Generaal Kruls op inspectie. Hier brengt hij een bezoek aan de demarcatielijn nabij Semarang. Deze lijn moest de strijdende troepen uit elkaar houden. In december 1948 zal Nederland de 2e Politionele Actie beginnen.
Generaal Kruls op inspectie. Hier brengt hij een bezoek aan de demarcatielijn nabij Semarang. Deze lijn moest de strijdende troepen uit elkaar houden. In december 1948 zal Nederland de 2e Politionele Actie beginnen. © ANP

'Onderzoek opnieuw het Nederlandse militaire geweld in Indië'

Morele vragen over de politionele acties in Indonesië zijn belangrijk, maar daarmee zijn we er niet, schrijven Piet Kamphuis, Gert Oostindie en Marjan Schwegman. We moeten ook willen begrijpen wat voor soort oorlog daar werd gevoerd, en waarom en hoe deze oorlog mensen ertoe bracht wreedheden te begaan die tot dusver als 'excessen' werden betiteld.

Het blijft maar terugkeren, het vraagstuk van het Nederlandse militaire geweld in de nadagen van Nederlands-Indië. En het einde is nog niet in zicht. Eind vorig jaar, bijna zeventig jaar na dato, bood de Nederlandse regering excuses en schadevergoeding aan voor het nu erkende drama in het Javaanse dorp Rawagede, waar Nederlandse militairen in 1947 minstens 120 mannen doodschoten. Prompt werden ook andere schendingen van het oorlogsrecht in herinnering gebracht. Historisch Nieuwsblad kwam al met een 'top-10 oorlogsmisdaden in Indonesië'. Bovenaan uiteraard de acties van de militairen van het Depot Speciale Troepen van kapitein Raymond Westerling in Celebes, eind 1946-begin 1947: ruim drieduizend slachtoffers.

Dit geweld vond plaats in de context van de Indonesische strijd om onafhankelijkheid. Tussen de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 en de formele soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 had Nederland er alles aan gedaan om 'ons Indië' te behouden, met militaire middelen en aan de onderhandelingstafel. Daarover concludeerde toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Bernard Bot in 2005 dat Nederland 'aan de verkeerde kant van de geschiedenis' had gestaan, een verklaring die in Indonesië zeer werd gewaardeerd.

In Indonesië, maar niet overal in Nederland. Een deel van de inmiddels sterk uitgedunde groep van 'repatrianten' uit de voormalige kolonie en van de militairen die vergeefs streden voor het behoud van Indië ziet dit geheel anders. Voor veel Indische Nederlanders betekende het verlies van Indië het verlies van hun moederland. Zij spreken er schande van dat de anarchistische begindagen van de revolutie - de 'bersiap-periode' van ongeveer oktober 1945 tot begin 1946, toen Indonesische bendes zich tegen hen richtten en enkele duizenden doden maakten - in Nederland en Indonesië veelal over het hoofd worden gezien. Terugblikkend herinneren militairen eraan dat er van beide zijden hard werd opgetreden tegen de burgerbevolking - zo gaat dat in een guerrillaoorlog. Dat deze hele episode heftige emoties blijft oproepen, is onvermijdelijk. Zo ook weer recentelijk in en naar aanleiding van de televisieserie Van Dis in Indonesië.

Het is opvallend dat de meeste debatten over geweldpleging tijdens de Indonesische revolutie gericht zijn op morele vragen: wie was er fout en wie moet excuses aanbieden? Morele vragen zijn belangrijk, maar daarmee zijn we er niet. We moeten ook willen begrijpen wat voor soort oorlog daar werd gevoerd, waarom en hoe deze oorlog mensen ertoe bracht wreedheden te begaan die tot dusver als 'excessen' werden betiteld. Maar onze wil tot weten, strekt zich ook uit tot de 'harde' feiten: het aantal slachtoffers, het juridisch kader en de daarbij horende terminologie en de vraag wie verantwoordelijk was voor wat. Is het bijna zeventig jaar na het uitbreken van de Indonesische revolutie niet de hoogste tijd om hier goed inzicht in te krijgen?

Gemakkelijk zal dat niet zijn. Het is een illusie te denken dat er ooit een volledig en onomstreden beeld zal ontstaan van wat zich precies heeft afgespeeld tussen die 17de augustus 1945 en de 27ste december 1949. Veel is nooit opgeschreven en getuigen hebben hun mond gehouden of spraken elkaar tegen. Vandaag zijn er nog maar weinigen die gehoord kunnen worden en naarmate de tijd verstrijkt, wordt de vraag naar de betrouwbaarheid van het menselijk geheugen dringender. Zo is het beeld van de gruweldaden in deze oorlog fragmentarisch gebleven. Wat de archieven betreft, die zijn aan Nederlandse kant inmiddels grotendeels opengesteld, dit in tegenstelling tot die in Indonesië.

Aan Indonesische zijde ontstaat nu pas enige ruimte voor een kritischer benadering van het eigen verleden, voorbij de clichés van eensgezind heroïsch patriottisme tegenover een wreed koloniaal regime. Maar voor Indonesië markeren deze jaren het ontstaan van de natie. Dat maakt relativeren een stuk moeilijker.

Wij bepleiten dat Nederland het initiatief neemt tot een onderzoek waarin de controversiële kanten van het militaire optreden in de hele periode 1945-1949 opnieuw in kaart worden gebracht. Op basis daarvan kan dan ook een analyse worden gemaakt die ons beter doet begrijpen wat zich daar heeft afgespeeld.

Een dergelijk onderzoek kan ons ook meer inzicht geven onder welke omstandigheden militairen hun zelfbeheersing kunnen verliezen en welke militairen in dat opzicht het grootste risico lopen. Dat is zeker ook van belang voor de selectie, opleiding en het optreden van onze militairen, nu en in de toekomst. Voor een groot deel kan dit onderzoek worden gebaseerd op al eerder verricht historisch onderzoek, zoals de 'excessennota' uit 1969 (C. Fasseur), de studie Ontsporing van geweld van J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix, Westerlings Oorlog van J.A. de Moor en de vele deelstudies die sindsdien door Nederlandse, Indonesische en andere historici zijn verricht.

Ook onder Indonesische collega's is inmiddels interesse om deze periode met nieuwe ogen te bezien. Dat biedt kansen de Indonesische context van het Nederlandse optreden ten volle tot zijn recht te laten komen. In dit verband is het van essentieel belang om naast de Nederlandse, ook de Indonesische archieven in het onderzoek te betrekken en zoveel mogelijk samen te werken met ter zake kundige historici uit Indonesië of uit andere landen. Dit laatste is mede van belang om de Nederlands-Indonesische geschiedenis van deze jaren in de bredere context te plaatsen van geweld in andere naoorlogse dekolonisatieprocessen.

Toch zullen we, zoals gezegd, nooit een onomstreden beeld en analyse kunnen geven van het Nederlandse militaire geweld in Indonesië in de jaren 1945-1949. Het is en blijft geschiedschrijving. Maar er zijn voldoende redenen en mogelijkheden voor een brede analytische studie. Niet om te moraliseren, maar om ons te helpen begrijpen wat de aard van het geweld en het Nederlandse optreden was. Dat is ook van belang voor het begrip van hedendaagse en wellicht toekomstige Nederlandse militaire inzet in crisisgebieden.

Piet Kamphuis is directeur Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH).
Gert Oostindie is directeur Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV).
Marjan Schwegman is directeur Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD).