Archieffoto uit 2011: Op de A16 houden vrachtwagenchauffeurs een langzaam-aan-actie. De vrachtwagens rijden niet harder dan 60 kilometer per uur uit protest tegen de inzet van goedkopere Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs in het wegtransport.
Archieffoto uit 2011: Op de A16 houden vrachtwagenchauffeurs een langzaam-aan-actie. De vrachtwagens rijden niet harder dan 60 kilometer per uur uit protest tegen de inzet van goedkopere Oost-Europese vrachtwagenchauffeurs in het wegtransport. © ANP

'Code Oranje voor vrij werkverkeer binnen EU'

De EU moet de negatieve aspecten van het vrije verkeer van werknemers gezamenlijk aanpakken, betogen Lodewijk Asscher en David Goodhart.

 
Nederlanders en Engelsen moeten nu concurreren met Oost-Europeanen die veel lagere lonen gewend zijn

In Nederland wordt een 'Code Oranje' afgegeven als het water in de rivieren een alarmerend hoog peil bereikt. Het wordt nu tijd voor een soortgelijk alarm, namelijk over de soms negatieve gevolgen van het vrije verkeer van personen binnen de EU. We moeten uitkijken: op sommige plaatsen staan de dijken op doorbreken.

Het vrije verkeer van werknemers binnen de EU heeft voor de meeste mensen voordelen. Het is van belang voor onze economieën, vooral voor het segment van de hoogopgeleide beroepen waar zich contouren van een Europese arbeidsmarkt beginnen af te tekenen. Daar komt bij dat het vrije verkeer terecht wordt gezien als een van de pijlers van het Europese ideaal. Een pijler die we daarom niet graag zien afbrokkelen als gevolg van afnemende steun onder de bevolking.

Daarom moeten wij, vooral degenen die zich in Europa tot centrum-links rekenen, nog eens heel goed nadenken over hoe we dat verkeer van werknemers zo kunnen regelen dat alle burgers in Europa er baat bij hebben, en niet alleen de hoogopgeleide professionals.

Het recht om in andere EU-landen te wonen en te werken is een van de grondgedachten van het Verdrag van Rome van 1957. Tot halverwege de jaren 2000 werd daar eigenlijk nauwelijks gebruik van gemaakt. In het jaar 2000 woonde en werkte slechts ongeveer 0,1 procent van alle Europese burgers in een ander EU-land.

Dat veranderde in 2004, toen het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Ierland afzagen van de overgangsperiode van zeven jaar en hun arbeidsmarkt per direct openstelden voor de nieuwe lidstaten in Midden- en Oost-Europa. Dat had, met name in het Verenigd Koninkrijk, een behoorlijk dramatisch effect: in de zes jaar daarna arriveerden er ongeveer 1,5 miljoen mensen vanuit die landen. Sinds 2011 hebben ook de andere EU-landen hun deuren geopend, waardoor er een aanzienlijke stroom arbeidskrachten uit Midden- en Oost-Europa naar landen als Duitsland en Nederland op gang is gekomen.

Te weinig aandacht
Achteraf bezien, is er te weinig aandacht besteed aan de omvang van die stromen. Tot halverwege het eerste decennium van deze eeuw maakten maar weinig mensen gebruik van het recht op vrij verkeer omdat de verschillende EU-landen er economisch gezien ongeveer hetzelfde voorstonden. Maar met de toetreding van de Midden- en Oost-Europese landen kwam er een groep landen bij - samen goed voor ongeveer 80 miljoen mensen - met een inkomen per hoofd van de bevolking dat op ongeveer een kwart van dat van de rijkere EU-landen lag.

Dat bleek een enorme stimulans om op zijn minst tijdelijk te verhuizen, met name voor mensen die laaggeschoolde arbeid zochten. Dat heeft een ontregelend effect gehad op een deel van de armere en minder hoogopgeleide burgers in de rijkere EU-landen, zoals het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Die moeten nu concurreren met mensen die veel lagere lonen gewend zijn en geen ervaring hebben met de mogelijkheden die onze welvaartsstaat werknemers te bieden heeft.

