Minister Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de opening vorig jaar van het Verzetsmuseum Junior. Het is het eerste kindermuseum over de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.
Minister Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij de opening vorig jaar van het Verzetsmuseum Junior. Het is het eerste kindermuseum over de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. © ANP

Minder belangstelling WOII? Aantal musea neemt juist toe

Bijna zeventig jaar na de bevrijding is de interesse voor de Tweede Wereldoorlog zeer groot. De bezoekersaantallen van oorlogsmusea zijn sinds 1995 verdubbeld tot 1,2 miljoen per jaar. Hierbij zijn de ruim een miljoen buitenlandse bezoekers aan het Anne Frankhuis niet meegeteld.

 
Vooral jonge generaties zijn op zoek naar persoonlijke verhalen over de oorlog en willen historische plekken bezoeken

De aan het NIOD verbonden historicus Erik Somers heeft in het kader van zijn proefschrift voor het eerst een overzicht gemaakt van de oorlogsmusea en herinneringscentra in Nederland. Hij telde 83 musea waarin de Tweede Wereldoorlog het thema is. Opvallend is dat 40 procent daarvan is opgericht na 2000. Populair zijn militair-historische musea, zoals het Oorlogsmuseum Overloon. Veel van deze musea vloeien voort uit particulier initiatief.

Deze populariteit logenstraft de in 1995 vaak gehoorde opvatting dat de oorlog in dat jaar, vijftig jaar na de bevrijding, voor het laatst op grote schaal zou worden herdacht. Verwacht werd dat met het uitsterven van de Nederlanders die de oorlog hebben meegemaakt, de belangstelling zou tanen.

Meer behoefte aan authenticiteitsbeleving
Somers constateert een kentering in de manier waarop musea de oorlogsthematiek presenteren. 'Vroeger werd geprobeerd een totaalbeeld van de geschiedenis te presenteren, met veel feiten en documenten. Die techniek spreekt niet meer aan. Nu de afstand tot de oorlog toeneemt, is er meer behoefte aan authenticiteitsbeleving. De bezoeker identificeert zich nu meer met voorwerpen die met de oorlog verbonden zijn.' Een tentoonstelling als De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen in de Kunsthal in Rotterdam (met onder meer de knikkerdoos van Anne Frank) speelt op dat verlangen in.

Volgens Somers zijn vooral jonge generaties op zoek naar persoonlijke verhalen over de oorlog en willen zij historische plekken bezoeken, zoals de voormalige concentratiekampen Westerbork en Vught. Musea spelen in op het verlangen naar authenticiteit door die te ensceneren en te reconstrueren. Zo is in Oorlogsmuseum Overloon en het Airborne Museum in Arnhem het lawaai te ondergaan dat burgers hoorden in schuilkelders of dat parachutisten ervoeren in een vliegtuig dat boven vijandelijk gebied werd beschoten.

Somers plaatst kanttekeningen bij dergelijke ensceneringen, omdat ze meer gericht lijken op de spannende ervaring dan op het bieden van inzicht in een beladen periode in de geschiedenis. 'Het evenwicht tussen emotie en sensatie aan de ene kant en verantwoorde informatie aan de andere is wankel.'

Somers' proefschrift verschijnt in april als boek, onder de titel: De oorlog in het museum, herinnering en verbeelding.