*

 
dossier

Archief

In Amsterdam zijn kernwaarden juist in goede handen

02/09/08, 00:00

Een overheid die in uitzonderlijke situaties iets extra’s doet voor een religieuze instelling, handelt overeenkomstig haar kernwaarden, betoogt Job Cohen....

Coos Huijsen betoogt dat het Amsterdamse College van B en W kernwaarden verwaarloost (Forum, 29 augustus). Hij gaat in op de notitie Scheiding van Kerk en Staat die het College deze zomer aan de gemeenteraad heeft voorgelegd. Dat deze notitie discussie oproept is juist; dat was ook precies onze bedoeling. Maar verwaarlozing van kernwaarden? Nee, het tegendeel is het geval.

Huijsen vindt nergens in de notitie een normatief uitgangspunt over de scheiding van kerk en staat als verworvenheid van een moderne, open en democratische samenleving en zegt dat dit tot bestuurlijke verwarring leidt. Maar dat is niet zo: expliciet wordt juist dit principe als fundamenteel uitgangspunt van de inrichting van de Nederlandse democratische rechtsstaat genoemd en nergens wordt dat beginsel gerelativeerd.

Wel constateren wij dat het principe van scheiding van kerk en staat een specifieke inhoud heeft, te weten: in de verhouding tussen kerk en staat mag geen institutionele zeggenschap over en weer zijn, evenmin als rechtstreekse inhoudelijke zeggenschap. Dat betekent dat het beginsel van scheiding van kerk en staat bepaald niet de hele lading dekt als het gaat om de verhouding tussen overheid en religie.

Het is een belangrijk uitgangspunt dat samen met drie andere beginselen, te weten de vrijheid van godsdienst, het gelijkheidsbeginsel en de neutraliteit van de overheid, de verhouding tussen overheid en godsdienst(en) in Nederland bepaalt. Het Amsterdamse College stelt dat deze vier principes in hun onderlinge samenhang scherp voor ogen gehouden moeten worden. Zij bieden maximale ruimte aan de pluriformiteit in de samenleving. In een stad met 174 nationaliteiten, met zowel seculieren als gelovigen en vele godsdiensten, levensbeschouwingen en levensstijlen is dat voor een gemeentebestuur dat een inclusieve samenleving voorstaat, een groot goed.

Wanneer het beginsel van scheiding van kerk en staat in samenhang met de drie andere principes wordt bezien, wordt duidelijk wat wel en wat niet kan. Zo verzetten deze beginselen zich niet tegen de aanwezigheid van kerken en godsdiensten in het publieke domein of tegen elke betrekking van de overheid met of elke vorm van steunverlening aan kerken en/of instellingen op religieuze of levensbeschouwelijke aard. Overleg of dialoog tussen overheid en kerken of religieuze organisaties wordt evenmin uitgesloten. De beginselen verzetten zich evenmin tegen financiƫle banden tussen deze organisaties en de overheid. Dat zou ook raar zijn omdat in die situatie gelovigen zouden worden achtergesteld ten opzichte van niet-gelovigen Ook in praktische zin kunnen we in een stad als Amsterdam moeilijk zonder instanties als het Leger des Heils of het Joods Maatschappelijk Werk.

Om iedereen in de gelegenheid te kunnen stellen vrijheid van godsdienst of levensbeschouwing te belijden, kan het voorkomen dat de overheid daarvoor faciliteiten biedt, en dat mag zolang de overheid zich maar neutraal opstelt en opereert binnen de grenzen van het gelijkheidsbeginsel. In deze context kunnen bijvoorbeeld de ondersteuning van de Portugese synagoge ter behoud van dat schitterende monument, of de speciale condities bij de grondverwerving van de Westermoskee worden bezien. Deze vorm van neutraliteit wordt inclusieve neutraliteit genoemd. Dat is overigens niet door ons bedacht; wie de Nederlandse geschiedenis overziet (over kernwaarden gesproken, trouwens!), ziet dat dat een langjarige traditie is. Die traditie hebben wij tot uitgangspunt van ons beleid genomen: inclusieve neutraliteit is in Nederland de norm.

In het voetspoor van het WRR rapport Geloven in het publieke domein hebben wij in onze notitie vervolgens ook gesproken over compenserende neutraliteit. Dat wil zeggen dat de overheid in uitzonderlijke situaties onder zeer bijzondere omstandigheden voor een religieuze instelling iets extra’s kan doen. Een dergelijk voorstel zal per situatie van goede argumenten moeten worden voorzien en expliciet in de gemeenteraad moeten worden besproken. Er zijn in de recente Nederlandse geschiedenis voorbeelden van deze vorm van neutraliteit. Landelijk kan gewezen worden op het ‘gelijktrekken’ van de humanistische zuil na de grondwetswijziging van 1983 toen de niet-godsdienstige levensbeschouwing onder de werking van artikel 6 jo. 1 Grondwet werd gebracht. Ook de gemeentelijke subsidiĆ«ring van een kerkverzamelgebouw in Amsterdam-Zuidoost kan in die categorie genoemd worden.

Anders dan Huijsen betoogt, is deze compenserende neutraliteit niet het uitgangspunt van ons beleid, want dat is de eerder genoemde inclusieve neutraliteit. Maar wij willen niet uitsluiten dat iets extra’s onder bijzondere omstandigheden mogelijk is. Alleen moet dat dan met open ogen gebeuren, onder de goedkeuring van onze democratisch gekozen volksvertegenwoordiging. We botsen niet met onze kernwaarden, maar handelen juist in overeenstemming daarmee: scheiding van kerk en staat, vrijheid van godsdienst, het gelijkheidsbeginsel en een neutrale overheid.

mailIcon print | |