Emotie is verworden tot bron van kennis

De toenemende tolerantie voor onwetendheid ondermijnt zowel de wetenschap als de democratie.

Onze samenleving worstelt steeds meer met wat de echte bronnen van kennis zijn: wetenschappelijke, meningen of gevoelens. Pas met de Verlichting groeide de rol van de wetenschap als bron van onafhankelijke, empirisch toetsbare kennis. De expansie van het wetenschappelijk denken liep ongeveer parallel met de opkomst van de democratie, en er is reden om aan te nemen dat zij elkaar hebben versterkt. Beide zijn gebaat bij een open toegang voor talent.

Die openheid staat nu sterk onder druk. Sinds het einde van de vorige eeuw wordt kennis minder beschouwd als objectief, maar als gereedschap in allerlei welles-nietes spelletjes, bijvoorbeeld over klimaat of gezondheid. Tot een generatie geleden was de overheid een objectieve bron van kennis. Natuurlijk nam de overheid soms maatregelen die achteraf onverstandig waren, maar dergelijke fouten werden wel weer gecorrigeerd. Voor het grote publiek bleven wetenschappelijke controverses onzichtbaar.

VerwarringVandaag is over alles verwarring ontstaan. Op ieder terrein buitelen de meningen over elkaar heen. Wetenschappelijke conflicten worden live op de televisie uitgevochten door wetenschappers met sterallures. De overheid is daarbij gereduceerd tot een van de vele partijen. Het resultaat: burgers weten niet meer wat zij moeten denken.

Ook de overheid verkeert in verwarring. De Kamer springt op ieder nieuw feit en dwingt niet zelden tot het terugdraaien van besluiten. Dit gebeurt niet als uitzondering na grondige evaluatie, maar bijna voortdurend. Zie de windmolenparken op zee: een miljardeninvestering met beperkt rendement waarover twijfel bestaat: toch doen. De lijst is eindeloos.

AmbivalentHoe is het mogelijk dat wetenschap een bron van verwarring is geworden in plaats van een leidraad voor vooruitgang? Terwijl we meer weten dan ooit tevoren, weten we niets meer zeker en zijn we over alles bezorgd. Paradoxaal genoeg zijn het de landen die het meest geprofiteerd hebben van wetenschappelijke kennis die er nu het meest ambivalent tegenover staan. Nog paradoxaler, het zijn juist de hoogst opgeleide klassen die de grootste argwaan lijken te hebben.

Dit staat in schril contrast met de opkomende grote economieën, waar geen sprake is van de merkwaardige inconsistentie dat mensen die hun voordeel doen met moderne technologie die wantrouwen en terug willen naar een geromantiseerd pretechnologisch verleden. Kennis is daar een vanzelfsprekende voorwaarde voor vooruitgang. Dat kennis zo hoog wordt gewaardeerd in de opkomende economieën haalt de veronderstelling onderuit dat wetenschap en democratie hand in hand gaan.

TolerantieIn het Westen ondermijnt eenzelfde fenomeen zowel de wetenschap als de democratie. Dat fenomeen is de toenemende tolerantie voor onwetendheid en de toenemende intolerantie voor het rationele debat. Drie factoren liggen aan de basis ervan: de overvloed aan feiten, de afkalvende autoriteit van kennis, en het uitdijend pessimisme van burgers.

Allereerst worden we overspoeld door steeds meer feiten, gretig gebracht als nieuws dat al het voorgaande op zijn kop zet. Deze overvloed aan feiten is te verklaren door de enorme druk op de wetenschap om maatschappelijk nut te produceren, of in het modieuze jargon, valorisatie.

MeningDaardoor staat het zelfkritische systeem van de wetenschap onder druk. Resultaten komen steeds sneller naar buiten, anders zijn geld en aanstelling niet meer gegarandeerd. Dit vermindert de autoriteit van de wetenschap. Wetenschappelijk gefundeerde kennis is een mening geworden. Dat feiten en meningen op elkaar gaan lijken, bevestigt tevens de emotie als ware bron van kennis. We lijden niet alleen aan een informatie-overschot, maar vooral aan een overschot aan desinformatie.

