dossier

boeken

Gerrit Komrij; een vitale pessimist, een gelukkige schizo

Door: Arjan Peters − 06/07/12, 09:50
© Harry Cock / de Volkskrant. Gerrit Komrij in 1994, op de zolder van zijn oude middelbare school, de Rijks-HBS in Winterswijk op zijn vijftigste verjaardag.

Postuum Poëzie is de moeder en bron van alles, vond schrijver Gerrit Komrij, die na een ziekte van enige maanden op 68-jarige leeftijd is overleden.

  • © ANP.
    Gerrit Komrij in 2000

Onder de titel 'Schrikbeeld' schreef hij in 2005 nog deze regels:

Neem de poëzie me af
En ik ben een brievenbesteller
Een defecte toerenteller
Een man zonder toverstaf.


Op andere plaatsen noemde hij poëzie echter subliem bedrog en nobele zwendel. Zo kon hij er ook over spreken. 'Een gedicht is ook niks hè, het begint bovenaan de pagina en onderaan is het alweer afgelopen.' Met zulke ogenschijnlijke tegenspraken wist Komrij veel lezers in verwarring te brengen, en dat deed hij graag.

'Elk interview is een mystificatie', zei hij - in een interview. Een bloemlezing uit zijn werk noemde hij Alles onecht (1984): een paradox die inhoudt dat ook die titel onecht is. In een beroemd gedicht uit 1972 ging het zo:

Eer plant men bomen op de weg
Eer zal men kakken in zijn hoed,
Dan dat ik u mijn ziel blootleg
En zeg wat ik thans lijden moet.

Archaïsch, humoristisch, vormvast- iets heel anders dan de gevoelsuitstorting die sommigen met poëzie verwarren, en ook totaal afwijkend van wat er in 1972 onder poëzie werd verstaan. Tegelijk lichtte Komrij in een interview toe: 'Zeggen dat men eerder in zijn hoed zal kakken dan dat ik mijn ziel blootleg, kan een literaire formulering zijn voor: Hoor, hoor mijn ziel! Luister er alstublieft naar. Ik sta hier, zonder potsierlijk te willen lijken, een beetje eerlijk te doen. 't Is een zelfbeschermings-mechanisme. Ondertussen leg je je hele binnenste bloot.'

Maskerade
Een spel, een maskerade, maar met een serieuze inzet. Zijn autobiografie Verwoest Arcadië (1980) verscheen in de reeks Privé-domein met egodocumenten, maar ging over iemand die Jacob Witsen heette, en de eerste zin ervan luidt: 'Hij heeft geen verleden.' Eerlijk betekent met je billen bloot gaan, zo eindigt hij de proloog. 'Als hij er maar steeds voor zorgde een paar onechte billen op zak te hebben. Die moest hij de mensen zo oprecht mogelijk toesteken.'

In de essaybundel Averechts (1980) verbindt hij deze drang om de lezer op een dwaalspoor te zetten met zijn homoseksualiteit, niet alleen een geaardheid maar ook een 'houding, een temperament', waardoor hij zich als vanzelf aangetrokken voelde tot maskerade en toneelspel, travestie, labyrinten en spiegels, en door omkeringen van wat voor normaal en natuurlijk doorgaat. Vandaar ook deze regels uit 'Liefde', uit de bundel De os op de klokketoren (1982):

Ze liggen op elkaar, schurft op eczeem.
Je hoort de schilfers knappen. Roos stuift op.
Hun schedels glimmen als een diadeem.
Ze liefkoost teder zijn gezwollen krop.
(...)
Dan gaan zijn sleetse lendenen tekeer.
Het is een machtig knarsen. Het gesop
Van kwijl in etter kent geen einde meer.
Zij braakt. Gods wonder in een notedop
.

Homohuwelijk
En vandaar ook zijn afkeer van nichterigheid ('Ik houd van de nicht die als een man op me afkomt'), en van de Gay Parade, nog op een lezing in 2010: 'Alle homo's op een bootje over het water, in een nadrukkelijke manifestatie van blije grijns en gymnastiekoefeningen. Een schriele geest in een gezond lichaam.' Doodgeknuffeld worden ze door politici en gezagsdragers.

Op de Gay Parade ervoer Komrij de verontrustende afwezigheid van elk element van tegendraadsheid. De homo wil meedoen met de normale wereld, tot en met de 'gruwelijke lachspiegel' van het homohuwelijk. Verraders zijn het, vond Komrij, onwillig 'om te staan voor je eigen lot.' In zijn gedragen toneelstuk Het chemisch huwelijk (1982), geheel uit jambische verzen opgetrokken, werd het aantrekken en afstoten tussen vier mannen beschreven als een chemisch proces, een dodelijke liefde, als homoseksuele variant van de roman Die Wahlverwandtschaften van Goethe.

Een vitale pessimist was Komrij, een gelukkige schizo, een oprechte poseur. En een ambassadeur van de poëzie, dat toevluchtsoord voor de verlegen jongen uit Winterswijk die in Amsterdam tussen 1963 en 1984 naam maakte. Als virtuoos dichter die de ironie en het rijm uit de negentiende eeuw van Heinrich Heine en Piet Paaltjens terughaalde, en zijn eigen ernst en gevoeligheden onder die vormen kon verstoppen.

Lees morgen in de Volkskrant het volledige postuum

mailIcon print |