De bibliotheek van de Erasmus Universiteit in Rotterdam op archiefbeeld.
De bibliotheek van de Erasmus Universiteit in Rotterdam op archiefbeeld. © ANP

'Tijd dat geschiedkundigen weer gaan doen waarvoor ze nodig zijn: lessen trekken uit het verleden'

Over al onze zorgen zou de historicus iets zinnigs moeten kunnen zeggen. Maar de obsessie met de wetenschappelijke statuur van het vak heeft de geschiedbeoefening grotendeels irrelevant gemaakt, stelt Rutger Bregman.

Het is droevig gesteld met de historische kennis van de gemiddelde Nederlander, dat weten we inmiddels wel. Het blijkt uit Citotoetsen, testjes onder Tweede Kamerleden en uit een wijdverbreide nostalgie - dat onstilbare verlangen naar een of ander Gouden Tijdperk waar we nauwelijks iets van weten, naar het schijnt ergens in de zeventiende eeuw.

Maar de schuldigen van het historische onbenul blijven buiten schot. Dat zijn niet die onwetenden en nostalgici, nee, de historici zelf zijn verantwoordelijk. Er is immers geen vakgebied dat zichzelf zo gretig wegrelativeert. Het wordt tijd dat de geschiedkundigen weer gaan doen waarvoor de maatschappij ze nodig heeft: lessen trekken uit het verleden.

In de professionele geschiedbeoefening, waar de voetnoten en onleesbare zinsconstructies regeren, heerst het dogma dat je van vroeger niets leren kan. Immers: de geschiedenis herhaalt zich nooit. Er is altijd wel een of ander triviaal, en daarom juist weer cruciaal, detail dat een tweede keer net even anders loopt. In het laboratorium van de geschiedkundige moet het verleden in een steriel vacuüm worden bestudeerd. Anders is het quatsch.

De professionele historici voelen zich ongemakkelijk bij de toegenomen belangstelling van de leek. Tijdens het vijfjaarlijkse congres van het International Committee of Historical Sciences, twee jaar geleden in Amsterdam, heerste het gevoel dat 'hun vak wordt gegijzeld door docenten die er te weinig van begrijpen en door politici die zich er te veel mee bemoeien', zo rapporteerde nrc.next.

Maar ingrijpen is er niet bij. Ze kijken lijdzaam toe hoe de populaire geschiedbeoefening wordt overgenomen door de journalistieke schoonschrijvers en een enkele dissidente academicus als Maarten van Rossem, die geen last hebben van zulke scrupules. Hoofdschuddend zien ze vanaf de zijlijn hoe, sinds Nederland zichzelf als een verwarde natie beschouwt, de geschiedenispolitiek oprukt. Onder Balkenende, afgestudeerd historicus, moest 'ons' verleden de motor van integratie worden en de nodige normen en waarden bijbrengen. Verhagen, nog zo'n geschiedenisklant, stelde voor een tempel ter ere van de nationale geschiedenis te bouwen. Dat Rutte, die ook al geschiedenis studeerde, geen geld overhad voor dit Nationaal Historisch Museum, laat onverlet dat zijn partij de fameuze canon (het gedroomde panacee voor alle historische onkunde) verplicht wil stellen.

Het ongemak van de historicus
Dat de vaklui (een populist als Herman Pleij uitgezonderd) niet willen kletsen over 'de Nederlander' en zijn 'identiteit', niet willen meedoen aan de platte exercitie die geschiedenispolitiek heet, dat pleit voor hen. Maar het ongemak van de professionele historicus komt ook voort uit zijn onvermogen iets over de actualiteit te zeggen. Als hij het al zou willen, zou hij het niet kunnen. Want voor zinvolle vergelijkingen tussen vroeger en nu moet immers bruikbaar vergelijkingsmateriaal worden geproduceerd. In al die stroeve proefschriften met meer voetnoten dan tekst en in al die obscure maar toch zeer 'prominente' vaktijdschriften met meer redacteuren dan lezers, gaat het zelden over zaken van enig maatschappelijk belang.

