westerse bedrijven wisten dat hun kleding is geproduceerd bij Tracker Fashion, door naaisters als Shilpi van 12 of bijvoorbeeld haar 14-jarige collega Shariful Islam, die hier tien uur per dag heel ijverig draadjes afknipt. In deze fabriek, zeshoog achter in Dhaka, komen namelijk geen klanten uit Europa. 'We krijgen nooit westerse kopers te zien,' zegt Hussain. 'Ze komen ook niet te weten dat hun kleding hier is gemaakt, zelfs achteraf niet.'

Kledingmerken sluiten een contract met een ander bedrijf: NKL Apparels, ook gevestigd in Dhaka. Een van de eigenaren van NKL Apparels, Mohammed Salim, is sinds een aantal jaar toevallig mede-eigenaar van Tracker Fashion. Wanneer overbelasting dreigt in zijn eigen fabriek, dan schuift Salim de order door. 'Dat doe ik bij bestellingen voor de Indiase markt, en als het druk is ook bij Europese merken', zegt hij desgevraagd door de telefoon. Tracker Fashion is per kledingstuk gemiddeld 8 eurocent goedkoper dan productie bij het moederbedrijf.

Ziehier het grote probleem van de kledingindustrie in Bangladesh, zegt Ashraf Uddin van de Bangladesh Labour Welfare Foundation. Het doorschuiven van orders naar een andere fabriek, subcontracteren, zorgt ervoor dat je in Bangladesh nooit weet bij welke onderaannemer je eindigt. 'Als een fabriek een order krijgt van een westerse inkoper, dan gaat die order vaak naar een gesubcontracteerd bedrijf. Dat is goedkoper. Maar de westerse inkoper wordt alleen rondgeleid in een mooie, grote fabriek. De echte fabriek krijgt hij niet te zien.'

Maar de dagelijkse praktijk is nog veel schimmiger. 'De meeste afnemers doen zaken met ons via een inkoophuis', vertelt Hussain namelijk. 'Alles gaat via een tussenpersoon.' In Dhaka zijn talloze inkoophuizen actief. Ze fungeren als een brug tussen het westerse kledingmerk dat de lokale markt niet kent en de Bengalese kledingfabriek. De westerse klant plaatst een order bij het inkoophuis, dat vervolgens een fabriek zoekt.

Het kan twee keer misgaan, legt een Nederlandse inkoper in Dhaka uit, die werkt voor Europese modehuizen en niet met zijn naam in de krant wil: de inkoper kan subcontracteren, en de fabriek waar de order terechtkomt kan dat nog eens opnieuw doen. Wie zaken doet met de textielsector in Bangladesh, weet kortom nooit helemaal zeker of kleding niet toevallig is gemaakt op de bodem van de markt, in het naaiatelier waar Shilpi werkt.

Gerenommeerde inkoophuizen inspecteren zelf elke fabriek waar ze een order plaatsen. 'We letten erop dat er geen kinderarbeid is, dat er twee uitgangen en een nooduitgang zijn, of er een procedure is wat te doen bij brand', zegt Mahabubur Rahman, leidinggevende bij Linmark, een van de oudste inkoophuizen van Dhaka. Het is een lijst van 123 punten die hij langs-loopt, en die zal eindigen bij een fabriek als Babylon, niet in een naaiatelier.

Maar ook het inkoophuis kan subcontracteren. De order gaat dan naar een andere fabriek dan is afgesproken. Het is niet ideaal, erkent Rahman. Maar de capaciteit is schaars. Vaak is dit de enige manier om ervoor te zorgen dat kleding op tijd verscheept kan worden. Hij inspecteert een gesubcontracteerde fabriek altijd eerst, zegt hij. 'Net als bij een gewone fabriek.' Maar soms belandt een order bij een fabriek die 'close to compliance' is. Waar kortom wel wat verbeterd kan.