In het Verenigd Koninkrijk is ongeveer 20 procent van alle laaggeschoolde arbeiders niet binnen de landsgrenzen geboren en in bepaalde lagelonen-sectoren, zoals de dienstverlening en de voedselindustrie, werken overwegend mensen uit de armere EU-landen. In Nederland is zo'n 12 procent van alle werknemers in de land- en tuinbouw en 7 procent in de zakelijke dienstverlening afkomstig uit Midden- en Oost-Europa.

Het is nu tijd om te komen tot een nieuwe overeenkomst die eerlijk is voor zowel de mensen uit de 'zendende' als voor die in de 'ontvangende' landen. En we moeten misbruik uitroeien. Arbeiders uit armere EU-landen worden soms uitgebuit door gewetenloze werkgevers, die daarmee een concurrentievoordeel behalen ten opzichte van degenen die zich wel aan de regels houden. Nog te vaak krijgen werknemers te weinig betaald (soms zelfs minder dan het wettelijk minimumloon), moeten ze te lang werken en soms veel huur betalen voor belabberde onderkomens.

Hogere boetes
In Nederland pakken we deze problemen al harder aan, met hogere boetes voor gewetenloze bedrijven en door inspecteurs aan te stellen die zich speciaal richten op fraude en malafide uitzendbureaus. Maar geen enkel land kan deze vormen van misbruik in zijn eentje aanpakken. We moeten dit gezamenlijk doen, binnen de EU. Maar zelfs wanneer er niet openlijk misbruik wordt gemaakt van het systeem, is er nog steeds sprake van een zekere verdringing en concurrentie die als oneerlijk worden beschouwd, zeker wanneer de werkloosheid hoog is. Onze zwakste burgers leggen het op de arbeidsmarkt af tegen bekwamere mensen van elders. We moeten er dan ook over nadenken hoe we de arbeidsmarktpositie van deze kwetsbare groepen kunnen beschermen zonder het principe van niet-discrimineren geweld aan te doen.

Het heeft geen zin de klachten van degenen die hierdoor worden geraakt af te doen als het gebruikelijke gemopper over 'buitenlanders'. Het is een herkenbare reflex, maar zelfs al zijn dergelijke klachten dikwijls overdreven, we moeten ze toch serieus nemen. Anders vergiftigen ze de sfeer en wakkeren ze vreemdelingenhaat aan.Op het vasteland van Europa waarschuwen landen elkaar wanneer het waterpeil in hun rivieren stijgt. Dat is voor Nederland een zeer geruststellende gedachte, omdat het ons in staat stelt op tijd veiligheidsmaatregelen treffen en zo ongewenste noodtoestanden voorkomen. Dat is ook de gedachte achter deze gecombineerde Engels-Nederlandse waarschuwing. Juist omdat vrij verkeer een van de hoekstenen van de EU is, moeten we ons op basis van de opgedane ervaringen bewust zijn van de neveneffecten ervan en klaarstaan om flexibel te reageren. We moeten de ogen niet sluiten voor het feit dat de EU met het naderen van het jaar 2014 een andere EU is dan die van vroeger jaren. Er is vandaag de dag veel meer verkeer en de verschillen in inkomen en maatschappelijke voorzieningen zijn veel groter dan vroeger.

Dit vraagstuk wordt in Brussel nog onvoldoende als urgent ervaren en daarom dringen wij er bij onze Europese collega's met klem op aan om de negatieve aspecten van het vrije verkeer van werknemers hoog op de agenda te zetten en deze kwestie gezamenlijk aan te pakken. Als we willen blijven profiteren van de voordelen van het vrije verkeer, dan moeten we bereid zijn om de negatieve neveneffecten ervan te bestrijden - van verdringing tot uitbuiting. Dat is in het belang van alle EU-burgers.

Lodewijk Asscher is minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
David Goodhart is een Britse publicist en auteur van het boek The British Dream.

Vertaling: Leo Reijnen