Guido van Oorschot −
17/01/12, 16:07
De Nederlandse klavecinist, organist en dirigent Gustav Leonhardt ontving in 2009 op Paleis Huis ten Bosch de Eremedaille in de Huisorde van Oranje van koningin Beatrix. De Eremedaille wordt toegekend aan personen met uitzonderlijke verdiensten op de terreinen van de kunst en wetenschap. © ANP
Maandag is de Nederlandse klavecinist, organist en dirigent Gustav Leonhardt op 83-jarige leeftijd overleden. Met het overlijden van Leonhardt verliest de oude muziek een van zijn belangrijkste pioniers.
'Bach is de grootste. De bewondering neemt nog altijd toe. Ik zou niet weten hoe en waarom. Dat is het grote geheim.' Gustav Leonhardt, de Nederlandse klavecinist, organist en dirigent die maandag op 83-jarige leeftijd in zijn woonplaats Amsterdam na een ziekbed is overleden, raakte er niet over uitgepraat. Hoe Johann Sebastian Bach zijn aandacht steeds weer wist te gijzelen.
Het was via Bachs muziek dat Gustav Leonhardt uitgroeide tot de wereldwijd erkende aartsvader van de authentieke uitvoeringspraktijk, de manier van musiceren die wordt geïnspireerd door eeuwenoude instrumenten en ideeën.
Zelf kuste hij het allang vergeten klavecimbel wakker. Stijf genoteerde noten bracht Leonhardt met briljante articulatie en frasering aan het zingen. Adembenemend raffinement school in de temposchommelingen van zijn rubato.
Artistieke impactMaar aan zijn bekendste project begon hij in 1968 als dirigent. Samen met de Oostenrijker Nikolaus Harnoncourt maakte Leonhardt de eerste integrale plaatopname van alle ruim 200 Bachcantates. Het was pionieren met zoekende barokhobo's en wankelmoedige jongenssopranen, maar de artistieke impact was zo groot dat beide dirigenten in 1980 de Erasmusprijs ontvingen.
Geschiedenis schrijven en school maken: het is niet elke Nederlandse musicus gegeven. 'Voor onze hele generatie is hij een leermeester geweest', zei ooit Frans Brüggen, Leonhardts strijdmakker in de revival van barokmuziek.
Hoe aristocratisch zijn fysiek ook was, Gustav Leonhardt werd op 30 mei 1928 in 's-Graveland geboren in een doorsnee zakenfamilie. Behalve directeur van Peck & Co., het bedrijf dat in de 19de eeuw de Amsterdamse waterleiding had aangelegd, was zijn vader bestuurslid van De Nederlandse Bachvereniging. Bij repetities was het voor de jonge Gustav handig aanschuiven in de Naardense Grote Kerk.
In het laatste oorlogsjaar, ondergedoken in eigen huis, hield hij als 16-jarige de verveling op afstand met een klavecimbel - een curiositeit waarvan Nederland er destijds hooguit een handvol telde. In 1947 stoomde hij door naar de Schola Cantorum in Bazel, de enige opleiding waar ze iets deden aan oude muziek. Met het klavecimbel- en orgeldiploma op zak verhuisde hij in 1950 naar naoorlogs Wenen ('grauw, grauw, grauw').
Met Nikolaus Harnoncourt legde Leonhardt er in nachtenlange gesprekken de basis voor hun latere samenwerking. In Wenen ontmoette hij ook zijn vrouw, de violiste Marie Amsler. En ook pianist Alfred Brendel hing er rond. Die twintiger sloeg Leonhardt om de oren met een historisch-correct pleidooi voor Bachs .
Met dit contrapuntische meesterwerk debuteerde hij zelf in 1951 in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw, uiteraard op klavecimbel. De remigratie naar Nederland volgde vier jaar later. Met de musici van zijn eigen Leonhardt Consort plaatste de klavierspeler-dirigent zich vanaf dat moment in de frontlinie van de barokke uitvoeringspraktijk.
Oude instrumenten, ideeën en speelwijzen - in de beginjaren van de oude-muziekrevival zette Gustav Leonhardt ze gedecideerd op de kaart. Hoe dogmatisch hij daarbij soms te werk ging, besefte hij pas later. 'Ik speelde als een machine, volkomen steriel. Dit lag ook in de tijd: als afweer tegen de Romantiek. En dan sla je door! Op een gegeven moment had ik het absolute nulpunt aan sentiment bereikt.'
Vanuit deze 'naaimachinestijl' ontwikkelde hij gaandeweg zijn geraffineerde, welsprekende vertolkingen. Bach bleef op één, maar als solist reanimeerde Leonhardt ook componisten als Frescobaldi, Byrd en Louis Couperin. Tot zijn roerendste cd behoort die met suites en toccata's van de 17de-eeuwer Johann Jacob Froberger.
Hij was verstandig genoeg om nooit een claim te leggen op historische correctheid. 'Door alleen te streven naar authenticiteit kan men niet overtuigen, door te overtuigen laat men vanzelf een authentieke indruk na.'
Halve wereldAan het Amsterdamse conservatorium leidde hij generaties klavecinisten op, ze bevolken inmiddels de halve wereld. Leonhardt was organist van de Waalse Kerk en de Nieuwe Kerk. Met pruik en al speelde hij in 1968 zelfs voor Bach, in de beroemde film van Jean-Marie Straub. Voor meer dan 200 lp's en cd's ontving hij in 1999 de Edison Oeuvreprijs. Eredoctoraten voerden hem onder meer naar Padua en Harvard.
Gustav Leonhardt - vrienden zeiden 'Uti' - was aimabel, bescheiden, en op het vormelijke af beleefd. Maar soms kon hij zijn gal niet wegslikken. Zo moest je het niet wagen een componist als Händel op te krikken tot het niveau van Bach. En toen Pierre Audi bij De Nederlandse Opera aan zijn Monteverdicyclus begon, behoorde Leonhardt niet tot de bravoroepers. Sterker nog: hij fulmineerde over een 'aap van een regisseur' die van een Monteverdi-opera een 'hedendaags psychopathisch drama' had gemaakt.
Wat vond Gustav Leonhardt het schandalig: zijn welstand als uitvoerend musicus overtrof die van menig creatief genie. 'Ik woon in een mooier huis dan Bach ooit heeft gedaan. Bach! Die het schoonste heeft geschreven wat er bestaat!'
Hij is overleden aan de ziekte die hij kort voor zijn tachtigste met chemotherapie nog wist te overwinnen. Of hij er toen al rekening mee had gehouden dat hij zou overlijden? 'Niet echt. Verstandelijk wist ik: er is een kans. Maar het bleef een onwerkelijkheid. Ik voelde nooit de dood nabij. Wel in de verte, maar nooit nabij.'
Lees morgen meer over Gustav Leonhardt in de Volkskrant.