Over:..
Wat een gelukkig toeval voor de uitreikers van de Erasmusprijs dat in diezelfde week Barack Obama tot president van de VS werd gekozen. ‘Het nieuwe kosmopolitisme’ is dit jaar het thema van de prijs en wie belichaamt het wereldburgerschap beter dan Obama?
Blanke Amerikaanse moeder, zwarte Keniaanse vader, Indonesische stiefvader, zwarte Amerikaanse echtgenote. Obama’s boek Dreams from my Father leest als een ode aan het kosmopolitische levensgevoel. Met de herinneringen aan zijn jeugdjaren in Indonesië, pubertijd bij zijn blanke grootouders op Hawaii, studietijd in Los Angeles, New York en Harvard, zijn buurtwerk in Chicago, zijn politieke carrière en natuurlijk het zoeken naar familiebanden in Kenia (zijn vader verliet het gezin toen Barack 2 jaar was en kwam in 1982 om bij een auto-ongeluk).
De Erasmusprijs ging naar Ian Buruma, ook een genetisch bepaalde kosmopoliet – zij het minder exotisch dan Obama – met een Nederlandse vader en Britse moeder. De prins van Oranje (ook een kind van ouders uit verschillende naties, merkte Buruma op) roemde de open visie op de wereld van de laureaat en plaatste diens kosmopolitisme in de traditie van Erasmus zelf met diens credo: waar het goed is, is mijn vaderland (ubi bene, ibi patria).
Maar zo vanzelfsprekend is dat ideaal van kosmopolitisme helemaal niet meer, zei Buruma in zijn dankwoord (zie: erasmusprijs.nl). Het is veeleer mode het ideaal van tafel te vegen als anti-nationaal en als ‘moreel relativisme’. Maar de enige hoop voor een goede wereld blijft: tolerantie.
Wel toonde hij zich gevoelig voor het verwijt dat kosmopolitisme elitair is. En gek genoeg was dat het dominante thema bij een discussie tussen een groep jonge Europeanen en Erasmuslaureaten uit eerdere jaren, vorige week in Felix Meritis.
‘Ik weet dat ik bevoorrecht ben door mijn opleiding en mijn milieu, dat ik veel kan reizen en daarom kosmopoliet kan zijn’, was de teneur in de opstellen die ‘veelbelovende jongeren’ uit heel Europa hadden geschreven. De winnaars van die opstelwedstrijd mochten naar Amsterdam komen.
Zes van hen spraken onder leiding van Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, met de oud-laureaten Sadik al-Azm, de Libanese geleerde, en Eduard Nazarski, directeur van de Nederlandse tak van Amnesty International.
Het was Schnabel opgevallen dat de opstelschrijvers zich haast verontschuldigden voor hun luxe levenshouding. Hun ‘embarrasment of richess’, zo leende hij de titel van Simon Schama’s beroemde boek over de Nederlandse Gouden Eeuw.
Milena Oda is een Tsjechische die schrijft in het Duits en dat maakt haar bevoorrecht, zei ze. Maar in Duitsland schrikken mensen nog steeds als ze zegt dat ze uit Oost-Europa komt. ‘Dat wordt geassocieerd met gevaar, met misdaad.’ Gewone burgers hebben het nog niet zo op met de ‘diversiteit en harmonie’ die Oda aanprijst voor Europa.
De Deense studente Juliane Schmeltzer Dybkjaer zei: ‘Ik ben in 1989 geboren, toen de Berlijnse Muur viel, dus ik ken alleen een Europa zonder grenzen. Ik zou de perfecte kosmopoliet moeten zijn.’ Maar ze voelt zich er ongemakkelijk bij, omdat ze behoort ‘tot een culturele en economische elite in deze wereld’.
De Grieks-Cypriotische lerares Eleni Aristotelous vertelde dat ze zich onprettig voelt bij het gezinsdiner als ze denkt aan ‘de verschrikkelijke omstandigheden waaronder een Palestijns gezin aan tafel zit’. Het gebrek aan openheid en gelijkheid kan ze op haar eigen gedeelde eiland ook zien, opperde Schnabel. Dat was zo, zei Aristotelous, al ‘vervagen de nare herinneringen’ en is er nu ‘optimisme over onderhandelingen’ tussen het Griekse en Turkse deel van Cyprus.
