*

 

'Was het beter toen bankiers in God geloofden?'

OPINIE - Peter de Waard − 23/12/11, 09:55
Scrooge uit Dickens' A Christmas Carol, op een Dickens festival in Deventer, 2007.

Gelovige bankiers wilden in de 19e eeuw graag nog voor hun dood van hun geld af, uit angst om in de hel te moeten branden. De huidige generatie bankiers vreest God niet meer, schrijft Volkskrant-redacteur Peter de Waard.

'Wederom zeg Ik u, het is gemakkelijker voor een kameel door het oog van de naald te gaan dan voor een rijke het Koninkrijk Gods binnen te gaan.' Dit zei Jezus in het Evangelie naar Matteüs tot zijn discipelen nadat een rijke jongeling weigerde al zijn bezittingen aan de armen te geven in ruil voor het eeuwige leven.

In de 19de eeuw kenden bankiers niet alleen de Bijbel, ze lazen die ook en geloofden dat ze bij de hemelpoort ter verantwoording zouden worden geroepen.

Bankiers wilden graag in hun aardse bestaan veel geld verdienen, maar ze wilden niet rijk sterven. Het delen van hun vermogen met anderen was niet voldoende, ze wilden er voor hun dood eigenlijk helemaal van af. En de weg daarvoor was de filantropie.

Vorige maand was op de BBC een documentaire te zien over een aantal Britse bankiers in de Victoriaanse tijd: When bankers were good. Daaruit bleek dat veel van de Britse bankiers uit de industriële revolutie hun vak als een bijna religieuze roeping zagen. Families als de Barclays en de Lloyds - de grondleggers van de huidige Barclays Bank en Lloyd TSB, wier bazen nu zichzelf met grote bonussen belonen - vonden dat het vak hun de mogelijkheid bood goede werken te doen.

Bankiers in het 19de-eeuwse Groot-Brittannië kwamen vaak voort uit de Quakers-beweging, het Genootschap der Vrienden dat overtuigd is dat in ieder mens iets van een God schuilt. Elisabeth Fry, die tot de Gurney-bankiersfamilie behoorde, gaf al haar geld weg aan onderwijs en heropvoeding van gestraften die in Victoriaanse gevangenissen crepeerden. George Peabody, grondlegger van de eerste zakenbank Peabody, stak in die tijd al zijn geld in de huisvesting voor armen in de Londense sloppenwijken, waar nu nog altijd 50 duizend Londenaren wonen.

Angela Burdett-Coutts - de erfgename van de oprichter van Coutts, het meest exclusieve bankiershuis van Londen dat onder meer de koninklijke familie als klant had - beschouwde haar rijkdom als een vloek. Zij stak haar erfenis in scholen, ziekenhuizen, bibliotheken en waterleidingbedrijven.

Nathan Rothschild, de erfgenaam van het bekende bankiershuis Rothschild, richtte de Four Percent Dwellings Company op die woningen bouwden voor joden in de East End maar was ook medefinancier van de Londense moskee.

Al deze bankiers waren bang dat ze voor hun graaizucht voor eeuwig in de hel zouden branden. Sommigen, zoals Scrooge in Dickens' A Christmas Carol, werden al tijdens hun levens door geesten ter verantwoording geroepen. De huidige generatie bankiers vreest God noch spoken en is vast voornemens rijk te sterven. Het enige wat rest is ze te belasten. Zo zwaar mogelijk.

Peter de Waard is redacteur van de Volkskrant.
mailIcon print | |

Jouw mening telt!

Deel jouw mening met de andere VK bezoekers

Aan het laden ...
<spring:message code='commonMessages.loading' />