*

 
dossier

Martin Sommer

Kritiek op journalistiek is populistisch

Martin Sommer − 22/06/11, 19:48
Minister-president Den Uyl (r) en minister van Justitie Van Agt (l) beantwoorden voor het ministerie van Justitie in Den Haag vragen van journalisten.

Het is niet de opdracht van de journalistiek tegen de macht te zijn. Het is haar roeping uit te zoeken hoe het zit, en daarover iets verstandigs te zeggen.

Zijn journalisten sukkels? Zeker is dat de journalistiek, in het bijzonder de Haagse journalistiek, er niet mooi op staat. Wij delven het onderspit in de strijd met de voorlichters, is het overheersende idee. Door de slechte financiële toestand bij de kranten, schijnen we tegenwoordig één op tien te lopen. Eén journalist op tien voorlichters. Maar het is erger. De schrijvers van het onlangs verschenen boek Gevaarlijk spel concluderen: 'Van een autonome en onafhankelijke rol van journalisten is geen sprake meer. '

Langs dezelfde lijn argumenteerde vorig najaar ook Joris Luyendijk, nadat hij de liaisons dangereuses in de sociëteit Nieuwspoort had onderzocht. Haagse journalisten bivakkeren daar achter gesloten deuren en onder belofte van zwijgzaamheid met politici, voorlichters en lobbyisten. Ze laten zich daar niet alleen bepraten, ze sluiten er ook 'dealtjes' - voor wat hoort wat. Politici krijgen een gunstiger onthaal in de krant of op tv, suggereerde Luyendijk, in ruil voor ingestoken primeurs of exclusieve interviews. Het verslag van zijn kort Haags verblijf werd tienduizendvoudig verkocht, nadat hij een paar jaar eerder al enorm succes had gehad met zijn boek over de onmogelijkheid van serieuze journalistiek in het Midden-Oosten.

Schapen
De strekking daarvan was dezelfde als die van zijn Haagse avontuur. Journalisten doen alsof ze aan eerlijke nieuwsgaring doen. In werkelijkheid laten ze zich in met onoorbare praktijken, presenteren ze persbureaukopij als eigen werk, en lopen ze als makke schapen achter de pr-machine van regeringen aan. De gedachte wint terrein dat de journalistiek aan de verliezende hand is. Journalisten denken niet meer tegen, maar denken met de macht mee.

Er is iets geks met die journalistieke ondergangsgedachte. Als de journalistiek zich zo laat ringeloren door politiek en voorlichting, waarom lukt dat dan zo slecht? Luyendijk schrijft over de succesvolle pr van Israël tegenover de in dit opzicht hopeloos amateuristische Palestijnen. Maar die fantastische pr zet heel weinig zoden aan de dijk, aangezien er nog nauwelijks een medium te vinden is dat vierkant pro-Israël is.

Een soortgelijke tegenspraak kun je vaststellen in Den Haag. Daar zou de journalistiek 'de touwtjes uit handen' hebben gegeven aan de voorlichting. Nynke de Zoeten van Nieuwsuur zei daar terecht over: 'Ik ben niet verontrust. Voorlichters zijn echt niet zo briljant als wordt gedacht. Denk aan de 100-dagentour van Balkenende IV. Bedacht door pr-medewerkers, maar het stond alleen maar voor de besluiteloosheid van het kabinet.'

Joris Luyendijk kondigde na verschijnen van zijn Haagse boekje met enige bombarie aan dat hij de 'dealtjes' van journalisten met politici in NRC.Next ging onthullen. Daar werd zelfs een researchteam voor geformeerd. Bij mijn weten is het project in schoonheid gestorven. De dealtjes werden niet gevonden.

Mijn slotsom is dat het idee van een halfzachte journalistiek die het heeft verloren van de macht, niet klopt. En wie mij niet wil geloven leze Philip van Praag in het Jaarboek parlementaire geschiedenis 2010. Die schrijft: 'Er is geen onderzoek dat aantoont dat de media vroeger minder fouten maakten en meer zaken blootlegden dan tegenwoordig. Het idee dat de journalistiek enkele decennia geleden beter functioneerde, is een mythe, vooral gebaseerd op een idealisering van het verleden.'

Autoverkopers
De vraag dringt zich op waarom verhalen over de slappe knieën van de journalistiek zoveel succes hebben. Hoe zorgelijk de toestand is bleek mij tijdens een bijeenkomst van een paar jaar geleden in het Muziekgebouw aan het IJ. Daar las Joris Luyendijk onder luid applaus van zevenhonderd jonge journalisten en studenten journalistiek de hoofdredacteuren van NRC Handelsblad en de Volkskrant de les. Het leek er sterk op dat de koningin der aarde geen kleren aan had. In dat opzicht zit de journalistiek in één schuitje met de politiek. Allebei even betrouwbaar als tweedehands-autoverkopers. Maar waarom?