De Roemeense journaliste Sorina Buzati wees erop dat de blije blik op de wereld de problemen dicht bij huis niet moet vertroebelen. Zoals die met een minderheid als de Roma in Oost-Europa. Die maken geen contact én worden gediscrimineerd. Een kosmopolitische houding van beide partijen zou helpen, maar is ver te zoeken. Oda reageerde: alleen als Roma worden opgenomen in bestuurslagen zullen ze integreren, al zijn er ook die ‘wild willen blijven’.
Een beetje tobberig allemaal. Alleen de enige Amerikaan in dit gezelfschap, Bryan Walker, vertelde lyrisch over zijn ontdekking van de wereld buiten de VS.
In hun opstellen bezingen de jonge, enthousiaste kosmopolieten wel de zegeningen voor hun eigen leven. Oda: ‘De nieuwe kosmopoliet reist overal, zingt overal, draagt de kleren die hij wil, verspreidt het verlangen opgewekt te leven.’
Er was maar één deelnemer die echt kritisch is op het ideaal, de levenshouding van kosmopolieten: de Poolse economiestudent Marcin Senderski. ‘Ik zocht bewijzen dat kosmopolitisme mogelijk is’, zei hij, ‘maar het is onuitvoerbaar: de verschillen in de wereld zijn domweg té groot.’
Het ideaal ‘gaat in tegen het gezond verstand’, zei hij. Het relativisme dat je ervoor nodig hebt, leidt nergens toe. De dilemma’s zijn veel te groot om weg te wensen. ‘Neem die Roma. Die laten heel jonge kinderen al trouwen. Wat moet dan zwaarder tellen: hun traditie of de wet van de staat?’
Daarop bracht Juliane de discussie op de problematiek van de universele mensenrechten versus culturele rechten. Waar ligt de grens bij besnijdenis, bijvoorbeeld? Ze had zelf geen definitief oordeel: ze werkt voor Amnesty maar is ook gevoelig voor het verwijt dat mensenrechten een vorm van westers imperialisme zijn.
Nazarski verdedigt als Amnesty-man natuurlijk de mensenrechten. Bij het stenigen van een 13-jarig verkracht meisje in Somalië moet je toch niet aankomen met culturele rechten. Maar het verspreiden van een cultuur van mensenrechten vergt wel een betere ‘kunst van het vertalen’. Zo betwijfelde hij of er nu weer het woord ‘universeel’ zou worden gebruikt bij het opstellen van een Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Maar Juliane hoeft zich ook niet al te westers voelen, merkte Sadik al-Azm op. De Verklaring werd door Amerikaanse juristen opgesteld, maar een groep Aziatische juristen kwam met bijna eenzelfde lijst, vertelde hij.
Al-Azm gaf de jongeren weerwoord. Het had hem verbaasd hoe technisch en wijd hun definitie van kosmopolitisme was in hun opstellen. ‘Samenleven in vrede’, vond hij een veel te armzalige omschrijving. Het ging hen zo sterk over hun eigen voordeeltjes, zoals reizen, internationale contacten opdoen.
Eurocentrisch vond hij hun stukken ook. Ze moeten verder kijken dan zichzelf; een kosmopolitische houding betekent ook ‘verantwoordelijkheid nemen voor anderen’, een ‘wereldpatriot’ worden. Dat idee over kosmopolitisme stamt al van Erasmus, zei hij. Misschien was het iets voor de intellectuele elite – maar daaraan leek Al-Azm niet zo zwaar te tillen. ‘Kosmopolitisme is een oud idee waarvoor de tijd nu rijp is.’
Die opmerking had geklonken als weinig overtuigend wensdenken, als die week niet net de kosmopolitische Obama was gekozen tot president van het machtigste land van de westerse wereld.
Wim Bossema
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.