OPINIE - Thomas von der Dunk −
15/01/12, 11:51
De Hongaarse premier Viktor Orbán
© ap
Bij een overwinning met een twee derde meerderheid, zoals Viktor Orbán die behaalde in Hongarije, past prudentie, niet arrogantie. Het is daarom terecht dat Brussel ingrijpt. Dat stelt Thomas von der Dunk.
Een frisse wind - dat was wat de rechtse populist Viktor Orbán vorig jaar na zijn enorme verkiezingswinst in Hongarije beloofde, net als de rechtse populisten van de PVV vorig jaar na hun enorme verkiezingswinst in Limburg. Les één, speciaal voor de allerdomsten onder ons: pas op voor de frisse rechtse wind.
Daar in Maastricht weten ze sinds een paar dagen wat een frisse wind op z'n Wilders betekent: een jaar wachten, tot de pers lucht van gestaag om zich heen grijpende stank begint te krijgen, voor de meest sprekende belichaming van het eigen onfatsoen wordt uitgekotst. Een wind is het inderdaad wel, alleen in die andere betekenis van dat woord. Ooit zo'n onwelriekend stuk zuurvlees gezien als Cor Bosman, voordat die zich voor de camera in de achterkamertjes van zijn eigen buurtsuper verschool?
UiterlijkJe mag natuurlijk nooit op het uiterlijk alléén afgaan, aldus wijlen Wim Kan - voor de jongeren onder ons: dat was een succesvol cabaretier in de tijd dat Johan Cruijff nog wel eens raak schoot - over wijlen Richard Nixon - voor de jongeren onder ons: dat was een Amerikaanse president met autocratische neigingen in de tijd dat voor een gooi naar de macht in Washington bij de Republikeinen in ieder geval nog een minimale intelligentie was vereist.
Maar soms valt daar toch best wat voor te zeggen. Ook zonder bijschrift kon ik op de groepsfoto van de fractie in De Volkskrant van gisteren tamelijk moeiteloos raden wie het was, de remake van Dion griezel Graus.
Nu heeft de PVV in Maastricht niet de absolute meerderheid - laat staan tweederde - zodat ook de directeur van het plaatselijk Bonnefantenmuseum niet meteen gedwongen vervroegde pensionering hoeft te vrezen omdat hij zich een keertje kritisch over deze hoogstaande club heeft uitgelaten.
Democratie op de tochtIn Boedapest ligt dat anders: daar beschikt Orbán als premier in het parlement daarover wel, en staat prompt de democratie op de tocht. Ginds waait niet zozeer een frisse, als wel een gevaarlijke wind, waarbij de regering in PVV-geest greep poogt te krijgen op instituties die onafhankelijk horen te zijn: de pers en de rechterlijke macht. Kritische omroepen krijgen geen zendtijd, kritische rechters worden de laan uitgestuurd.
Ook doet hij aan staatsgeschiedschrijving op een manier die nog veel verder gaat dan inzake de Armenocide zowel in Turkije (erkenning verboden) als in Frankrijk (erkenning verplicht) mode geworden is: in de Grondwet (!) moet komen te staan, wie er schuldig was aan, en wie nu de erfgenaam is van, het verdwenen communistische regime.
Orbán verdedigt zijn opereren met twee argumenten, 6 januari nog braaf door oud-VVD-kamerlid Zsolt Szabo in de NRC opgedreund: het oude regime is niet geheel verdwenen en ik heb een overweldigend mandaat. Het zijn de gebruikelijke twee van de geen tegenspraak duldende autocraat.
Minder radicaal Het klopt dat in Hongarije de omwenteling en breuk in 1989 minder radicaal en drastisch dan elders is geweest. Hier heeft in zekere zin de wet van de remmende voorsprong gewerkt: anders dan in Oost-Berlijn en Praag - om van Boekarest nog maar te zwijgen - hield het heersende regime in de dagen van Gorbatsjow niet verkrampt aan de macht vast, maar was het de communistische partij zélf die, nadat onder haar leiding al in de jaren zeventig een zekere liberalisering was ingezet, de door de perestrojka geboden kans aangreep om gaten in het IJzeren Gordijn te knippen.
Letterlijk. We zijn het door de Val van de Muur en al die andere veel dramatischer gebeurtenissen in het najaar van 1989 vergeten, maar in het voorjaar verwijderden Oostenrijk en Hongarije samen zeer demonstratief de onderlinge grensversperringen. Daarmee werd ook de exodus van DDR-burgers mogelijk, die puur door de fysieke kracht daarvan enige maan¬den later alle Oosteuropese vazalregimes onder druk zou zetten en in een steeds snellere opeenvolging van gebeurtenissen de inmiddels onafwendbaar geworden omwenteling op gang bracht.
Als er dus één gewezen Oostblokland is, waar ten aanzien van 1989 niet smaad, maar dank aan de eigen communistische partij op zijn plaats zou zijn, dan juist Hongarije. Alleen hoort ook dank niet in een grondwet thuis.
ParadijsDat verklaart tegelijk natuurlijk wel, waarom vervolgens die omwenteling minder ver ging, en van een grootscheepse zuivering geen sprake is geweest. Logischerwijs zijn in Hongarije zo meer ambtelijke vertegenwoordigers van het oude bewind blijven zitten dan bij de buren, en de omslag van dictatoriale praktijk naar democratisch paradijs vergt tijd.
Dat kan alleen geen reden zijn om de (natuurlijk imperfecte) instituties van de civil society die de rechtsstaat moeten garanderen, ruw terzijde te schuiven. Terecht heeft Brussel de kat de bel aan gebonden - en met het geldwapen in de hand Orbán al tot een eerste voorzichtig toegeven gedwongen, want financieel staat die met de rug tegen de muur.
Gevaarlijker is het tweede argument: het overweldigende mandaat. Natuurlijk kan Orbán er 'niets aan doen' dat hij over een tweederde meerderheid beschikt. Maar dan past juist prudentie, niet arrogantie.
Dat risico van machtsmisbruik na zo daverend gewonnen verkiezingen is universeel: het idee van de winnaar dat hij de wil van het volk belichaamt en dus mag doen wat hij wil. Dat is niet alleen het probleem van Orbán, maar ook van Erdogan, die zich eveneens als een autocraat ontpopt - en gaandeweg ook van het dit jaar jubilerende Zuid-Afrikaanse ANC.
Alleen daarom al is het zeer verstandig van de Amerikanen de zittingsduur van een president wettelijk tot maximaal twee termijnen te hebben beperkt. Want een machtswellusteling als Nixon valt er weliswaar niet mee te voorkomen, maar je bent dan wel na uiterlijk acht jaar van hem af.
Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus en columnist voor vk.nl.