Vier lange en eenzame jaren duurt het promotietraject, dat als enige toegang verschaft tot de academische kaste. Aan het einde van die rit staat een pil die door de promovendus in eigen beheer moet worden uitgegeven, omdat geen uitgeverij zich eraan wil wagen. Promoveren is een wedstrijdje in trivialiseren. Laat ik op dit vlak drie willekeurige successen noemen die onlangs zijn geboekt aan mijn Alma Mater, de Universiteit Utrecht:

- De veelbewogen (her-)drukgeschiedenis van het katholieke prentenboek Pia desideria.

- Het voortleven van de middeleeuwse ridderroman in het zeventiende-eeuwse Frankrijk.

- De hernieuwde interesse voor het Zeeuwse platteland tussen 1750 en 1850.

In de agenda van de faculteit lees ik ook dat er twee spraakmakende conferenties aankomen, over 'de dynamiek van het middeleeuwse manuscript' en over 'identiteiten, intertekstualiteit en performance in de vroegmoderne zangcultuur'. Van harte aanbevolen, mocht u een van de tien mensen op de wereld zijn die zich ervoor interesseren. Ach ja, de aarde warmt op, de wereldwijde ongelijkheid explodeert en de crisis... maar we weten straks wel alles over de invloed van 'intertextual patterns' in vroegmoderne smartlappen op 'the dynamic process of group formation'.

Er wordt, in Utrecht en elders, natuurlijk ook wel onderzoek gedaan met meer maatschappelijke relevantie, maar je moet wel erg je best doen om die artikelen te vinden in een hooiberg van irrelevantie. Is dat erg? Bierbrouwen en dressuur rijden worden toch ook alleen maar voor de lol gedaan? Waarom moet altijd alles nut hebben? In dit geval heb ik toch bezwaren. Eén: hier beleven wel heel weinig mensen lol aan. Twee: we betalen er met z'n allen voor. Drie: mensen die slim en geduldig genoeg zijn voor een intertekstuele analyse van vroegmoderne kroegkrakers kunnen ook een wezenlijke bijdrage leveren aan de analyse van serieuze problemen.

Ik denk dat het tijd is om af te kicken van de drang naar historische kennis om die kennis zelf. 'Nut', dat verboden woordje binnen de geesteswetenschappen, zou weer op een voetstuk moeten komen te staan. En dan niet het 'nut' zoals overbodige universiteitsbestuurders dat 'valoriseren', maar gewoon, het nut waar de noden van nu om vragen. De historicus is prima in staat dat zelf te bepalen. Neem alleen al de crisis: al vijf jaar aan de gang, maar van het geschiedkundig front geen nieuws. Terwijl er zoveel vragen zijn. Waar komt deze crisis vandaan? Hebben we eerder zoiets meegemaakt? Welke lessen kunnen we trekken uit de vorige wereldcrises?

Uiterst precies, uiterst oninteressant
De moderne historicus kan niet zoveel met dit soort vragen. De obsessie met de wetenschappelijke statuur van de geschiedbeoefening, ook wel 'professionalisering' genoemd, heeft haar grotendeels irrelevant gemaakt. Geschiedenis is verworden tot een opleiding voor het beweren van uiterst precieze dingen over uiterst oninteressante dingen. Zoals in wel meer wetenschappen heeft ook de publicatiedrift toeslagen, waardoor het jargon welig tiert in steeds kleinere oplages. Tot overmaat van ramp vervlocht deze professionalisering zich met het postmodernisme. Sindsdien is alles 'tekst en interpretatie' en is ieder moreel oordeel uit den boze. Het heeft de maatschappelijke relevantie van de professionele geschiedbeoefening nog verder ondergraven.