En Linmark bedient het bovensegment van de markt. In Dhaka zijn ook snelle jongens actief die Rahman aanduidt als 'inkopers met kleine zakcomputers.' Ze slaan hun laptop open in een zakenhotel en plaatsen vanuit daar hun orders. Volgens de wetten van deze markt zoeken ze naar de laagste prijs.

De Nederlandse inkoper in Dhaka, die zijn leven lang al opereert in de landen waar de lonen op dat moment het laagste liggen - ooit was dat trouwens Zuid-Korea - laat zijn klanten van tevoren kiezen: een compliant fabriek of een non-compliant fabriek. Niet iedereen wil betalen om zich aan de regels te houden. 'Het kost geld om alle voorschriften na te leven. Je moet een tweede nooduitgang aanleggen, zorgen voor brandblussers.'

En een beetje speelruimte moet er zijn, vindt hij. Natuurlijk moeten de nooduitgangen in een gebouw niet op slot zitten. Maar door dat gehamer op veiligheidseisen, dat gestunt met hogere lonen, stijgt ook in Bangladesh de prijs. Het kan de markt om zeep helpen waar de economie van dit land op drijft. Natuurlijk zullen H&M en C&A niet gelijk de deur dichtgooien. 'Maar successievelijk trekken kopers hier weg.'

De onderkant van de kledingmarkt wordt geen strobreed in de weg gelegd door de overheid. In heel Bangladesh, een land met circa 150 miljoen inwoners, werken vooralsnog slechts 55 arbeidsinspecteurs, die alle industrie in de gaten moeten houden. De Verenigde Naties laat dat aantal uitbreiden tot 200, maar ook dan komen ze vermoedelijk niet verder dan het sluiten van kledingfabrieken die, net als Rana Plaza, gevestigd zijn in gebouwen die zichtbaar op instorten staan.

Het lijkt onwaarschijnlijk dat ze ooit binnen zullen vallen bij Tracker Fashion, waar de naaimachines zo dicht op elkaar staan dat je erlangs moet schuiven. Bij een ontruiming duurt het even voordat dit gebouw leeg is. De radio schalt Bollywoodliedjes door de ruimte. Lappen katoen liggen op de grond. Waar duurdere fabrieken hun zaak steriel schoon houden, is de werkvloer op de bodem van de Bengalese kledingindustrie bedekt met stof.

Na Rana Plaza is manager Hussain zich gaan realiseren dat gebouwen het kunnen begeven. Het naaiatelier bevindt zich op de hoogste etages van een gebouw dat is bedoeld als kantoorpand. Dat is illegaal, maar heel gebruikelijk in het overbevolkte Dhaka. De ruimtes lijken te frêle voor de zware apparatuur. Op het dak is met golfplaten nog eens een extra verdieping geknutseld voor het verwerken van katoen. Die zolder, daar wil Hussain liever weg. 'Het is onveilig.'

De Volkskrant heeft merken die zijn aangetroffen bij fabrieken die zich niet aan de regels houden, om een reactie gevraagd. Wibra wil niet reageren en verwijst naar zijn gedragscode. Daarin staat dat werknemers die kleding maken voor 'de goedkoopste discounter van Nederland' minimaal 14 jaar moeten zijn. Primark noemt de opmerking dat zijn kleding is gemaakt in naaiatelier Tracker Fashion 'ongefundeerd'. Het bedrijf wil niet uitleggen hoe zij probeert te vermijden dat orders stiekem worden doorgesluisd. 'Helaas is niet te achterhalen hoe die bestelling is geplaatst,' zegt een woordvoerder van Neckermann, waarvan een bermuda werd aangetroffen bij naaiatelier Tracker Fashion. De Duitse tak van Neckermann, die namens Nederland inkopen deed in het buitenland, is in oktober vorig jaar failliet gegaan.

Eerder verschenen in Vonk, het achtergrond- en opiniekatern bij de Volkskrant op zaterdag (25 mei 2013).