Pessimisme en irrationaliteit groeien in omgekeerd evenredige verhouding met wetenschappelijke kennis. Zoals we ook nu weer zien met de kernramp in Fukushima, legt een zakelijke, statistische benadering van risico’s geen enkel gewicht in de schaal ten opzichte van de subjectieve beleving. We weten niets meer zeker en onze onzekerheid maakt ons steeds banger.

AfgrondBij het thema duurzaamheid speelt dit helemaal, door de voortdurende suggestie in de media dat we aan de rand van de afgrond staan. In het debat gaat het steeds vaker om het ergste dat ons kan gebeuren, niet om realistische kansen.

Ons pessimisme is geworteld in grote ambivalentie. Juist wij die met onze overvloed zozeer hebben geprofiteerd van de vooruitgang van wetenschap en technologie, voelen ons schuldig over de schade die de wereld wordt aangedaan. Geen wonder dat het lijkt, vanaf de veilige afstand van de 21e eeuw, dat vroeger alles harmonieuzer was. Dat lokt uit tot het demoniseren van de tegenpartij. De vraag, wie is er voor een betere wereld? wordt getransformeerd in: wie is er voor mijn oplossing (windmolens, elektrische auto’s, biologisch vlees)? En wie het niet met mij eens zijn, zijn moreel slecht.

EmotieDaarmee zijn wij aangeland bij het feitenloze debat dat drijft op emotie en vooringenomenheid. Zo ontstaan besluiten, niet op basis van redelijkheid, dat wil zeggen gebaseerd op de beste, zij het per definitie altijd onvolledige kennis. Daarmee wordt onwetendheid als legitieme attitude alleen maar bevestigd.

Onwetendheid bestaat uit onschuldig onbegrip en moedwillige onwetendheid. Het eerste is het gevolg van een gebrek aan basiskennis, waardoor het onmogelijk is zich een mening te vormen over complexe vragen zoals klimaatverandering of het ontstaan van kanker. Wie ongeletterd is, heeft geen onafhankelijke referentie, en kan niet anders dan de eerste beste mening geloven. Het spook van de irrationaliteit waart rond, vooral door de moedwillige onwetendheid, de geestelijke luiheid van mensen die zich beter zouden kunnen informeren.

Historisch perspectiefDat burgers wantrouwend staan tegenover de wetenschap is één ding, dat de politiek zich daarachter verschuilt een tweede. Onwetendheid is niet alleen een kwestie van gebrek aan inzicht in ordes van grootte, maar ook een afwezigheid van historisch perspectief. Weten welke grote vragen iedere samenleving opnieuw onder ogen heeft moeten zien, biedt relativering.

Het verschil tussen somberheid en hoop heeft ook te maken met het tijdsperspectief. De meeste mensen kijken niet verder terug dan hun jeugd en niet verder dan hun huidige leven. Maar wie een eeuw of twee terug denkt, en - veel moeilijker - vijftig of honderd jaar vooruit denkt, ziet iets heel anders: geweldige vooruitgang, en weinig aanleiding tot somberheid.

PatstellingHoe komen we uit deze patstelling van steeds minder feiten tegenover steeds meer emoties en meningen? De vraag is hoe de emoties kunnen omslaan. Van een nostalgie over vroeger en angst voor de toekomst, naar vertrouwen in de weg vooruit.

Dat vraagt om onderwijs dat vragen formuleert, over tijd- en ruimteschalen die uitgaan boven onze eigen beleving, dat niet gericht is op gemakzuchtige maatschappelijke relevantie, waarbij het gaat jezelf niet als uitgangspunt te nemen.

Dit vraagt ook om kunst. Dat lijkt in eerste instantie een hachelijke zaak. De kunst laat zich niet zo maar een maatschappelijke rol opleggen. Maar juist de kunst verkent de dubbelzinnigheid van emoties, de tegenstrijdigheid van morele stellingnames. De kunst doorbreekt daarmee de simpele dichtomie tussen pessimisme en optimisme.

Want het blijven steken in het feitenloos pessimisme ontkent datgene dat het meest wezenlijk is voor de menselijke vooruitgang: het kunnen leren van onze fouten.