Fractievoorzitter Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren presenteert in perscentrum Nieuwspoort het verkiezingsprogramma, eind juni.
Fractievoorzitter Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren presenteert in perscentrum Nieuwspoort het verkiezingsprogramma, eind juni. © ANP

Paul Brill: 'We stevenen af op Israëlische toestanden'

Bijna overal ter wereld hanteert men een kiesdrempel. In Nederland niet. Maar de vraag is gewettigd of het nog wel onze hoogste democratische plicht is om de SGP eeuwig in stand te houden, de excentriciteit van een apart dierengeluid te koesteren en Henk Krol vier jaar aan een prettige bezigheid te helpen, schrijft Paul Brill.

De term alleen al moet sommigen een gruwel zijn, maar we stevenen in de Nederlandse politiek af op 'Israëlische toestanden'. Het kenmerk van die toestanden is dat niet alleen het parlement overmatig bedeeld is met kleine partijen en splintergroeperingen, maar dat ook voor de formatie van een regering een coalitie van twee of drie partijen niet langer volstaat.

Door het tijdelijke monsterverbond met Kadima, de grootste partij in de Knesset, zit premier Netanyahu nu even op rozen qua parlementaire steun, maar na de verkiezingen in 2009 moest hij als Likud-leider met vier partijen dealen om een meerderheidsregering te kunnen vormen. Het resulteerde in een ploeg met een groteske omvang: 30 ministers en 7 staatssecretarissen.

Ooit werd het Israëlische politieke landschap gedomineerd door de Arbeidspartij ter linkerzijde en de Likud ter rechterzijde, maar beide formaties zijn afgebladderd - in het geval van de Arbeidspartij mag zelfs worden gesproken van een existentiële crisis. De hele politieke constellatie is verbrokkeld geraakt, er zitten nu maar liefst 13 partijen in de 120 zetels tellende Knesset. Door de verbrokkeling oefenen kleine religieuze partijen en stuntende nieuwkomers een disproportionele macht uit. Deelbelangen tieren welig. Geruzie en crisisdreiging zijn aan de orde van de dag.

Akkoord
Afgaande op de recente peilingen, staat Nederland ook een verdere politieke fragmentatie te wachten. Alleen als VVD en SP tot een akkoord komen - een onwaarschijnlijk scenario - is een driepartijencoalitie (met PvdA of D66) nog een kleine mogelijkheid.

Voor alle andere combinaties zijn minstens vier en vermoedelijk vijf partijen nodig (ervan uitgaande dat niemand nog zaken wil doen met de PVV). Wat dus voor een van de kleintjes in de Tweede Kamer een wippositie oplevert. Geen opbeurend vooruitzicht in een tijd die juist vraagt om een solide regering, die niet alleen een regeerakkoord vol compromissen kan uitvoeren, maar ook onvoorziene uitdagingen het hoofd kan bieden.

In Het Financieele Dagblad brak columniste Heleen Mees deze week een lans voor een kiesdrempel 'om een einde te maken aan de feitelijke chantage van splinterpartijen en om Nederland enigszins bestuurbaar te houden'. Hoewel ik de door haar genoemde drempel van 10 procent veel te hoog vind (dan zitten we letterlijk op Turks niveau), ben ik het in principe met haar eens.

We zijn in Nederland geneigd te denken dat ons kiesstelsel het summum van democratie is, waaraan niemand kan tippen. Natuurlijk is het mooi dat zelfs piepkleine minderheden een stem hebben in het parlement. Maar het parlement is in een bloeiende democratie niet de enige plek waar je je stem kunt verheffen. En het democratisch gehalte van een stelsel moet ook worden afgemeten aan de ruimte die het biedt voor deugdelijke machtsvorming, en aan het draagvlak dat het schept voor stabiel bestuur.

De fragmentatie veroorzaakt ernstig spelbederf. De vraag is gewettigd of het nog wel onze hoogste democratische plicht is om de SGP eeuwig in stand te houden, de excentriciteit van een apart dierengeluid te koesteren en Henk Krol vier jaar aan een prettige bezigheid te helpen.

Overal ter wereld
Voor de meeste westerse democratieën is dat geen vraag: bijna overal bestaat een kiesdrempel. Dat geldt in de eerste plaats voor de landen met een districtenstelsel. Die zullen we hier buiten beschouwing laten, want dat is een apart verhaal. Maar ook het gros van de landen met evenredige vertegenwoordiging - of een combinatie van kiesdistricten en landelijke lijsten - hanteert een kiesdrempel: Duitsland, Spanje, Polen, België, Letland 5 procent, Italië, Zweden, Oostenrijk, Portugal, Slovenië 4 procent, Griekenland 3 procent. De Grieken kennen bovendien 50 bonuszetels toe aan de partij die het hoogst eindigt, een bedenkelijke praktijk die geen navolging verdient.

De ironie wil dat de Tweede Kamer al eens een kiesdrempel(tje) heeft geopperd. In 1962 werd een voorstel voor wijziging van de kieswet aangenomen, waardoor een partij bij de verkiezingen minstens anderhalf maal de kiesdeler zou moeten halen. Maar minister van Binnenlandse Zaken Toxopeus (VVD) legde de betreffende motie naast zich neer. Terecht, oordeelde staatsrechtkenner Van Raalte (in zijn standaardwerk Het Nederlandse Parlement), want er was geen bewijs dat splinterpartijen de kabinetsformatie bemoeilijkten.

In die tijd was er inderdaad geen vuiltje aan de lucht. Een handvol staatkundig-gereformeerden en pacifisten vormde een kleurrijke versiering van een systeem dat heldere meerderheden produceerde, met het CDA als onvergankelijk draaipunt. Das war einmal. De oude partijen verschrompelen, het electoraat is op drift geraakt. Er is geen garantie dat een kiesdrempel van 4 of 5 procent onmiddellijk weer tot kloeke meerderheidscoalities zal leiden. Maar als 10 tot 12 zetels kunnen worden herverdeeld over de grotere partijen, scheelt dat een flinke slok op een borrel.

Paul Brill is buitenlandcommentator van de Volkskrant.