Eigenlijk zou het hele promotietraject moeten worden afgeschaft, of in ieder geval grondig moeten worden herzien. Jonge, bevlogen historici in de kracht van hun leven vier jaar lang onderdompelen in de trivialiteit - dat verzin je toch niet? Toegegeven: er zijn genoeg redenen om terughoudend te zijn als historicus midden in de actualiteit. Als we echt zoveel zouden kunnen leren van het verleden, dan leefden we allang in het paradijs. Maar dat is nog geen reden om de geschiedbeoefening tot academisch hobbyisme te reduceren. Laat het vak het strijdtoneel zijn van originele, tegendraadse en zelfs ronduit partijdige analyses. Laat de angst voor kleine vergissingen, anachronismen en sweeping statements niet langer regeren.

Natuurlijk, historische analogieën zijn even vaak misleidend als verhelderend. De geschiedenis blijft een grabbelton. Het is net als bij de economische wetenschap - zoek een willekeurige mening uit en er zijn altijd wel een paar prominente historici die je de bijbehorende vergelijkingen met het verleden kunnen leveren. In bijvoorbeeld de kwestie Iran kan zowel de Irak-analogie als de München-analogie van pas komen. Ben je tegen ingrijpen dan zeg je: 'Nee, niet doen, want Bush loog, het kostte 3.000 miljard, honderdduizenden burgerslachtoffers, doe het niet!' Ben je voor ingrijpen dan zeg je: 'Ja, nu doen, want 1938, want Chamberlain, want appeasement, o nee, dus nu bommen erop!' Quod erat demonstrandum.

De grabbelbak van het verleden
Gelukkig zitten er ook groene ballen in de grabbelbak van het verleden. Aan de historicus de taak om die er, volgens wetenschappelijke criteria, uit te vissen. Want over vrijwel al onze zorgen - de kredietcrisis, de klimaatcrisis, Europese (des)integratie, de multiculturele samenleving, privatiseringen, stijgende zorgkosten, populisme, de Arabische 'Lente', verloedering en wat niet meer - heeft de historicus iets zinnigs te zeggen.

De historicus zou meer aandacht moeten besteden aan politiek-maatschappelijke vraagstukken. Hij zou zich meer bezig moeten houden met de bestrijding van de geschiedvervalsing waar politici en opiniemakers zich om de haverklap aan schuldig maken. Bovenal zou hij meer moeten oordelen en minder moeten afwachten. Want als hij het niet doet, dan doen anderen het wel.

Voor Robert Fruin (1823-1899), de Herodotus van de Lage Landen, stond nog vast dat je van de geschiedenis kunt leren. Het moet 'stof tot nadenken' opleveren. Zijn opvolger P.J. Blok (1855-1929) verzuchtte na het schrijven van zijn Geschiedenis van het Nederlandse volk (1923) dat het hem een 'waarlijk nationale opgave en bron van onbeschrijfelijk genot' was geweest. Zo klef hoeft het niet, maar in Clio's naam, een beetje relevanter mag best. En leesbaarder. En leerzamer.

Waarom is het zo droevig gesteld met de historische kennis van de gemiddelde Nederlander? Het antwoord is eenvoudig: omdat de gemiddelde Nederlander de kennis die nu wordt aangeboden nergens voor nodig geeft. Historische argumenten spelen nauwelijks een rol van betekenis in de samenleving of het politieke debat. Terwijl we van de economische wetenschap de fijnste kneepjes krijgen voorgeschoteld - van credit default swaps tot uitverdieneffecten - horen we zelden iets over de historische dimensie van de Europese Unie, het integratiedebat of missies zoals die in Kunduz. Geschiedenis is voor de meesten niet meer dan een vak op school of een stukje nostalgie, iets wat hoogstens van pas komt bij een spelletje Triviant. Het wordt tijd dat historici schuld bekennen en vaker iets nuttigs gaan doen.

Rutger Bregman is historicus redacteur van de Volkskrant. Dit stuk stond op zaterdag 28 september in Vonk, het zaterdagse katern bij de Volkskrant.