Sociëteit Nieuwspoort is volgens Joris Luyendijk de hel op aarde, het symbool van verstrengeling en gebrek aan transparantie. Nu weten de kenners dat Nieuwspoort aardig personeel heeft en verder de saaiste kroeg van Den Haag is. Journalisten, voorlichters, ambtenaren, lobbyisten en politici lopen er inderdaad door elkaar. Dat is niet nieuw, en levert in de praktijk helemaal geen probleem op.

Iedereen in Nieuwspoort kent zijn rol en de modale journalist weet het heus wanneer hij met de lobbyist voor de JSF aan de bar staat. Nieuw is de verontwaardiging erover. Nieuwspoort is in antropologische termen een ritueel onrein oord, en kennelijk neemt de tolerantie daarvoor zienderogen af.

Het zal met de verwarrende tijden te maken hebben, maar rein en onrein zijn politieke categorieën tegenwoordig. Dieren en kinderen zijn het summum van onschuld en zuiverheid, en verdienen tot elke prijs bescherming. Het succes van het populisme, links en rechts, heeft veel met rituele reinheid te maken. Ouderwetse politici van de vermaledijde middenpartijen zijn juist niet rein maar bevlekt. Zij houden zich niet aan hun verkiezingsbeloften. Zij sluiten compromissen en zij bespreken de zaken in achterkamers. Zij moeten rekening houden met de achterban in Meppel, met de coalitiepartner en met de Europese commissie.

Politiek is geknutsel met eindjes touw en roestige spijkers, het is niet anders. Maar in heel Europa zie je de steun voor die ouderwetse compromispolitiek afkalven. Voor de journalistiek, en dan vooral hier in Den Haag, geldt hetzelfde.

Net als politiek is de journalistiek een vlekkerig beroep. Journalisten hengelen en smoezen hun stukken bij elkaar. Zitten met foute types in het café. Met politici, voorlichters, zelfs lobbyisten. En kunnen inderdaad tot overmaat van ramp niet altijd alles opschrijven wat ze horen. Journalistiek bedrijven is onderhandelen, zei Ad van Liempt. Net als politiek. En de kritiek luidt algauw dat wie met pek omgaat daarmee wordt besmeurd. Het publiek wordt, door zowel de politiek als de journalistiek, belazerd. Dat is het idee. En ik denk dat we ook hier te maken hebben met populistische kritiek - in dit geval op de journalistiek.

Je zou er misschien je schouders over ophalen, ware het niet dat de roep om journalistieke zuiverheid wel degelijk weerklank vindt in onze beroepsgroep. Voorheen waren journalisten links en tegen de macht. Daar valt van alles over te zeggen maar het was in elk geval een wereldbeeld. Zij onthulden voor de goede zaak en waren onderdeel van een zelfbewust metier. Tegenwoordig zijn links en rechts twijfelachtige richtingaanwijzers geworden. En het wantrouwen tegen voorlichters en politici lijkt vooral ingegeven door een gebrek aan kompas en zelfvertrouwen. Het waren journalisten zelf die opriepen tot een nieuw antagonisme tegenover de macht. Dat moet wel smetvrees zijn, angst dat men er niet in slaagt het eigen roer recht te houden. Journalisten moeten ergens tegen zijn, kan niet schelen waartegen.

Het lijkt mij dat dit voor de politiek geen gunstige ontwikkeling is. Voor de journalistiek evenmin. Politici zijn schurken, schooiers of schoften, lees ik wel eens in mijn eigen krant. En Gerrit Komrij schreef een paar weken terug in NRC dat we 'nu met één partij zitten. De halers (politici) tegenover de betalers (stemvee)'. Ik knap daar niet van op. Kunnen we die politici afschaffen dan? De journalistiek is helemaal niet geholpen met oproepen tot nieuwe zuiverheid of meer antagonisme op niks af. Het is ook helemaal niet onze opdracht ergens tegen te zijn. Onze roeping is uit te zoeken hoe het zit, en daarover iets verstandigs te zeggen. Graag met zelfvertrouwen en een realistische inschatting van onze eigen rol.

Max Weber hield in 1919 zijn rede over 'Politiek als roeping en beroep'. Daarin kwam ook de journalistiek aan bod. De journalistiek is geen beroep voor iedereen, schreef Weber, 'en nog het minst voor zwakke karakters, in het bijzonder mensen die alleen in een veilige sociale rol hun innerlijk evenwicht kunnen bewaren'. Zo is het. Wij mogen aanschuiven bij de machtigen, maar zelf opscheppen mogen we nooit. Eigenlijk is dat sinds 1919 helemaal niet veranderd. Met die geruststellende gedachte geef ik antwoord op mijn eigen hierboven gestelde vraag: zijn wij sukkels? Misschien zijn wij journaille. Maar sukkels zijn wij niet.

Dit is de tekst van de rede waarmee Volkskrantredacteur Martin Sommer vandaag de Anne Vondelingprijs in ontvangst nam.
mailIcon print | |

Jouw mening telt!

Deel jouw mening met de andere VK bezoekers

Aan het laden ...
<spring:message code='commonMessages.loading' />