*

 
dossier

Archief

Wij hebben de crisis zelf veroorzaakt

Door: redactie − 24/12/08, 00:00

Volgens Peter de Waard is er niet specifiek één persoon, instelling of land schuldig aan de kredietcrisis. Iederéén is schuldig, na 25 jaar van ongekende hebzucht....

In de financiële wereld is er een bekende mop over ingeblikt olifantenkontenvlees. Iemand verkoopt het blikje met dit unieke product aan een ander die het met winst weet door te verkopen. Het blikje wordt steeds meer waard totdat iemand het besluit open te maken. Er blijkt helemaal niets in te zitten. De verkoper verdedigt zich: ‘Het gaat om de handel. Niet om de inhoud.’

Zo is het met alle financiële producten: van woekerpolissen en subprime hypotheken tot opties en het piramidespel van Bernard Madoff. Alle mensen willen slapend rijk worden en laten zich al te graag verleiden tot het kopen van gebakken lucht met de gedachte dat er geld aan kan worden verdiend. Zolang er vertrouwen is, worden geen kritische vragen gesteld. En eens in de honderd jaar gebeurt het zó naïef en op een zó grote schaal dat het systeem in elkaar stort en iedereen weer even bij zinnen is tot de volgende hype.

Vele beschavingen zijn groot geworden van de hebzucht, maar ze zijn er ook weer aan ten onder gegaan. Twintig jaar nadat het communistische systeem is ingestort, verkeert de kapitalistische wereld in een megacrisis: aandelenmarkten kelderen, banken dreigen bankroet te gaan, huizenprijzen storten in, pensioenfondsen kraken en regeringen vallen.

Het geloof in de idealen van de vrije markt is dit jaar na de zomer verdwenen als sneeuw voor de zon. Wat begin 2008 nog de vrije markt heette, wordt nu het casinokapitalisme of struikroverkapitalisme genoemd. De helden van toen zijn de zondebokken van nu. De grootste critici hebben soms de meeste boter op hun hoofd: van de politici en centrale bankiers die de bonusbankiers aan het kruis willen nagelen na ze eerst te hebben bejubeld, tot de kleine particuliere beleggers die de beschuldigende vinger uitsteken naar hun voormalige helden van Wall Street en de City van Londen.

Uiteindelijk heeft iedereen meegedaan of mede geprofiteerd van de golf van hebzucht die de wereld overspoelde sinds midden jaren tachtig – of het nu is met het eigen huis, de avontuurtjes op de beurs, de spaarrekeningen met de hoogste rente of de fiscaal zo onweerstaanbaar lijkende levenspolissen.

En nu voelen ze zich allemaal slachtoffers. De aandeelhouders die juichten toen Fortis voor de hoogste prijs het machtige ABN Amro overnam, klagen nu steen en been dat het een kat in de zak is gebleken. Ook de huizenbezitters, de mensen met een levenverzekeringspolis, de toekomstige gepensioneerden en de spaarders hebben geld verloren – ontzettend veel geld. Eind november hadden banken meer dan duizend miljard – één biljoen – euro op hun vorderingen afgeschreven. Samen hadden westerse overheden al bijna tweeduizend miljard euro belastinggeld gestoken in banken en bedrijven. De waarde van alle beursfondsen op de wereld daalde in één jaar tijd van 36 biljoen euro naar 20 biljoen euro: een verlies van 16 duizend miljard. Alle westerse economische machtsblokken en Japan bevinden zich eind 2008 in een recessie. Sommige landen staan aan de rand van het faillissement en zelfs het Internationale Monetaire Fonds is vrijwel blut.

Het vertrouwen in het financiële systeem is zo diep ondermijnd dat het jaren zal duren voordat iemand zorgeloos zijn geld weer op een enkele spaarrekening durft te zetten. Het falen van het bankwezen staat centraal in deze crisis. Banken zijn de vaandeldragers van de diensteneconomie die bijna alle westerse landen hebben gecreëerd nadat achtereenvolgens hun landbouw en industrie in verval waren geraakt. Banken zijn echter geen boeren die producten zaaien en oogsten noch bedrijven die daadwerkelijk iets tastbaars maken. Het zijn slechts organisaties die geld heen en weer schuiven. Hun enige kapitaal is vertrouwen. En als dat verdwijnt, zijn de dagen van de bank geteld.

Nu de banken niet meer het fundament kunnen zijn van de kapitalistische economie, keert de overheid weer terug. Overheden die tientallen jaren alleen maar aan privatiseringen dachten om de schatkist te spekken, moeten nu nationaliseren. Politici die de sound fiscal policy predikten, vallen schaamteloos van hun geloof en zweren nu bij een kwart eeuw zo verfoeide keynesiaanse stimulering. Standbeelden van Mao worden weer opgericht en het werk van Marx wordt weer gelezen. In landen als Groot-Brittannië worden opnieuw progressieve belastingtarieven ingevoerd. Oude afspraken over stabiele munten en subsidiëring van bedrijven worden bij het oud vuil gezet. Het protectionisme laait op met grote economische en politieke gevolgen voor nieuwe economieën in landen als India en China die nog maar net aan de welvaart hebben geroken.

