Leonard Cohen.
Leonard Cohen. © AFP

Hoe Gijsbert Kamer toch zwichtte voor Leonard Cohen

De muziek van Leonard Cohen heeft me nooit wat gedaan. In de jaren zeventig moet ik zijn naam voor het eerst gehoord hebben. Mogelijk dankzij Herman van Veen, maar Cohen bevond zich in een ander muzikaal universum. Een liedjeszanger zoals Boudewijn de Groot dat was. Muziek waar mijn moeder en mijn zusters naar luisterden, maar ik niet.

Het was anders dan Bob Dylan, Van Morrison, David Bowie, Lou Reed,  Bryan Ferry of zelfs Elton John  - ook geen naam die me als veertienjarige prikkelde tot nader onderzoek. Het was voor mij gewoon iemand uit een ander tijdperk, die geen aansluiting meer had bij de muziek waar ik naar luisterde.

Dat is altijd zo gebleven. Er zijn diverse momenten in mijn muzikale leven dat ik het geprobeerd heb met Leonard Cohen, tot voor kort zonder resultaat.

Bad Seeds
Zo was daar in  1984 ineens Nick Cave die zijn debuutplaat als solo-artiest met de Bad Seeds, From Her To Eternity opende met het liedje Avalanche, dat was van Leonard Cohen, las ik overal. Mooi nummer, maar het was in die tijd lastig om meteen het origineel te checken. Bovendien: die Cohen, dat leek me nog altijd niks.

Ik bewonderde Nick Cave toen zeer, het was een van mijn lievelingsartiesten, en ik gunde hem zijn afwijking. Een jaar later vergaf ik hem ook zijn voorkeur voor Johnny Cash, een artiest die in 1985 echt helemaal niet 'kon'.

Teringherrie
Maar het bleef niet bij Cave. In 1986 verscheen het tweede album van Coil, Horse Rotorvator. Deze Britse band, voortgekomen uit Throbbing Gristle was in die tijd het summum van avant-garde in de rock 'n roll. Ik had er een soort haat-liefde verhouding mee. Ik vond het soms teringherrie, soms mooi. (Ik vind het nu overigens allemaal wel prachtig).

Op die tweede plaat van Coil stond ook Who By Fire, een liedje van Leonard Cohen. Mooi, maar opnieuw leidde het voor mij niet tot nader onderzoek naar het oeuvre van de Canadese bard.

Gek misschien, maar volgens mij verdiepte geen enkele Cave-Coil liefhebber zich in het werk van Cohen.

Bewieroken
Ook niet toen eind 1984, begin 1985 de Britse pop-bijbel de NME hem begon te bewieroken. Er kwam een nieuwe plaat van hem aan, Various Positions, die zo controversieel was dat zijn platenmaatschappij CBS in de VS de plaat niet wilde uitbrengen. CBS baas Walter Yetnikoff had tegen Cohen  geroepen iets in de trant van: 'We think you are great, but we don't think you are any good'.

De NME vond Cohen cool, was laaiend enthousiast over zijn concerten in 1985, en dat betekende wat. Ik spelde het weekblad in die tijd. Maar behalve Bart Chabot, die als ik het me goed herinner een column aan Cohen had gewijd, hoorde ik hier verder nooit iemand over Cohen.

Een van de meest gecoverde liedjes
Ik was inmiddels wel nieuwsgierig naar de plaat Various Positions geworden, maar kon hem hier ook nergens vinden. In de platenzaak waar ik werkte was er geen vraag naar, en ik vergat de plaat weer.
Hij haalde in Nederland ook niet de elpee Top 100.
Toch is het nu een belangrijke plaat, alleen al dankzij Hallelujah. Een liedje waarvan de kwaliteiten pas in 1991 werden opgemerkt toen John Cale het opnam voor de 'tribute' plaat I'm Your Fan. En nog later, in 1994 toen Jeff Buckley het onstervelijk maakte op zijn album Grace.


Het liedje is een van de meest gecoverde liedjes in talentenshows als X-Factor. Het aantal overbodige versies is niet te tellen.
Maar die van Cohen zelf is ook niet zo heel erg goed, moet ik bekennen. Het liedje wordt vergald door een lelijk synthetisch arrangement, wat voor al zijn platen geldt. Tot aan het nu verschenen Old Ideas dan.

Uitverkoop-synthesizers
In 1988 deed ik weer eens een Cohen-poging. De plaat I'm Your Man verscheen, en ineens was Cohen wel in de mode. Er was nu wel vraag naar in de winkel, en als ik het wel heb waren de recensies overal tamelijk enthousiast. Ik vond zijn stem inmiddels wel erg mooi, maar gruwelde van die uitverkoop-synthesizers in de arrangementen. Als dat zijn manier was om modern te doen, laat dan maar.