Europeanen willen graag doen geloven dat de crisis te wijten is aan het grote kapitalistische land aan de andere kant van de grote plas, waar banken het armere deel van de bevolking ondeugdelijke hypotheken hebben aangesmeerd. Maar speculatie is geen exclusief Amerikaanse afwijking. Integendeel. De formule van deal or no deal werkt overal.

Als één land speculatie heeft uitgevonden, dan was het wel Nederland – het land van kooplieden dat altijd een grotere beurs en een groter bankwezen had dan de omvang rechtvaardigde. De optie is hier gepopulariseerd (door Westerterps optiebeurs in de jaren tachtig). Nederland gaf niet alleen de naam aan de Amerikaanse munt (dollar) beurs van Wall Street (Waalse Straat), maar gaf ook het voorbeeld van ongebreidelde speculatie. En het eerste aandeel waarmee een kwalijke vorm van short selling plaatsvond, was dat van de VOC. In dit land werd met de tulpengekte ook de eerste speculatieve bubbel in de wereldgeschiedenis gecreëerd. Die begon rond 1620 en duurde tot 1637 toen de prijzen van een zak tulpen waren opgelopen tot 100 duizend gulden.

Maar de lessen van de tulpengekte werden vergeten, net als die van de wereldwijde crash van 1929. Altijd werd gezegd ‘nooit weer’. Na 1929 ontstonden in de meeste westerse democratieën gemengde economieën waarbij regeringen nauwgezet een vinger aan de pols hielden in de staatshuishouding. Verschillen tussen rijk en arm mochten niet te groot worden. Er kwamen progressieve belastingstelsels waarbij de hoogste inkomens de zwaarste lasten droegen. En in een kleine periode van drie decennia werden de inkomensverschillen ook kleiner, kon iets van een verzorgingsstaat worden gecreëerd en rendeerde aandelenspeculatie nauwelijks.

Maar in de tweede helft van de jaren zeventig kwam het Westen in een periode van stagnatie terecht en werd een complete ommezwaai gemaakt. De overheden trokken zich terug en de financiële markten werden gedereguleerd. Er ontstond opnieuw onbeperkt vertrouwen in het zelfreinigende vermogen van de markt. Ondernemingszin en veel geld verdienen werden gestimuleerd. Er kwam een nieuwe cultuur van hebzucht die zich in extreme mate manifesteerden in de financiële centra. Op grote schaal werden in het bankwezen prestatiebeloningen ingevoerd.

Het was lucratief en zelfs prijzenswaardig om goed renderende ondernemingen na een kleine tegenslag via de beurs op te kopen, in stukken te snijden en weer te verkopen. Het was op kleinere schaal lonend om een alleenwonende oma van 75 jaar een tweede hypotheek of een woekerpolis aan te smeren. Onder mom van de efficiënte markt was elke inhaligheid verdedigbaar. De variabele beloningen leidden tot de excessen van de bonuscultuur die begin deze eeuw zijn hoogtepunt beleefde. Het individualisme was verworden tot puur egoïsme, waarin niemand zich meer om de gevolgen bekommerde. Handelaren die de meeste gebakken lucht of olifantenkontenvlees wisten te verkopen, konden tientallen miljoenen per jaar verdienen.

Hebzucht is geen prerogatief van de beurshandelaren, net zo min als van Amerikanen. Aangestoken door de succesverhalen op verjaardagsfeestjes ging iedereen meedoen in de jacht op het grote geld. Al eind jaren tachtig gingen mensen massaal zelf beleggen op de beurs. Het volkskapitalisme nam een hoge vlucht met de beursgang van fondsen als de Postbank, DSM en DAF. Socialisten werden sociaal-democraten en later politici van de Derde Weg die de beurs net zo innig omarmden als de yuppen van de jaren tachtig. Iedereen speculeerde, als het niet op de beurs was dan wel met het eigen huis. Mensen losten hun hypotheken niet meer af in het heilige geloof dat ze met het geld beter konden speculeren om het later in een keer af te lossen.

Ook de media vroegen zich zelden af wat voor producten al die bonussen rechtvaardigden. Er werd meer geschreven over de glitter en glamour van het financiële wereldje met zijn Porsches, penthouses en parels. Iedereen wilde lezen over de mensen die een plekje in de Quote 500 ambieerden, niet over de mensen in de slums van Detroit en de achterstandswijken van Rotterdam die de weelde van de superrijken moesten ophoesten.

Net zoals de andere lessen uit het verleden, zal ook de les van de kredietcrisis van 2008 weer worden vergeten. Op dit moment worden nog altijd bonussen uitgekeerd in de City en Wall Street. Slechts 40 procent van een jaar eerder, maar meer dan de totale ontwikkelingshulp voor Afrika.

De helden van de vrije markt en greed is good zijn van hun voetstuk gevallen. Maar waarschijnlijk slechts voor even. Totdat het eerste blikje olifantenkontenvlees weer op de markt komt en weer niet naar de inhoud wordt gekeken.

mailIcon print |