Wel kreeg ik steeds meer het vermoeden dat ik in mijn afkeer alleen stond. Niet alleen journalisten die ik bewonderde, maar ook steeds meer artiesten noemden Cohen als een grote inspirator. En ik kon of wilde het maar niet horen.

Goed, aan het werk van veel grootheden heb ik korte of lange tijd moeten wennen: Van Morrison, Joni Mitchell en Miles Davis waren geen namen die ik in mijn schoolagenda's had staan. Eind jaren zeventig, begin jaren tachtig kon ik er zelfs helemaal niks mee.
Tussen hen en mij is het allemaal goed gekomen, maar tussen Leonard Cohen en mij wilde het maar niks worden.

Ik geloofde door mij bewonderde artiesten als Jarvis Cocker, Nick Cave en Will Oldham als ze hem als een van de allergrootsten aanwezen, maar zelf voelde ik er niks bij.

En dan is het 2012, en is Leonard Cohen 77 en dan brengt hij zijn twaalfde studio-album uit, Old Ideas en die vind ik vanaf de allereerste tonen meteen prachtig.

'I love to speak with Leonard
He's a sportsman and a shepherd
He's a lazy bastard
Living in a suit'

Zo begint het openingsnummer Going Home en ik schiet meteen in de lach. De plaat staat vol prachtige regels, met overpeinzingen over ouderdom en het naderende einde, maar steeds zeer origineel verwoord.

'I got no future
I know my days are few
The present is not that pleasant
Just a lot of things to do
I thought the past would last me
But the darkness got that to'

Deze woorden zingt hij in wat ik een van zijn mooiste liedjes vind, Darkness.

Zompig orgel
Maar los van de teksten is het ook de muziek die me dit keer meteen bij de les houdt. Weg zijn die malle synths. Het geluid is, zoals ik dat treffend vond omschreven door Tom Engelshoven in de nieuwe OOR schatplichtig aan dat van Bob Dylan in zijn reli-periode (Slow Train Coming) en aan een jazzy  Tom Waits (Small Change).

Ook moest ik door het zompige orgel aan Nick Cave denken, natuurlijk ook door die donkere bariton van Cohen zelf. Muzikaal het knapst is Amen, met een kippenvel opwekkende trompetsolo, halverwege.

Los van een mooi stuk in OOR, een knap verslag door Menno Pot voor de Volkskrant van de persconferentie die Cohen in Parijs gaf (ook verslagen door De Pers), en stukken in Britse kranten, genoot ik dit weekend het meest van de nieuwe Mojo. Het muziekblad heeft niet alleen het enige grote face-to-face interview met Cohen, maar er zit ook een puike cd bij waarop artiesten van Field Music tot Bill Callahan liedjes van Cohen coveren. Zijn hele eerste album uit 1967 wordt door anderen gespeeld, wat een prachtig resultaat heeft.

Iedereen die iets met Cohen heeft, of het net als ik ooit hoopt te krijgen moet dit nummer van Mojo kopen. Het verhaal van Sylvie Simmons (Cohens beoogde biograaf) op de lunch bij Cohen (op de dag dat alle andere geplande interviews werden afgeblazen) is prachtig. Maar ook de inzetjes zijn bijzonder. Zo trof me de liefdesverklaring van Will Oldham aan het werk van Cohen en zijn uitleg over hoe Cohen op hem van invloed is geweest:

'His songs are the epitome of the model that I have carried with me since diving into his work as a mid-teenager; there's something about the lyric that pulls you in without revealing itself entirely but it holds you there on each listen. It's a combination of humour, modesty, nihilism, despair, joy, and appreciation done by someone who had the ability  to put language first as a poet.'

Detailkritiek
Ik vind Old Ideas van een naar ik verwacht tijdloze schoonheid. Twee van de tien liedjes zijn wat mij betreft iets te zoet aangekleed: Come Healing en Lullaby. Hier krijgen de dameskoortjes net iets te veel de overhand. Maar dat is detailkritiek.

Ik dacht in 1997 dat Bob Dylan het definitieve statement over een artiest die ouder wordt en oog in oog met de dood komt te staan had gemaakt met Time Out Of Mind. Dylan was toen echter pas 56.
Cohen is 77 en hij bewijst dat er aan mooie, intense, diepgaande popmuziek geen leeftijd verbonden is.

Leonard, het heeft even geduurd maar op mijn 48ste geef ook ik het toe: I'm Your Fan.